Bij de verkopen van kunstwerken door handelaren gedurende de oorlogsjaren is het doorgaans moeilijk te bepalen wanneer nog sprake is van vrijwillige en wanneer van onvrijwillige verkoop. Het feit dat inmiddels tientallen jaren zijn verstreken en de informatie nu vaak alleen uit de tweede, derde of vierde hand te verkrijgen is, maakt het noodzakelijk om in ieder geval optimaal gebruik te maken van hetgeen in de periode kort na de oorlog door de betrokkenen zelf of hun directe nabestaanden is vastgelegd. Belangrijkste informatiebron vormen daarbij de bij de Stichting Nederlands Kunstbezit ingediende aangifteformulieren, waarop verkopen aan Duitsers werden vastgelegd.

 

Een goed uitgangspunt is om in alle gevallen waarin de kunsthandelaar zelf, zijn erven of zijn door hem of zijn erven benoemde directe vertegenwoordiger na de oorlog bij een aangifte “vrijwillige verkoop” heeft ingevuld, deze kwalificatie als bindend te beschouwen, tenzij zeer duidelijke aanwijzingen worden overlegd die het waarschijnlijk maken dat bij de invulling een fout is gemaakt of dat de invulling onder onevenredig bezwarende omstandigheden heeft plaats gevonden.

Indien “vrijwillige verkoop” uitsluitend is ingevuld op een intern aangifteformulier,  zonder dat er een onderliggend stuk is dat duidelijk maakt dat de kwalificatie vrijwillige verkoop is gebaseerd op een verklaring van de belanghebbende, is deze mededeling zonder waarde.

 

Aanbeveling 5

De commissie adviseert om in alle gevallen waarin de kunsthandelaar zelf, zijn erven of zijn door hem of zijn erven benoemde directe vertegenwoordiger na de oorlog bij een aangifte “vrijwillige verkoop” heeft ingevuld, deze kwalificatie als bindend te beschouwen, tenzij zeer duidelijke aanwijzingen worden overlegd die het waarschijnlijk maken dat bij de invulling een fout is gemaakt of dat de invulling onder onevenredig bezwarende omstandigheden heeft plaats gevonden.