Het is duidelijk dat sluitend bewijs voor eigendom en voor de juistheid van de door voormalige eigenaars aangegeven gang van zaken bij het bezitsverlies vaak moeilijk te leveren is, mede doordat in vele gevallen bewijsstukken dienaangaande door de oorlogsomstandigheden verloren zijn gegaan. Het is noodzakelijk dat bij beoordeling van de bewijslast het voordeel van de twijfel aan de kant van de particulier dient te liggen en niet aan die van de Staat. Wanneer de waarschijnlijkheid wordt aangetoond en er geen aanwijzingen zijn die op het tegendeel duiden, dient men niet met een botte afwijzing van een claim te komen. Voor dit soort gevallen kan men aansluiting vinden bij het vonnis van de Raad voor het Rechtsherstel in de zaak Rebholtz van 23-11-1953, waarin de volgende overweging is opgenomen: "Overwegende dienaangaande: vooreerst dat de Raad door verzoekers voldoende aannemelijk gemaakt acht, dat het onderhavige schilderij aan Mevrouw Rebholtz in eigendom toebehoorde, zijnde uit de door de Staat na de mondelinge behandeling overlegde producties niet voldoende aanwijzingen voor het tegendeel af te leiden; voorts ....".

Bij een versoepeling van het begrip "bewijs" blijft echter één door de SNK terecht gehanteerd uitgangspunt steeds van kracht, namelijk dat "geen onderling strijdige aanspraken mogen zijn ingediend en er mag geen reden zijn om aan te nemen, dat dergelijke aanspraken alsnog zullen worden geldend gemaakt" (concept-Richtlijnen SNK, artikel 11, b). Dit uitgangspunt leidt tot de ook door de SNK gehanteerde voorwaarde dat bij een teruggave zorgvuldig moet worden bekeken, of er sprake is van voldoende duidelijkheid dat een claim inderdaad betrekking heeft op het aangegeven kunstwerk. Op grond van het huidige onderzoek kan daaraan worden toegevoegd, dat, wellicht meer dan de SNK heeft gedaan, ook moet worden bezien of er bij het betreffende kunstwerk wellicht sprake is van een tweede onvrijwillige bezitsovergang gedurende de oorlogstijd. Gevallen van strijdige aanspraken zouden moeten worden onderworpen aan een rechterlijke uitspraak dan wel arbitrage.

Aanbeveling:

De commissie adviseert dat tot teruggave kan worden overgegaan indien het eigendomsrecht in hoge mate aannemelijk is gemaakt en er geen aanwijzingen zijn die dat tegenspreken.