De regering volgde de aanbevelingen van de Commissie Ekkart in hoofdlijnen op en zette deze om in beleid. Dit blijkt uit de regeringsreactie van 29 juni 2001 in samenhang met een aanvullende regeringsreactie van 16 november 2001. De regering maakte echter een voorbehoud met betrekking tot het begrip ‘formele schikking’ uit aanbeveling 1. Dit begrip definieerde zij nader als: “Van een afgehandelde zaak zal sprake zijn indien de vordering tot teruggave bewust en weloverwogen heeft geresulteerd in een schikking dan wel verzoeker expliciet van de vordering tot teruggave heeft afgezien”. De regering nam aanbeveling 9, de algemene openstelling van de mogelijkheid tot terugkoop, slechts over voor zover er na de oorlog sprake was van ‘apert onzorgvuldig afgewikkelde aanbiedingen tot terugkoop’. Alleen dan zou er alsnog een mogelijkheid tot terugkoop dienen te zijn. Tot slot stelde de regering een verruiming ten aanzien van aanbeveling 3 voor. Zij gaf aan niet alleen de verkoop door Joodse particulieren in principe als onvrijwillig te willen beschouwen, maar ook die door andere vervolgde bevolkingsgroepen.

In haar reactie op de aanbevelingen van de Commissie Ekkart gaf de regering aan dat zij het restitutievraagstuk niet alleen puur juridisch maar ook beleidsmatig had benaderd. Zij vond het daarom passend een adviescommissie ter beoordeling van individuele restitutieverzoeken in te stellen. Dit was mede ingegeven door het internationale geldende beleid, zoals verwoord in de Washington Principles. Daarin wordt onder andere de instelling van nationale alternative dispute resolution mechanisms for resolving ownership issues aanbevolen. Landen als Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk hadden daar al invulling aan gegeven.

Bij dezelfde brief als waarin de staatssecretaris van OCenW de aanvullende reactie van de regering op de aanbevelingen van de Commissie Ekkart uiteenzette bood hij het Besluit Adviescommissie restitutieverzoeken cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog (hierna: Instellingsbesluit Restitutiecommissie) en de toelichting hierop aan het parlement aan de taken en het beleidskader van de Restitutiecommissie is vooral artikel 2 van belang:

  1. Er is een commissie die tot taak heeft de minister op diens verzoek te adviseren over de te nemen beslissingen op verzoeken om teruggave van cultuurgoederen waarover de oorspronkelijke eigenaar door omstandigheden die direct verband hielden met het nazi-regime onvrijwillig het bezit heeft verloren en die zich thans in bezit van de Staat der Nederlanden bevinden.
  2. De commissie heeft voorts tot taak op verzoek van de minister advies uit te brengen over geschillen over teruggave van cultuurgoederen tussen de oorspronkelijke eigenaar die door omstandigheden die direct verband hielden met het nazi-regime onvrijwillig het bezit verloor of diens erfgenamen en de huidige bezitter niet zijnde de Staat der Nederlanden.
  3. De minister dient een verzoek om advies als bedoeld in het tweede lid uitsluitend in bij de commissie, indien de oorspronkelijke eigenaar of diens erfgenamen en de huidige bezitter gezamenlijk de minister daarom gevraagd hebben.
  4. De commissie verricht de adviestaak, bedoeld in het eerste lid, met inachtneming van het rijksbeleid ter zake.
  5. De commissie verricht de adviestaak, bedoeld in het tweede lid, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid.