Op 22 november 2001 vond op verzoek van de vaste commissie voor OCW een Algemeen Overleg plaats met staatssecretaris Van der Ploeg (OCW) over de aanbevelingen van de Commissie Ekkart, de regeringsreacties hierop en het Instellingsbesluit Restitutiecommissie. Woordvoerders van het CDA, D66, Groen Links, PvdA en VVD maakten tijdens dit overleg onder andere kritisch opmerkingen over de traagheid van de afwikkeling van restitutieclaims en spraken zich uit voor een ruimhartig teruggavebeleid, zoals verwoord door de Commissie Ekkart in haar aanbevelingen. De woordvoerders plaatsten ook kritische kanttekeningen bij de coördinerende rol die volgens artikel 2 van het Instellingsbesluit aan het ministerie van OCenW is toebedeeld. Hierop antwoordde de staatssecretaris dat niet de indruk mag ontstaan dat de commissie niet onafhankelijk is. Verzoeken tot teruggave van voorwerpen uit de rijkscollectie worden ingediend bij het Rijk, dat wordt geacht daarvan de eigenaar te zijn. De minister maakt geen gebruik van zijn discretionaire bevoegdheid inzake het niet of wel vragen van advies. Door verzoeken via de minister te laten lopen, wordt de Restitutiecommissie niet onnodig belast met verzoeken die niet tot haar taakopdracht horen en weet de minister welke claims de commissie in behandeling heeft. De bepaling dat de minister uiteindelijk beslist over het wel of niet teruggeven van een voorwerp uit de rijkscollectie, heeft eveneens te maken met het feit dat de Staat der Nederlanden als eigenaar daarvan kan worden beschouwd. Alleen in de gevallen waarin de Restitutiecommissie zich bij haar advisering evident niet gehouden heeft aan het gestelde beleidskader, kan er voor de staatssecretaris reden zijn om van een advies af te wijken.

Tijdens het Algemeen Overleg werden door verschillende aanwezigen ook vragen gesteld over de vereiste instemming van beide partijen in geschillen, waarbij de Staat der Nederlanden niet de huidige bezitter van het in het geding zijnde kunstvoorwerp is (artikel 2, lid 3). Hierop reageerde de staatssecretaris met de opmerking dat advisering door de Restitutiecommissie alleen zin heeft als beide partijen die weg willen bewandelen en zich daaraan willen committeren.