Op 21 maart 2000 reageerde de regering op de tot dan toe verschenen resultaten van onderzoek naar roof en rechtsherstel door de verschillende commissies Tegoeden Tweede Wereldoorlog. In haar reactie stelt de regering dat na de Tweede Wereldoorlog naar vermogen is getracht eenieder zoveel mogelijk in zijn of haar rechten te herstellen en dat dit volgens de rapporten van de verschillende commissies in redelijke mate is gelukt. Dit nam niet weg dat de regering vond dat dat het rechtsherstel naar de huidige maatstaven met meer begrip uitgevoerd had kunnen en moeten worden. Sommige gehanteerde procedures moesten nu volgens haar als formalistisch, bureaucratisch en kil worden getypeerd en zijn op een enkel punt zelfs in strijd met de toen geldende regelgeving.

Hoewel de regering vasthield aan haar eerder geformuleerde uitgangspunt dat het rechtsherstel niet zou worden overgedaan, stelde zij voorop dat het voor rechthebbenden mogelijk moest blijven om verzoeken tot restitutie van bezittingen in te dienen. Op 18 april 2000 sprak de Tweede Kamer haar steun uit voor dit regeringsstandpunt. 

Op 14 juli 2000 stuurde de staatssecretaris van OCW, dr. F.W. Van der Ploeg, een regeringsnotitie aan het parlement. Hiermee reageerde hij op een verzoek van de vaste commissie voor OCW naar aanleiding van Resolutie 1205 (1999) over Looted Jewish cultural property van de Raad van Europa. In de regeringsnotitie geeft hij, in afwachting van de aanbevelingen van de Commissie Ekkart over het door de regering te volgen restitutiebeleid, informatie over de stand van zaken op het terrein van teruggave van Joodse culturele eigendommen door de Nederlandse overheid. Bovendien formuleert hij “zonder vooruit te willen lopen op de conclusies van de Commissie Ekkart” voorlopige beleidsregels voor de behandeling van individuele verzoeken tot restitutie van kunstvoorwerpen. Uit de notitie blijkt ook dat hij de geformuleerde beleidsregels voor cultuurgoederen die onderdeel uitmaken van de NK-collectie ook van toepassing verklaart op kunstvoorwerpen die zich in andere delen van de rijkscollectie bevinden. Hij merkt hierbij op dat deze beleidsregels zich richten op de beoordeling of een restitutieverzoek voor behandeling in aanmerking komt. Zij zeggen dus niets over de toe- of afwijzing van zo’n verzoek. Daarvoor gelden vooralsnog de regels krachtens het naoorlogs rechtsherstel, waarbij onvrijwilligheid van het bezitsverlies en het vaststaan van de rechten van de verzoeker als (erfgenaam van de) oorspronkelijke eigenaar de belangrijkste criteria zijn. Mochten de uitkomsten van het onderzoek van de Commissie Ekkart daartoe aanleiding geven, dan zal de gevolgde beleidslijn ten aanzien van verzoeken tot restitutie van kunstvoorwerpen in het licht van die uitkomsten worden herzien.