Aanbevelingen

  1. De commissie adviseert om bij het teruggavebeleid ten aanzien van de kunsthandel dezelfde uitgangspunten te hanteren die in de aanbevelingen nr. 1, 4, 5, 6, 7 en 8 van april 2001 ten aanzien van het particuliere kunstbezit zijn neergelegd.

  2. De commissie adviseert om daar waar in de aanbevelingen gesproken wordt over bezitsverlies c.q. transacties door joodse handelaren in Nederland in de periode vanaf de bezetting van Nederland in 1940, dezelfde aanbevelingen te laten gelden voor bezitsverlies c.q. transacties door joodse handelaren in Duitsland vanaf 1933 en in Oostenrijk vanaf 1938.

  3. Wanneer er voldoende aanwijzingen zijn dat een kunstwerk niet behoorde tot de handelsvoorraad van een kunsthandelaar, maar tot zijn privé-collectie, worden verzoeken om restitutie behandeld conform de normen voor particulier kunstbezit.

  4. De commissie adviseert om indien al bij de aangifte na de oorlog van een overgang van kunstwerken uit bezit van een handelaar diefstal of confiscatie als kwalificatie is aangegeven en niets gebleken is dat dit tegenspreekt, de betreffende kwalificatie wordt geaccepteerd. Indien er geen sprake is van een aangifte of uitsluitend van een interne aangifte, dienen aanwijzingen, die het in hoge mate waarschijnlijk maken dat sprake is van diefstal of confiscatie, als grond voor teruggave te worden beschouwd, waarbij ten aanzien van joodse handelaren de bedreigende algemene omstandigheden dienen te worden verdisconteerd.

  5. De commissie adviseert om in alle gevallen waarin de kunsthandelaar zelf, zijn erven of zijn door hem of zijn erven benoemde directe vertegenwoordiger na de oorlog bij een aangifte “vrijwillige verkoop” heeft ingevuld, deze kwalificatie als bindend te beschouwen, tenzij zeer duidelijke aanwijzingen worden overlegd die het waarschijnlijk maken dat bij de invulling een fout is gemaakt of dat de invulling onder onevenredig bezwarende omstandigheden heeft plaats gevonden.

  6. In alle gevallen waarin na de oorlog op een aangifteformulier door de betrokkene, zijn erven of zijn door hem of zijn erven benoemde directe vertegenwoordiger de kwalificatie “onvrijwillige verkoop” is ingevuld en waarin geen aanwijzingen bestaan die deze kwalificatie tegenspreken, dient een dergelijke kwalificatie te worden geaccepteerd. In alle gevallen waarin een dergelijk aangifteformulier ontbreekt, dienen aanwijzingen, die het in hoge mate waarschijnlijk maken dat sprake is van verkoop onder dwang, op dezelfde wijze als uitgangspunt voor het teruggavebeleid te worden gehanteerd. Tot de aanwijzingen voor onvrijwillige verkoop behoren in ieder geval dreiging met represailles, en toezeggingen tot levering van paspoorten of vrijgeleides als onderdeel van de transactie. Onder onvrijwillige verkopen worden ook verstaan verkopen door Verwalters of andere niet door de eigenaar aangestelde beheerders uit de onder hun beheer gestelde voorraden, voor zover de oorspronkelijke eigenaars of hun erven niet het volledig profijt van de transactie hebben genoten en na de oorlog uitdrukkelijk afstand hebben gedaan van rechten.