In januari 2003 publiceerde de Commissie Ekkart haar 'Aanbevelingen restitutie kunstwerken van kunsthandelaren'.

In het algemeen stelt de Commissie Ekkart in haar toelichting op de ‘Aanbevelingen inzake de kunsthandel’ dat het lastiger is om beleidsaanbevelingen te ontwikkelen betreffende een verruiming van het restitutiebeleid ten aanzien van de kunsthandel dan ten aanzien van particulieren. De commissie noemt daartoe als belangrijkste complicerende factoren:

- 'dat de kunsthandel verkoop van handelsvoorraad als doelstelling heeft, zodat een belangrijk deel van de verrichte transacties, ook bij de joodse kunsthandelaars, in principe gewone verkoop was;

- dat het zeer vaak niet duidelijk is of een transactie geschiedde door de joodse kunsthandelaar zelf of door een (“goede” of “slechte”) Verwalter, vaak zelfs niet duidelijk is of een kunstwerk behoorde tot de handelsvoorraad uit de tijd voordat een Verwalter was aangesteld of door zo’n Verwalter zelf was gekocht;

- dat naast de reguliere kunsthandelaren, die voor het merendeel reeds lang voor het begin van de oorlog gevestigd waren, in de jaren vanaf 1940 een groeiend aantal “gelegenheidshandelaren” werkzaam was, zowel joodse als niet-joodse personen, die zich niet hadden gevestigd als kunsthandelaar, maar zich op meer of minder intensieve wijze bezig hielden met de in- en verkoop van kunstwerken’.

Volgens de Commissie Ekkart zou het dan ook onjuist zijn om de verkopen van kunstwerken door kunsthandelaren op geheel dezelfde wijze te beoordelen als die van particulieren. Met name de veronderstelling dat verkopen in Nederland vanaf 10 mei 1940 door joodse particulieren onvrijwillig hebben plaatsgevonden, zoals op grond van de derde Aanbeveling inzake particulier kunstbezit geldt, kan niet worden overgenomen voor de kunsthandel. In plaats daarvan beveelt de Commissie Ekkart aan om - ter beoordeling van de vraag of een verkoop door een kunsthandelaar al dan niet onvrijwillig heeft plaatsgevonden - waarde te hechten aan de kwalificaties die de eigenaar of erfgenamen na de oorlog bij de aangifte van het bezitsverlies bij de SNK gebezigd hebben, voorzover er althans aangifte is gedaan. Zo kan in beginsel worden uitgegaan van de juistheid van kwalificaties als ‘diefstal’ of ‘confiscatie’ in de SNK-aangifteformulieren, of ‘onvrijwillig’ dan wel ‘vrijwillig bezitsverlies’. Een en ander is verwoord in de ‘Aanbevelingen inzake de kunsthandel’ onder de aanbevelingen 4, 5 en 6. Indien deze aangifteformulieren tussen het beschikbare archiefmateriaal ontbreken, geeft (de toelichting bij) het tweede deel van de zesde aanbeveling een handvat. Deze luidt als volgt:

[...] 

Onder onvrijwillige verkoop vallen in ieder geval de volgende situaties met betrekking tot joodse kunsthandelaren:

- rechtstreekse verkoop onder bedreiging met represailles aan vertegenwoordigers van de bezettende macht of aan na de oorlog wegens collaboratie of andere relevante kwalijke praktijken veroordeelde Nederlanders

- verkoop waarbij het leveren van paspoorten, het geven van vrijgeleides, etc., onderdeel uitmaakte van de transactie

- verkoop tegen de wil van de kunsthandelaar door Verwalters of door andere niet door de eigenaar aangestelde beheerders, tenzij kan worden aangetoond dat de oorspronkelijke eigenaar het volledige profijt van de verkoop heeft genoten en hij of zijn erven of de door hem of zijn erven aangewezen vertegenwoordiger na de oorlog uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van zijn rechten’.

De Restitutiecommissie heeft in de drie kunsthandelzaken die haar zijn voorgelegd onder meer met toepassing van deze zesde aanbeveling geconcludeerd dat de verkoop van kunstwerken onvrijwillig tot stand was gekomen. In hoofdstuk 4 worden de adviezen in deze kunsthandelzaken besproken.

Afgezien van het hiervoor besproken verschil tussen het beleid bij teruggave van particulier kunstbezit en dat van kunsthandelaren, geldt het merendeel van de aanbevelingen gelijkelijk voor beide categorieën. Dit volgt uit de eerste aanbeveling inzake de kunsthandel. Hierin worden verscheidene aanbevelingen met betrekking tot particulier kunstbezit van overeenkomstige toepassing verklaard in kunsthandelzaken. Dit betekent dat:

- ‘zaken waarin door de Raad voor het Rechtsherstel of een andere bevoegde rechter een vonnis is gewezen of waarin een formele schikking tussen de rechthebbenden en de boven de SNK geplaatste organen is getroffen, in principe  als afgehandelde zaken worden beschouwd [Aanbevelingen inzake particulier kunstbezit, nr. 1]

- terugbetaling van verkoopopbrengsten alleen in het geding gebracht moet worden indien en voor zover de toenmalige verkoper of zijn erven daadwerkelijk die opbrengsten ter vrije beschikking hebben gekregen [idem nr. 4]

- bij twijfels of men de opbrengsten daadwerkelijk heeft genoten, aan de rechthebbenden het voordeel van de twijfel moet worden gegund [idem nr. 5]

- indien bij een teruggave gehele of gedeeltelijke terugbetaling van verkoopopbrengsten noodzakelijk is, het bedrag dient te worden geïndexeerd volgens het algemene prijsindexcijfer [idem nr. 6]

- bij teruggaven afgezien dient te worden van de doorberekening van de beheerskosten, die indertijd door de SNK werden vastgesteld [idem nr. 7]

- tot teruggave kan worden overgegaan indien het eigendomsrecht in hoge mate aannemelijk is gemaakt en er geen aanwijzingen zijn die dat tegenspreken [idem nr. 8]’.

Ook geeft de Commissie Ekkart in haar toelichting aan dat de uitgangspunten die gelden voor in Nederland gevestigde joodse kunsthandelaren vanaf de bezetting van Nederland in mei 1940 evenzeer van toepassing dienen te zijn op joodse kunsthandelaren in Duitsland vanaf 1933 en in Oostenrijk vanaf 1938.

Met betrekking tot de ontvankelijkheid van restitutieverzoeken wordt nog het volgende aangetekend. In het algemeen geldt dat een restitutieverzoek niet in behandeling wordt genomen (niet-ontvankelijk is) indien het verzoek reeds eerder in het kader van het naoorlogse rechtsherstel is afgehandeld. Uitgangspunt van de regering is immers dat het rechtsherstel van na de oorlog niet wordt overgedaan. Bij particulier kunstbezit wordt hierop echter een uitzondering gemaakt, die inhoudt dat een eerder afgehandelde zaak wel kan worden heroverwogen, indien er sprake is van een ‘novum’ in de ruime betekenis die de Commissie Ekkart daaraan heeft gegeven. Dit beleidsmatige novum-begrip omvat, in tegenstelling tot de juridisch gangbare betekenis, naast ‘nieuwe feiten’ tevens ‘nieuwe inzichten’ terzake van de rechtvaardigheid en consequenties van het na de oorlog gevoerde beleid. Aanvankelijk was het de Restitutiecommissie niet duidelijk of deze ruime interpretatie van het novum-begrip ook gold voor de kunsthandelzaken. De tweede aanbeveling inzake particulier kunstbezit wordt immers niet expliciet van overeenkomstige toepassing verklaard op de kunsthandelaanbevelingen. Navraag bij de Commissie Ekkart heeft echter uitgewezen dat het ruime novum-begrip ook op de kunsthandel van toepassing is en slechts vanwege haar vanzelfsprekende geldigheid niet is herhaald in de kunsthandelaanbevelingen.