Het huidige teruggavenbeleid van de Nederlandse regering ten aanzien van objecten uit de NK-collectie is gebaseerd op het uitgangspunt dat slechts claims kunnen worden uitgebracht, wanneer het gaat om een nieuwe claim of wanneer bij een al eerder behandelde claim nieuwe gegevens beschikbaar zijn gekomen (nova). Voorwaarde voor een claim is bovendien dat de rechthebbende het bezit onvrijwillig heeft verloren. Van deze voorwaarden is alleen het begrip nieuwe claim eenduidig en min of meer systematisch te hanteren. Over de interpretatie van het begrip nova kan men van mening verschillen, terwijl over het begrip onvrijwillig bezitsverlies  al in de periode 1945-1952 verschillende interpretaties zijn gehanteerd.

Basis van het algemene regeringsstandpunt inzake Tegoeden Tweede Wereldoorlog d.d. 21 maart 2000 is dat het rechtsherstel als zodanig niet wordt overgedaan. Uit dit uitgangspunt vloeit voort dat afgehandelde zaken niet opnieuw worden geopend. Aangezien er ernstige  onduidelijkheid kan bestaan over de vraag wat in dit verband gerekend moet worden tot de categorie afgehandelde zaken, adviseert de commissie, na kennisname van een groot aantal dossiers, het begrip "afgehandeld" te beperken tot de twee categorieën waarover wel communis opinio bestaat, namelijk rechterlijke uitspraken en formele schikkingen tussen de boven de SNK geplaatste organen (Raad voor het Rechtsherstel en het Nederlands Beheersinstituut) en belanghebbenden, die door beide partijen zijn getekend. Ook latere formele schikkingen met de Staat der Nederlanden behoren tot de afgehandelde zaken. Beslissingen van de SNK leiden volgens dit standpunt niet tot een afgehandelde zaak, laat staan een ongesigneerd aantekening van een SNK-ambtenaar op een document waarin wordt geconstateerd dat de zaak (ambtelijk) is afgedaan. Volgens ditzelfde uitgangspunt behoren ook beslissingen van de SNK, die werden gevolgd door een brief van de belanghebbenden, waarin zij meedeelden onder de gestelde voorwaarden van restitutie af te zien, niet tot de categorie formele schikkingen.

Gebleken is dat slechts in enkele gevallen door de SNK geweigerde claims uiteindelijk zijn voorgelegd aan de rechter, te weten de Afdeling Rechtspraak van de Raad voor het Rechtsherstel. Dit gebeurde vooral in een periode waarin de meeste zaken door de SNK al als afgedaan werden beschouwd. De commissie is van mening dat de vonnissen in deze zaken gezien moeten worden als toetsingscriteria voor die beoordelingen van de SNK, die nooit door de rechthebbenden aan de rechter zijn voorgelegd. De daaruit voortvloeiende afwijkingen tussen rechterlijke uitspraken en SNK-beschikkingen moeten worden gezien als nova bij eventuele claims. Een vonnis als dat in de zaak Gutmann (1952) laat bij voorbeeld over het onvrijwillig bezitsverlies een duidelijk ruimer standpunt zien dan de SNK placht te huldigen. Dit betreft de constatering dat verkoop "onder invloed van de bijzondere omstandigheden van de oorlog" ook voor vernietiging in aanmerking komt. Hoewel de andere rechterlijke uitspraken wat minder directe precedentwerking kunnen hebben, maken ze wel duidelijk dat de houding van de rechter wat milder was dan die van de SNK (zie b.v. vonnis in zaak Rebholtz, 1953, waarin beslissing SNK en NBI werd vernietigd). Elke ingediende claim, die zich beroept op een dergelijk vonnis en aannemelijk maakt dat hantering van de in dat vonnis gestelde normen had kunnen leiden tot een andere beschikking van de SNK, zou op grond daarvan voor behandeling in aanmerking moeten komen.

Het begrip nova moet ook in een ander opzicht ruimer worden gehanteerd dan tot nu toe gebruikelijk is geweest, aangezien thans immers als nova in principe alleen nieuwe, harde feiten over de geschiedenis van het kunstwerk, dat wil dus zeggen nieuwe informatie uit het herkomstonderzoek, worden beschouwd.

Hoewel er zorgvuldig voor moet worden gewaakt dat hantering van vernieuwde normen niet leidt tot rechtsongelijkheid ten opzichte van toen volledig afgedane zaken, dient men ook te bezien of de indertijd door de SNK gehanteerde praktijken volgens ons huidige rechtsgevoel ook voldoende in overeenstemming zijn met de toen bestaande, in het Koninklijk Besluit

E 100 neergelegde rechtsuitgangspunten. Deze uitgangspunten van het restitutiebeleid behoeven niet ter discussie te worden gesteld, maar wel de wijze van uitvoering ervan door de SNK. Het is van belang daarbij op te merken, dat de concept-richtlijnen van de SNK, die, op basis van de informele richtlijnen uit 1945, eind 1946 ten behoeve van de praktische werkwijze van de stichting werden opgesteld, nooit een door de betreffende ministeries vastgestelde formele status als instructie van de SNK hebben gekregen. Bovendien is het duidelijk dat ook deze concept-richtlijnen, die naar het zich laat aanzien in de praktijk door de SNK als gedragsregel zijn gehanteerd, veel ruimte laten voor interpretatieverschillen.

Samenvattend kan worden geconstateerd dat de door de regering gehanteerde criteria om bij een claim geen beroep te doen op verjaring, bruikbaar zijn, maar dat het noodzakelijk is om daarbij de begrippen afgedane zaak en nova te verruimen. 

Daarnaast wil de commissie met name over de volgende punten aanbevelingen doen:

- de interpretatie van het begrip gedwongen verkoop (§ 4)
- de noodzaak tot terugbetaling van verkoopgelden (§ 5)
- de hantering van het begrip bewijs (§ 6).

Bovendien volgt nog een aanbeveling over de niet vastgelegde maar blijkens het verrichte onderzoek in de praktijk door de SNK gehanteerde regel dat bij bereidheid tot teruggave het recht tot "terugkoop" slechts korte tijd geldig was (§ 7). 

Aanbevelingen:

De commissie adviseert het begrip "afgehandelde zaken" te beperken tot die zaken waarin door de Raad voor het Rechtsherstel of een andere bevoegde rechter een vonnis is gewezen of een formele schikking tussen rechthebbenden en boven de SNK geplaatste organen is getroffen.

De commissie adviseert het begrip nova een ruimere interpretatie te geven dan tot nu toe in het beleid gebruikelijk is en daaronder ook afwijkingen ten opzichte van de vonnissen die zijn uitgesproken door de Raad voor het Rechtsherstel te rekenen alsmede de resultaten van veranderd (historisch) inzicht ten aanzien van de rechtvaardigheid en consequentie van het toen gevoerde beleid.