Toelichting op de aanbevelingen particulier kunstbezit

 

1. Inleiding

De opdracht van de begeleidingscommissie Herkomst Gezocht , doorgaans aangeduid als de commissie-Ekkart, omvat allereerst het doen verrichten van onderzoek naar de herkomst van de zogenaamde NK-collectie, de nog bij de staat berustende kunstwerken, die na de Tweede Wereldoorlog uit Duitsland zijn gerecupereerd. Tevens heeft de commissie tot taak om onderzoek te verrichten naar de werkwijze van de in de jaren 1945-1952 met de recuperatie en restitutie belaste Stichting Nederlands(ch) Kunstbezit (SNK) en om op grond van de bij het onderzoek verworven inzichten aanbevelingen aan de Nederlandse regering te doen over het te voeren teruggavenbeleid van kunstwerken uit de NK-collectie. 

Het onderzoek naar de herkomstgeschiedenis van de afzonderlijke kunstwerken is gestart in september 1998 en wordt onder inhoudelijke verantwoordelijkheid van de commissie uitgevoerd door het onder de Inspectie Cultuurbezit ressorterende projectbureau Herkomst Gezocht. Inmiddels zijn twee deelrapportages (oktober 1999 en oktober 2000) verschenen, waarin de achterhaalde herkomstgegevens van circa 1000 objecten zijn neergelegd. Vanaf eind april 2001 zullen de gegevens uit de deelrapportages ook tweetalig via het Internet beschikbaar zijn. Het herkomstonderzoek zal in het najaar van 2002 worden afgerond. Het historisch onderzoek naar de SNK, dat wordt uitgevoerd door twee aan hetzelfde projectbureau verbonden onderzoekers, is eveneens ter hand genomen en zal in de herfst van het jaar 2001 worden afgerond.

De oorspronkelijke bedoeling was dat de aanbevelingen aan de regering over het restitutiebeleid deel zouden uitmaken van het eindverslag van de commissie, dat in het vierde kwartaal van het jaar 2002, na afronding van het herkomstonderzoek, kan worden verwacht. De commissie is echter van mening dat een versnelling van de advisering over het teruggavenbeleid uitermate wenselijk is, indien althans de zorgvuldigheid van deze advisering daardoor niet wordt geschaad. Zij wordt in deze opvatting gesterkt door de uit de in februari j.l. gestelde vragen van verschillende kamerfracties blijkende bezorgdheid dat de teruggave ernstig zal worden geremd door een te lang uitblijven van een vernieuwd teruggavenbeleid. Ondanks het feit dat het herkomstonderzoek naar de kunstwerken uit de NK-collectie en het mede op dit herkomstonderzoek gebaseerde historisch onderzoek naar de werkwijze van de SNK nog volop bezig zijn, heeft de commissie besloten om met de advisering gedeeltelijk op de eindrapportage vooruit te lopen en over samenhangende aspecten van het teruggavebeleid waarover het tot nu toe verrichte onderzoek al voldoende helderheid heeft verschaft eerder te rapporteren. Deze gefaseerde advisering is erop gericht de regering in de gelegenheid te stellen nieuw beleid vast te stellen dat direct kan worden toegepast, waardoor althans een deel van de teruggavenzaken op korte termijn volgens de wenselijk geachte verruimde normen kan worden behandeld.

Terwijl het bij de huidige stand van het onderzoek nog niet goed mogelijk is te komen tot een afgewogen en eenduidige beleidsadvisering over sommige onderdelen van het restitutiebeleid, bij voorbeeld ten aanzien van de onder toezicht van Verwalters geplaatste joodse kunsthandels, is er dankzij de tot nu toe verrichte werkzaamheden wel een duidelijk beeld ontstaan over de te volgen beleidslijnen ten aanzien van het gedurende de oorlogsjaren uit de handen van de eigenaars geraakte particuliere joodse kunstbezit. Aangezien naar de mening van de commissie juist met dit aspect de grootste spoed gemoeid is, is deze eerste advisering van de commissie-Ekkart daaraan gewijd. Onder de noemer particulier kunstbezit worden hier alle soorten niet voor handelsdoeleinden bestemd kunstbezit samengevat, of het nu gaat om zuiver persoonlijk bezit of om objecten die het juridisch eigendom waren van het familiebedrijf van de verzamelaar.

Met nadruk wijzen wij er op dat het feit dat over andere aspecten nu nog geen advies wordt uitgebracht, er niet toe moet leiden dat de behandeling van zaken, die volgens het tot nu toe door de regering gevoerde en in de brief van 14 juli 2000 van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen aan de Voorzitter van de Tweede Kamer geformuleerde beleid al in aanmerking komen voor teruggave, zouden worden opgehouden. Slechts in gevallen waarin een claim, die behoort tot een categorie waarover de commissie nog niet heeft geadviseerd, buiten het thans door de regering gehanteerde restitutiebeleid zou vallen, zou het wenselijk kunnen zijn indien de Staatssecretaris zijn besluit zou opschorten totdat ook voor die categorie van zaken een vernieuwd beleid is vastgesteld. Dit laatste geldt dus met name voor claims betreffende kunstwerken die gedurende de oorlogsjaren door joodse kunsthandels zijn verkocht.

 

Ga verder naar deel 2 van de toelichting: algemene bevindingen