Zoals bekend was een van de kenmerken van het beleid van de SNK dat, steeds als er sprake was van een verkoop, de daarbij betaalde prijs moest worden terugbetaald om de eigenaar weer in het bezit te laten komen van de onvrijwillig verkochte kunstwerken. De commissie is van mening dat de strikte toepassing van dit uitgangspunt niet anders dan als uiterst kil en onrechtvaardig kan worden bestempeld, in het bijzonder omdat bij vele joodse eigenaren de ontvangen gelden uitsluitend werden gebruikt om te trachten het land te ontvluchten en de ontvangen gelden in veel gevallen niet daadwerkelijk aan de eigenaren van de kunstwerken ten goede zijn gekomen.

Hoewel het laten vallen van elke terugbetaling een schijnbaar eenvoudige oplossing zou zijn, druist dit naar de mening van de commissie in tegen de beginselen van rechtsgelijkheid, aangezien in de jaren na 1945 sommige eigenaren van kunstwerken wel de gevraagde prijs hebben betaald en juist de terugbetaling in veel zaken een breekpunt is geweest in de effectuering van teruggaven. Het geheel laten vallen van eventuele terugbetalingen zou derhalve lijnrecht ingaan tegen de toenmalige principes van het rechtsherstel en bovendien de inspanningen van rechthebbenden die toen, duidelijk vaak met de grootste moeite, geld hebben vergaard om kunstwerken terug te kopen, een stempel van zinloosheid geven.

Het is echter noodzakelijk dat een aanzienlijke versoepeling in de toepassing van de terugbetalingsregeling wordt doorgevoerd. Uitgangspunt zou daarbij moeten zijn dat alleen terugbetaling van verkoopopbrengsten noodzakelijk is, indien de toenmalige eigenaren of hun erven aantoonbaar geld hebben ontvangen, dat voor hen vrij besteedbaar was, daarbij inbegrepen geld dat gebruikt is voor de aflossing van eerdere, reguliere schulden of leningen. In alle gevallen waarin betaling ontvangen is waarvan het waarschijnlijk is dat die uitsluitend besteed is aan al dan niet geslaagde pogingen het land te verlaten of onder te duiken, is er geen reden tot terugbetaling. Ook indien verkoopopbrengsten de rechthebbenden nooit rechtstreeks hebben bereikt (storting op onbereikbare rekening) moet worden afgezien van terugbetalingen.

Een dergelijke versoepeling valt geheel binnen het beleidskader dat na de oorlog werd opgesteld, aangezien artikel 27 lid 5 van het Koninklijk Besluit E 100 (Besluit Herstel Rechtsverkeer) nadrukkelijk bepaalt dat de Raad voor het rechtsherstel "kan bepalen dat de tegenprestatie geheel of gedeeltelijk aan de Staat (...) moet worden overgedragen", dit in tegenstelling tot een eerdere redactie van dit artikel, waarin sprake was van een verplichting tot terugvorderen van de tegenprestatie.

Bij een dergelijke beleidslijn resteert slechts terugbetaling van gelden die bij de verkoop onder dwang werkelijk ten goede zijn gekomen aan vermogen van de verkoper en van gelden die na de oorlog door rechthebbenden ontvangen zijn als uitbetaling van op geblokkeerde rekeningen, voor zover althans daarover enige duidelijkheid bestaat. Bij de beantwoording van de vraag of er reden bestaat om terugbetaling te vragen dienen de rechthebbenden waar nodig steeds het voordeel van de twijfel te krijgen: indien er voldoende reden is om te betwijfelen of men indertijd feitelijk geld aan een verkoop heeft overgehouden, moet er geen verplichting tot terugbetaling worden gesteld.

Indien de conclusie van het onderzoek is, dat gehele of gedeeltelijke terugbetaling van verkoopgelden gerechtvaardigd is, dient deze terugbetaling te worden geïndexeerd conform het algemene prijsindexcijfer. Een dergelijke indexering is noodzakelijk ter wille van de rechtsgelijkheid ten opzichte van diegenen die in de jaren na de oorlog wel hebben teruggekocht en voorkomt bovendien dat diegenen, die indertijd zeer bewust gekozen hebben voor geld in plaats van teruggave van kunstwerken, nu een extra voordeel zouden genieten. De commissie is er zich van bewust dat de veranderingen in de marktwaarde van de betrokken individuele kunstwerken aan sommige rechthebbenden voor- dan wel nadelen kunnen  opleveren, maar ziet geen mogelijkheid ook deze van object tot object verschillende factor in een algemeen beleid te verdisconteren.

Alsnog te betalen gelden dienen te worden aangewend voor een nog nader te omschrijven specifiek doel. Het komt de commissie voor dat deze gelden niet aan de algemene middelen moeten worden toegevoegd om elke schijn dat de staat zou profiteren van oorlogsleed dient te worden vermeden.

Evenals de comissie-Kordes staat de commissie-Ekkart uitermate kritisch tegenover de doorberekening van apparaatskosten aan belanghebbenden, zoals in de jaren 1945-1952 door de SNK werd gehanteerd omdat door de Nederlandse overheid van de stichting werd verwacht dat ze in haar eigen kosten voorzag. Bij elke teruggave, of die nu wel of niet gepaard gaat met een terugbetaling van verkoopgelden, dient te worden afgezien van het in rekening brengen van dergelijke kosten.

Aanbevelingen:

De commissie adviseert om terugbetaling van verkoopopbrengsten alleen in het geding te brengen indien en voor zover de toenmalige verkoper of zijn erven daadwerkelijk die opbrengsten ter vrije beschikking hebben gekregen.

De commissie adviseert om bij de toepassing van deze regeling bij twijfel of men de opbrengsten daadwerkelijk heeft genoten, aan de rechthebbenden het voordeel van de twijfel te gunnen.

De commissie adviseert om, indien bij een teruggave gehele of gedeeltelijke teruggave van verkoopopbrengsten noodzakelijk is, het bedrag te indexeren volgens het algemene prijsindexcijfer.

De commissie adviseert om bij teruggaven af te zien van de doorberekening van de beheerskosten, die indertijd door de SNK waren vastgesteld.