Het sinds september 1998 in het kader van het project Herkomst gezocht verrichte onderzoek bevestigt in het algemeen de in april 1998 in het rapport betreffende het proefonderzoek neergelegde conclusies. Door zorgvuldig herkomstonderzoek is het vaak mogelijk gegevens over de geschiedenis van kunstwerken te achterhalen, die niet aan de SNK bekend waren en in sommige gevallen leiden deze nieuwe gegevens tot aanwijzingen betreffende mogelijk onvrijwillig bezitsverlies, waarvoor in de naoorlogse periode geen claim door de belanghebbenden was ingediend. In enkele gevallen blijkt het ook mogelijk nog aanwezige objecten alsnog in verband te brengen met objecten, waarover de oorspronkelijke eigenaren aangifte van onvrijwillig bezitsverlies hadden gedaan, maar die toen niet zijn herkend. In dergelijke zaken zijn de in het huidige restitutiebeleid van de regering gehanteerde begrippen nieuwe claim en nova bruikbaar om een teruggavenprocedure in werking te stellen.

Zoals reeds in de rapportage van het proefonderzoek werd geconstateerd, zijn er daarnaast vele objecten in de NK-collectie, waarvan een sluitende herkomst kan worden getraceerd en die bij voorbeeld ten gevolge van vrijwillige verkoop door Nederlanders die niet tot de vervolgde bevolkingsgroepen behoorden in Duitse handen zijn geraakt en daardoor na de recuperatie geheel rechtmatig in beheer van de Nederlandse staat zijn gekomen en gebleven. Ook bevestigt het onderzoek dat van een groot aantal kunstwerken uit de NK-collectie geen volledige herkomst kan worden gereconstrueerd, zodat slechts reacties op de publicatie van de thans beschikbare gegevens ertoe kunnen leiden dat aanwijzingen over eventueel onvrijwillig bezitsverlies te voorschijn komen. Om die reden moet de volledige publicatie van het verrichte onderzoek in de vorm van rapportages en ook door middel van het internet nog altijd worden beschouwd als een belangrijk middel om gevallen van roof, confiscatie en gedwongen verkoop te achterhalen. Het feit dat het door het verrichte onderzoek nu en dan mogelijk is onbekende en/of niet herkende gegevens te achterhalen, die kunnen leiden tot teruggave, maakt duidelijk dat dit onderzoek conform het projectplan moet worden voortgezet en afgerond. Het onderzoek geeft echter tevens veel informatie over de wijze waarop in de jaren 1945-1952 de restitutie van kunstvoorwerpen werd behandeld en levert daardoor bouwstenen voor aanbevelingen aan de regering over nu te voeren beleid.

De bevindingen komen geheel overeen met die van andere regeringscommissies, die zich hebben gebogen over oorlogsverliezen en rechtsherstel. De constatering van de commissie-Scholten, dat het rechtsherstel op een aantal punten werd gekenmerkt door een strikt bureaucratisch handelen, waarbij weinig soepelheid betracht is en vaak weinig oog geweest is voor de bijzondere positie en belangen van de slachtoffers, is in het algemeen zeer van toepassing op de handelingen van de Stichting Nederlands Kunstbezit. Ook de opmerkingen van de commissie-Kordes over de formeel-zakelijke benadering van de overheid en anderen zijn onverkort van toepassing op de SNK, terwijl de kritische kanttekeningen van dezelfde commissie over de aan joodse boedels in rekening gebrachte apparaatskosten van het rechtsherstel kunnen worden doorgetrokken naar de door de SNK dienaangaande gehanteerde richtlijnen voor doorberekening van kosten aan de rechthebbenden voor de teruggave van kunstwerken.

Na kennisname van de stukken over een groot aantal naoorlogse claims, moeten wij de wijze waarop de Stichting Nederlands Kunstbezit de restitutieproblematiek behandelde, in het algemeen karakteriseren als formalistisch, bureaucratisch, kil en veelal zelfs harteloos.

Ga verder naar deel 3 van de toelichting: particulier kunstbezit: uitgangspunten