In het laatste concept voor de Richtlijnen voor het algemeen beleid van de Stichting Nederlandsch Kunstbezit van 1946 is in artikel 11 als voorwaarde voor teruggave geformuleerd dat "buiten twijfel dient te zijn, dat onvrijwillig bezitsverlies heeft plaats gehad". Daaraan is als toelichting in hetzelfde artikel 11 toegevoegd:

"Als onvrijwillig bezitsverlies zal in de eerste plaats beschouwd worden het geval, waarin door de oorspronkelijke eigenaars niet is medegewerkt aan het bezitsverlies van hun toebehoorende kunstvoorwerpen. Vervolgens zullen hiertoe ook gerekend worden de gevallen, waarin zoodanige medewerking wel is verleend, doch ten genoegen van de Stichting wordt aangetoond, dat dit geschied is onder dwang, bedreiging of onbehoorlijken invloed door of vanwege den vijand. Wanneer naar de meening van de Stichting aan de hier gestelde vereischten niet is voldaan, mag niet tot teruggave worden overgegaan, zoolang niet de aanspraken van verzoekers door den bevoegden rechter zijn erkend."

In haar werkzaamheden lijkt de SNK zich te hebben gedragen conform deze nogal gelimiteerde omschrijving van het begrip "onvrijwillig bezitsverlies".

Daarbij moet er ook aan worden herinnerd dat een zeer groot aantal aangifteformulieren betreffende oorlogsverkopen van kunstwerken door de SNK zelf als "interne aangifte" is ingevuld en dat derhalve aan de daarop aangegeven aanduiding vrijwillige verkoop geen enkele andere betekenis kan worden gehecht dan dat dit de zienswijze van de SNK was.

Zoals reeds werd opgemerkt blijken er slechts weinig zaken uiteindelijk aan de rechter te zijn voorgelegd, maar ten minste één vonnis maakt duidelijk dat de rechter hierin een ruimhartiger standpunt innam dan de SNK. Dit betreft het vonnis van de Raad voor het Rechtsherstel d.d. 1 juli 1952 in de zaak Gutmann. De Raad verwierp daarin immers het oordeel van de SNK dat voor verkopen in 1941 en in het eerste kwartaal van 1942 geen sprake zou kunnen zijn van gedwongen verkoop. Daarbij overwoog de Raad, dat ook al was er geen sprake van directe, door de kopers van de kunstwerken uitgeoefende dwang, de bijzondere omstandigheden een beroep op het begrip gedwongen verkoop wel degelijk rechtvaardigen.

Dit vonnis biedt een duidelijke basis voor een beleidsuitgangspunt, dat bij verkopen van kunstwerken door joodse Nederlanders vanaf 10 mei 1940 de kwalificatie gedwongen verkoop kan worden gegeven, tenzij nadrukkelijk anders blijkt. Reeds bestaande of dreigende maatregelen van de bezetter tot inlevering van kunstvoorwerpen bij een bezettingsinstantie en het feit dat bij een vlucht uit lijfsbehoud de achtergebleven bezittingen zouden worden geconfisqueerd, vormden immers veelal de drijvende motieven om kunstbezit te gelde te maken. Het is daarbij dus niet van belang of het initiatief tot verkoop uitging van koper of verkoper en evenmin of de koper als bonafide of malafide moet worden beschouwd. Ook verkopen door joodse eigenaren in Duitsland en Oostenrijk vanaf respectievelijk 1933 en 1938 kunnen, behoudens bewijs van het tegendeel, als gedwongen verkopen worden beschouwd.

Voor andere particulieren blijft het bestaande uitgangspunt, dat de onvrijwilligheid van een verkoop moet worden aangetoond dan wel hoogstwaarschijnlijk worden gemaakt, onverlet.

Aanbeveling:

De commissie adviseert om verkoop van kunstwerken door joodse particulieren in Nederland vanaf 10 mei 1940 te beschouwen als gedwongen verkoop, tenzij nadrukkelijk anders blijkt. Hetzelfde uitgangspunt dient te worden gehanteerd bij verkopen vanaf 1933 respectievelijk 1938 door joodse particulieren in Duitsland en Oostenrijk.