Kunsthandel J. Stodel

NK 1596 (foto: RCE)

Advies inzake het verzoek tot teruggave van elf NK-werken, te weten NK 179, NK 2736, NK 1594, NK 1596, NK 2822, NK 2, NK 2240, NK 1790, NK 1863, NK 1347 en NK 554

Dossiernummer: 
1.10
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
18 april 2005
Periode bezitsverlies: 
1940-1945
Oorspronkelijke eigenaar: 
Kunsthandel
Plaats bezitsverlies: 
In Nederland

Bij brief van 11 februari 2004 heeft de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de Restitutiecommissie om advies verzocht over de te nemen beslissing op het verzoek van 19 september 2002 van S.S. Antiquités voor deze ingediend door mevrouw S.L.-S. (hierna: verzoekster), tot teruggave van verschillende NK-werken.

De feiten

De staatssecretaris heeft de adviesaanvraag op het restitutieverzoek van 19 september 2002 aangehouden in afwachting van de aanbevelingen van de Commissie Ekkart voor het restitutiebeleid ten aanzien van de kunsthandel. Bij brief van 5 december 2003 heeft de staatssecretaris de Tweede Kamer laten weten de aanbevelingen over te nemen en de restitutieverzoeken van kunsthandelaren aan de Restitutiecommissie voor te zullen leggen. Daarop heeft de staatssecretaris de adviesaanvraag op 11 februari 2004 aan de Commissie voorgelegd. Op 15 juni 2004 heeft verzoekster laten weten af te zien van aanspraken op enkele NK-nummers die tot het restitutieverzoek behoorden, te weten NK 2784, NK 1988 en NK 1762. Tevens werd van de aanspraak op NK 671 afgezien, omdat dit voorwerp zich niet meer in de rijkscollectie bevindt. Vanaf januari 2004 laat verzoekster zich bijstaan door mr. R.W. Polak, advocaat te Den Haag. Naar aanleiding van de adviesaanvraag heeft de Restitutiecommissie Bureau Herkomst Gezocht verzocht een onderzoek naar de feiten in te stellen, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een voorlopig onderzoeksrapport van maart 2004. De inhoud van dit rapport is, zonder dat dit nog door de Commissie was beoordeeld, op 22 april 2004 voorgelegd aan verzoekster, waarop zij bij monde van mr. R.W. Polak op 15 juni 2004 inhoudelijk heeft gereageerd. Op 13 september 2004 heeft een hoorzitting plaatsgevonden, waarbij verzoekster, haar broer J.S. en mr. R.W. Polak aanwezig waren. Van deze hoorzitting is een verslag opgemaakt, waarop bij brief van 23 november 2004 door mr. R.W. Polak namens verzoekster is gereageerd. Het onderzoeksrapport is in januari 2005 door de Commissie herzien en vastgesteld, waarna het nogmaals naar verzoekster is gezonden. Verzoekster heeft hierop via haar advocaat gereageerd en deze reactie is, voor zover deze betrekking had op de tekst van het rapport, daarin verwerkt. Van alle voormelde stukken en bescheiden wordt de inhoud geacht in dit advies te zijn opgenomen en daarvan deel uit te maken.

Algemene overwegingen (ten aanzien van particulieren en kunsthandelaren)

a) De Restitutiecommissie laat zich bij haar advisering leiden door de beleidslijnen terzake van de Commissie Ekkart en de regering.

b) De Restitutiecommissie heeft zich de vraag gesteld of een uit te brengen advies invloed mag ondervinden van mogelijke consequenties voor de beslissing in latere zaken. De Commissie beantwoordt die vraag, behoudens bijzondere omstandigheden, ontkennend, omdat een dergelijke invloed bezwaarlijk kan worden tegengeworpen aan de betrokken verzoeker.

c) De Restitutiecommissie heeft zich voorts afgevraagd op welke wijze moet worden omgegaan met het gegeven dat bepaalde feiten niet meer te achterhalen zijn, dat bepaalde gegevens verloren zijn gegaan of niet zijn teruggevonden, of anderszins bewijzen niet meer zijn bij te brengen. De Commissie is daaromtrent van mening dat, indien het tijdsverloop (mede) oorzaak is van de ontstane problemen, het risico daarvoor, behoudens bijzondere omstandigheden, behoort te liggen bij de overheid.

d) De Restitutiecommissie is van mening dat inzichten en omstandigheden die naar algemene maatschappelijke opvattingen sinds de Tweede Wereldoorlog klaarblijkelijk zijn veranderd, gelijk mogen worden gesteld aan nova (nieuwe feiten).

Algemene overweging (uitsluitend ten aanzien van kunsthandelaren)

e) Onder onvrijwillige verkopen worden ook verstaan verkopen zonder instemming van de kunsthandelaar door Verwalters of andere niet door de eigenaar aangestelde beheerders uit de onder hun beheer gestelde oude handelsvoorraad, voor zover de oorspronkelijke eigenaars of hun erven niet het volledige profijt van de transactie hebben genoten en voor zover de eigenaar niet na de oorlog uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van rechten.

Bijzondere overwegingen

  1. Verzoekster en haar broer J.S. zijn de kinderen van de joodse kunsthandelaar S.S., die bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog samen met zijn broer B.S. firmant was van kunsthandel J.S. VOF. De joodse kunsthandel J.S. was sinds 1936 gevestigd aan het Rokin 70 te Amsterdam. De wederwaardigheden van deze kunsthandel zijn beschreven in het onderzoeksrapport van 7 maart 2005, waarnaar wordt verwezen. Hier moge worden volstaan met het navolgende: Op 12 maart 1941 werd de verordening ‘Verwijdering van joden uit het bedrijfsleven’ van kracht. Tot oktober 1941 echter, werd kunsthandel J.S. door de Duitse bezetter ongemoeid gelaten. De firmanten konden hun handel ongehinderd voortzetten en waren vrij om te reizen. In oktober 1941 kwam hieraan een einde toen de bezetter kunsthandel J.S. sloot en verzegelde. Enkele weken nadien benaderde B.S. op advies van een collega-kunsthandelaar zelf een Verwalter voor zijn firma. “Zeker was dat er toch een Verwalter zou komen. Ik zou er goed aan doen om te proberen een relatief goede Verwalter te krijgen”, aldus B.S. in een naoorlogse verklaring. Hij benaderde de Nederlander Johan Peter Joseph Kalb. In een in het SNK-archief aangetroffen rapport van 5 december 1944 over de firma werd Kalb beschreven als een man “die terstond na de capitulatie van Nederland in Mei 1940 overliep naar de Duitschers en voor hen werkte”. In de periode van mei 1940 tot mei 1941 was Kalb als tolk werkzaam geweest voor de Sicherheitsdienst in Amsterdam. Eind 1941 was hij gedurende drie maanden werkzaam bij de roofbank Lippman Rosenthal & Co. aan de Sarphatistraat te Amsterdam. Kalb nam op 27 november of 1 december 1941 het beheer van kunsthandel S. over. De firmanten verloren alle zeggenschap, maar werden geacht te blijven inkopen en verkopen voor de Verwalter en ontvingen daarvoor ieder een salaris van fl. 125,= per week. Op 5 augustus 1942 kocht Kalb de firma S. De koop betrof “de door S. te Amsterdam aan het Rokin 70 gedreven antiquiteitenhandel, zoals deze reilde en zeilde, met inbegrip van het perceel (…), alles per den toestand op 1 december 1941 voor f. 46.765,=.”. Onder de verkoop waren begrepen alle kunstvoorwerpen, antiquiteiten, meubels en schilderijen die zich in het pand bevonden. De prijs voor de aanwezige inventaris werd gebaseerd op het door medewerkers van de firma S. in opdracht van Kalb opgestelde inventarisboek. Het is onduidelijk of dit inventarisboek de complete inventaris van kunsthandel J.S. betreft. De medewerkers kregen opdracht de waarde van de stukken te stellen op eenderde van de inkoopprijs. Vergelijking van het inventarisboek en de inventarislijst bij de akte van overdracht wijst uit dat het verkoopbedrag ook nog eens veel lager was dan de som van de bedragen die in het inventarisboek waren opgenomen. De koopsom werd door Kalb betaald met een geldlening die is naderhand afgelost met gebruikmaking van inkomsten uit de kunsthandel. Kalb stortte de koopsom bij Handelmaatschappij H. Albert de Bary & Co te Amsterdam ten gunste van S. en B.S. De gebroeders S. hebben echter nooit over het geld kunnen beschikken. Uit de combinatie van deze feiten en uit de verschillende in het onderzoeksrapport aangehaalde getuigenverklaringen kan worden opgemaakt dat de verkoop aan Kalb niet vrijwillig geschiedde.

  2. B. en S.S. overleefden de oorlog. Na de oorlog bleek het pand van de firma S. aan het Rokin vrijwel geheel leeg te zijn. B.S. vond op verschillende adressen nog enige voorwerpen terug, die door de gebroeders S. in 1942 aan Kalb waren verkocht. Op 5 augustus 1946 diende kunsthandel J.S. een verzoekschrift in bij de Afdeling Rechtspraak van de Raad voor het Rechtsherstel te Amsterdam, waarin de vordering op Kalb werd berekend op fl. 187.846,11. Op 10 juni 1947 verklaarde de Raad op grond van het Besluit herstel rechtsverkeer, KB E 100 “nietig de koop en verkoop van door verzoekster gedreven antiquiteitenhandel aan het Rokin 70 te Amsterdam, alsmede [van, RC] de daarin nog aanwezige goederen”. De Raad is daarbij niet ingegaan op de gevraagde schadevergoeding. Kalb werd op 18 juni 1947 door het Tribunaal Amsterdam, 13de kamer veroordeeld tot een internering van twee jaar en vier maanden wegens hulp aan de vijand en omdat hij “getracht heeft voordeel te trekken uit de door de vijand genomen maatregelen door in december 1941 ‘Verwalter’ te worden van de joodse firma J.S.”. Hieraan deed volgens het tribunaal niet af dat S. zelf Kalb had benaderd om Verwalter te worden. In het NBI-archief is een uitgebreid ‘proces verbaal van zwarigheden’ gedateerd 19 maart 1951 aangetroffen, waarin alle geschillen tussen S. en Kalb zijn beschreven. Weliswaar is hierin aangegeven dat men het stuk met instemming van beide partijen zou voorleggen aan de Raad voor het Rechtsherstel, maar uit het archief van de Raad blijkt niet dat deze zaak ook daadwerkelijk is voorgelegd. In de beschikbare bronnen is geen informatie over een afwikkeling gevonden. De Restitutiecommissie neemt aan dat S. nooit enige schadevergoeding van Kalb of van iemand anders heeft ontvangen. S. heeft alleen het pand teruggekregen en enkele schilderijen teruggevonden. Op grond van hetgeen hierboven is weergegeven, stelt de Restitutiecommissie vast dat het hier niet om een afgehandelde zaak gaat, zodat verzoekster in haar verzoeken ontvankelijk is.

  3. In de NK-collectie bevinden zich momenteel enkele tientallen NK-nummers, waaraan de herkomstnaam S. is gekoppeld. Van elf van deze voorwerpen wordt thans door verzoekster de restitutie verzocht. Hierna volgt een behandeling van elk van deze voorwerpen.

    NK 179: Delfts kaststel
    Blijkens een tentoonstellingscatalogus maakte het Delftse kaststel in 1936 deel uit van de handelsvoorraad van kunsthandel J.S. In het S.-inventarisboek, dat in opdracht van Kalb tussen 1 december 1941 en 5 augustus 1942 was opgesteld, is onder nummer 108 “1 Bl. Delftsch geribd stel” vermeld. De Restitutiecommissie neemt aan dat deze omschrijving NK 179 betreft, mede op grond van het feit dat J.S. – de broer van verzoekster – na bezichtiging van NK 179 onlangs heeft geconstateerd dat het object hetzelfde kaststel is als het kaststel afgebeeld op een nog in zijn bezit zijnde foto. In het S.-inventarisboek is genoteerd dat dit kaststel op 19 september 1941 werd verkocht aan “een particulier”. Er zijn geen nadere gegevens gevonden over de verkoop. Uit documenten in het SNK-archief blijkt dat NK 179 in 1943 via kunsthandel A. Staal werd verkocht aan de Kunstsammlungen der Stadt Düsseldorf. Na de oorlog is het kaststel naar Nederland gerecupereerd. Op het moment van verkoop van NK 179 stond kunsthandel J.S. nog niet onder beheer van Verwalter Kalb. B. en S.S. hadden ten tijde van de verkoop vrijheid van handelen en bewegen. Gezien deze feiten en mede in het licht van de door de Commissie Ekkart in de tekst bij de kunsthandelaanbevelingen genoemde overweging dat “de kunsthandel verkoop van handelsvoorraad als doelstelling heeft, zodat een belangrijk deel van de verrichte transacties, ook bij de joodse kunsthandelaars, in principe gewone verkoop was”, neemt de Restitutiecommissie aan dat de verkoop van het Delftse kaststel een vrijwillige handelstransactie betrof door de gebroeders S. in de hoedanigheid van kunsthandelaren tot stand gebracht. Deze aanname wordt versterkt door het feit dat geen aangifteformulier of correspondentie betreffende NK 179 op naam van S. in het SNK-archief is aangetroffen. De Restitutiecommissie zal derhalve adviseren tot afwijzing van het verzoek.

    NK 2736: N. Molenaer, Schaatsers bij een dorp
    Kunsthandel J.S. verkocht dit schilderij op 25 oktober 1940 aan kunsthandel Voorheen J. Goudstikker N.V. Deze kunsthandel was op 14 september 1940 opgericht door de Duitse zakenman Alois Miedl, die daarbij gebruik maakte van de handelsnaam van de joodse kunsthandel J. Goudstikker N.V. Onder directeurschap van Miedl verhandelde kunsthandel Voorheen J. Goudstikker N.V. tijdens de oorlogsjaren voor miljoenen guldens kunst aan de kunstinkopers van nazi-Duitsland. Op het moment van verkoop van NK 2736 door firma J.S. stond het de gebroeders S. vrij om zelfstandig handel te drijven. Het is onbekend of van enige onvrijwilligheid met betrekking tot de verkoop sprake was. Gezien de twijfelachtige reputatie van de Duitser Miedl kan niet worden uitgesloten dat de verkoop onvrijwillig heeft plaatsgevonden. Miedl heeft weliswaar in de Tweede Wereldoorlog joodse families geholpen en hij was zelf met een joodse vrouw getrouwd, maar hij had ook duidelijk nazi-sympathieën. Hij profiteerde van de oorlog door grote winsten te behalen uit handel met de Duitsers, waarbij hij zich in het bijzonder beijverde voor de kunstverzamelingen van de met hem bevriende Göring en van Hitler. Kunsthandel Voorheen J. Goudstikker N.V. verkocht het schilderij na aankoop met enkele duizenden guldens winst op 11 december 1940 aan Heinrich Hoffmann, één van de kunstadviseurs van Adolf Hitler. Via Hoffmann geraakte het schilderij op 16 december 1940 in handen van de Reichskanzlei te Berlijn, waar het op dezelfde dag in de collectie voor het zogenaamde Führermuseum te Linz terecht kwam. De vraag betreffende de onvrijwilligheid of vrijwilligheid van het bezitsverlies van kunsthandel S. blijft onbeantwoord. Het risico voor deze onzekerheid hoort krachtens de ‘Algemene Overwegingen’ onder c voor het risico van de overheid te worden gebracht. De Restitutiecommissie zal derhalve adviseren tot toewijzing van het verzoek.

    NK 1594: W. Verschuur I, Interieur van een stal met paarden en een ezel en
    NK 1596: L. Meléndez de Ribera, Stilleven met fruitmand en asperges
    Kunsthandel J.S. verkocht deze schilderijen op 17 juli 1940 aan de in Nederland woonachtige Duitse zakenman Alois Miedl. Ten tijde van de verkoop van deze schilderijen konden de gebroeders S. nog in vrijheid handelen en reizen. Gezien de twijfelachtige reputatie van de Duitser Miedl kan niet worden uitgesloten dat de verkoop onvrijwillig heeft plaatsgevonden. Miedl heeft weliswaar in de Tweede Wereldoorlog joodse families geholpen en hij was zelf met een joodse vrouw getrouwd, maar hij had ook duidelijk nazi-sympathieën. Hij profiteerde van de oorlog door grote winsten te behalen uit handel met de Duitsers, waarbij hij zich in het bijzonder beijverde voor de kunstverzamelingen van de met hem bevriende Göring en van Hitler. Bekend is dat hij reeds in een vroeg stadium van de bezetting druk uitoefende op joodse kunstbezitters om hen te bewegen tot verkoop – via Miedl – aan Göring. Eén week na aankoop verkocht Miedl de schilderijen aan Heinrich Hoffmann, een van de naaste medewerkers van Adolf Hitler. Hoffmann verkocht de doeken op 29 augustus 1940 aan de Reichskanzlei te Berlijn, waarna deze op dezelfde datum in de privé-collectie van Adolf Hitler geraakten. De vraag betreffende de onvrijwilligheid of vrijwilligheid van het bezitsverlies van kunsthandel S. blijft onbeantwoord. Het risico voor deze onzekerheid hoort krachtens de ‘Algemene Overwegingen’ onder c voor het risico van de overheid te worden gebracht. De Restitutiecommissie zal derhalve adviseren tot toewijzing van het verzoek.

    NK 2822: P. van Hillegaert I (voormalige toeschrijving R. van den Hoecke), Belegering van een stad
    Onderzoek verricht in het archief van Kunsthandel P. de Boer in Amsterdam heeft uitgewezen dat dit schilderij op 1 september 1940 door kunsthandel J.S. is verkocht aan de Nederlandse Kunsthandel P. de Boer te Amsterdam. Het is bekend dat Kunsthandel P. de Boer joodse collega-kunsthandelaren regelmatig te hulp kwam. De verkoop vond plaats onder het beheer van B. en S.S., die op dat moment nog niet gehinderd werden in hun handels- en bewegingsvrijheid. In de archieven van het SNK is op naam van kunsthandel J.S. geen naoorlogs aangifteformulier, noch enige correspondentie betreffende dit schilderij aangetroffen. Op grond van deze gegevens en onder verwijzing naar de in de tekst bij de kunsthandelaanbevelingen genoemde overweging van de Commissie Ekkart dat “de kunsthandel verkoop van handelsvoorraad als doelstelling heeft, zodat een belangrijk deel van de verrichte transacties, ook bij de joodse kunsthandelaars, in principe gewone verkoop was”, concludeert de Restitutiecommissie dat de verkoop van NK 2822 een vrijwillige handelstransactie betrof door de gebroeders S. in de hoedanigheid van kunsthandelaren tot stand gebracht. De Restitutiecommissie zal derhalve adviseren tot afwijzing van het verzoek.

    NK 2: Lodewijk XV-commode
    Op een foto uit het archief van kunsthandel J.S. is een Lodewijk XV-commode afgebeeld in het interieur van de kunsthandel in 1936. Het object behoort derhalve tot de oude handelsvoorraad van kunsthandel J.S. Blijkens een formulier uit het SNK-archief heeft S.S. op een naoorlogse ‘claimtentoonstelling’ in 1949 NK 2 herkend als voormalig bezit: “Vermoedelijk verduisterd, tijdens het beheer van de zaak door J. Kalb. Kan echter ook verkocht zijn door deze of door firma zelf voor 1941”. In de beschikbare bronnen is geen verdere informatie gevonden op basis waarvan kan worden vastgesteld wanneer, door wie – S. of Kalb – en onder welke omstandigheden de commode is verkocht. Op een in het SNK-archief aangetroffen intern aangifteformulier van 22 januari 1947 is door de SNK aangegeven dat de commode uiteindelijk door vrijwillige verkoop van een onbekende eigenaar via C.E. Pongs in de collectie van het Düsseldorf Museum is geraakt. Meer gegevens over de herkomst van NK 2 zijn niet in de beschikbare bronnen aangetroffen. Tussen firma J.S. en de SNK is na de oorlog over de commode gecorrespondeerd, maar de briefwisseling liep dood vanwege het uitblijven van een reactie van S. op de vraag van de SNK of er door kunsthandel S. een claim uitgebracht zou worden op de commode. Het niet - meer - beschikbaar zijn van nadere gegevens behoort, gelet op de ‘Algemene Overwegingen’ onder c voor het risico van de overheid te worden gebracht. De Restitutiecommissie zal mitsdien adviseren tot toewijzing van het verzoek.

    NK 2240: E.J. Verboeckhoven, Weide met koeien, schapen en eenden
    Volgens het voormelde inventarisboek is dit schilderij op 27 januari 1942 door kunsthandel S. ingekocht én verkocht. Nadere informatie over de verkoop is aangetroffen op een in 1947 door de SNK opgesteld intern aangifteformulier. Dit document vermeldt dat het schilderij door kunsthandel S. via de Duitse kunsthandel Paffrath vrijwillig verkocht werd aan “Höll”. De kwalificatie ‘vrijwillig’ is, naar de Restitutiecommissie aanneemt, niet van de gebroeders S. afkomstig. Ten tijde van de verkoop door kunsthandel S. was Kalb aangesteld als Verwalter van de kunsthandel, terwijl B. en S.S. er als ‘adviseurs’ werkzaam waren. Over hun eventuele betrokkenheid en instemming bij deze verkoop is niets bekend. Het risico voor het ontbreken van nader bewijs behoort gezien het in de ‘Algemene Overwegingen’ onder c gestelde bij de overheid te liggen. Aannemelijk is, dat het schilderij is ingekocht met het doel het onverwijld aan de Duitse kunsthandel te verkopen. De Restitutiecommissie concludeert dat bij de verkoop van het schilderij van Verboeckhoven gebruik is gemaakt van de goodwill, de infrastructuur en het geld van firma J.S. Voor deze handelwijze is Kalb in 1947 door het Tribunaal veroordeeld. Op grond van bovenstaande gegevens en vanwege het feit dat de gebroeders S. nooit de koopsom voor hun kunsthandel hebben ontvangen en na de oorlog geen enkele financiële vergoeding voor de door hen geleden verliezen hebben verkregen, acht de Restitutiecommissie het verzoek tot teruggave toewijsbaar. De Restitutiecommissie zal derhalve adviseren tot toewijzing van het verzoek.

    NK 1790: P. Gijsels, Kerkinterieur met markttafereel en NK 1863: P. Gijsels, Markttafereel
    Kalb kocht deze twee schilderijen op 14 maart 1943 als eigenaar van kunsthandel J.S. Op dezelfde dag verkocht hij de schilderijen door aan kunsthandel Voorheen J. Goudstikker N.V. Ten tijde van de verkoop verbleven de gebroeders S. op een onderduikadres. De Restitutiecommissie neemt aan dat de in- en verkoop geheel onder Kalbs verantwoordelijkheid heeft plaatsgevonden. Hij handelde daarbij met de goodwill, de infrastructuur en het geld van de door gebroeders S. opgebouwde firma. Voor deze handelingen is Kalb in 1947 door het Tribunaal te Amsterdam veroordeeld. Op grond van bovenstaande gegevens en vanwege het feit dat de gebroeders S. nooit de koopsom voor hun kunsthandel hebben ontvangen en na de oorlog geen enkele financiële vergoeding voor de door hen geleden verliezen hebben verkregen, acht de Restitutiecommissie het verzoek tot teruggave toewijsbaar. De Restitutiecommissie zal derhalve adviseren tot toewijzing van het verzoek.

    NK 1347: B.H. Thier, Landschap met boerderij en koeien
    In het voormelde inventarisboek komt geen omschrijving voor die deze aquarel zou kunnen betreffen. Dit wijst erop dat het werk in bezit is gekomen van kunsthandel S. nadat Kalb in de zaak was gekomen. Het is echter onbekend of Kalb het schilderij heeft verworven in de hoedanigheid van Verwalter of als eigenaar van de kunsthandel. Daarmee blijft onduidelijk of dit schilderij deel uitmaakte van de oude of de nieuwe handelsvoorraad. Het risico voor deze onzekerheid behoort krachtens de ‘Algemene Overwegingen’ onder c bij de overheid te liggen. Op 27 april 1944 verkocht Kalb, die op dat moment eigenaar was van kunsthandel J.S., het schilderij van Thier aan kunsthandel Bierich & Co. te Hamburg. B. en S.S. waren op dat moment ondergedoken. De Restitutiecommissie neemt aan dat de verkoop geheel onder verantwoordelijkheid van Kalb heeft plaatsgevonden. Kalb maakte daarbij gebruik van de goodwill, de infrastructuur en het kapitaal van kunsthandel S. Voor deze handelwijze is Kalb na de oorlog door het Tribunaal te Amsterdam veroordeeld. Op grond van bovenstaande gegevens en vanwege het feit dat de gebroeders S. nooit de koopsom voor hun kunsthandel hebben ontvangen en na de oorlog op geen enkele wijze financiële compensatie voor de door hen geleden verliezen hebben verkregen, acht de Restitutiecommissie het verzoek tot teruggave toewijsbaar. De Restitutiecommissie zal derhalve adviseren tot toewijzing van het verzoek.

    NK 554: Nederlandse kabinetkast
    Het kabinet kan niet worden gekoppeld aan een beschrijving in het voormelde inventaris-boek. Dit wijst erop dat het object in bezit is gekomen van kunsthandel S. nadat Kalb in de zaak was gekomen. Het is echter onbekend of Kalb het kabinet heeft verworven in de hoedanigheid van Verwalter of als eigenaar van de kunsthandel. Daarmee blijft onduidelijk of dit kabinet deel uitmaakte van de oude of de nieuwe handelsvoorraad. Ook over de verkoopdatum is via het aanwezige archiefmateriaal geen zekerheid te verkrijgen. Bekend is slechts dat NK 544 “während des Krieges” door kunsthandel J.S. verkocht is aan de Münchener Kunsthandelsgesellschaft. Het blijft daarmee onzeker of het kabinet is verkocht tijdens het beheer van Kalb als Verwalter c.q. door eigenaar Kalb na 1 december 1941. Het risico voor deze onzekerheid behoort krachtens de ‘Algemene Overwegingen’ onder c bij de overheid te liggen. Blijkens een aangifteformulier uit het SNK-archief is op 10 december 1945 door firma J.S. aangifte gedaan van vermissing van een “kabinet” van “notenhout”. Firma J.S. geeft daarbij aan dat het object door vrijwillige verkoop in bezit is gekomen van de ‘Münchener Kunsthandel, Ger. München’. Op het formulier is – hoogstwaarschijnlijk door medewerkers van de SNK – met potlood het volgende geschreven: “NK 554? Is dit de betreff. Kast?” De Restitutiecommissie neemt aan dat deze vraag bevestigend beantwoord kan worden. Met het oog op de door firma S. gegeven kwalificatie van ‘vrijwillig’ met betrekking tot de verkoop verwijst de Restitutiecommissie naar kunsthandelaanbeveling 5 van de Commissie Ekkart. Daarin adviseert de Commissie Ekkart “om in alle gevallen waarin de kunsthandelaar zelf, zijn erven of zijn door hem of zijn erven benoemde directe vertegenwoordiger na de oorlog bij een aangifte “vrijwillige verkoop” heeft ingevuld, deze kwalificatie als bindend te beschouwen, tenzij zeer duidelijke aanwijzingen worden overlegd die het waarschijnlijk maken dat bij de invulling een fout is gemaakt of dat de invulling onder onevenredig bezwarende omstandigheden heeft plaats gevonden”. De Restitutiecommissie heeft geen aanwijzingen gevonden die het waarschijnlijk maken dat bij de invulling van het aangifteformulier een fout is gemaakt of dat de invulling onder onevenredig bezwarende omstandigheden heeft plaatsgevonden, zodat zij de kwalificatie ‘vrijwillig’ als bindend beschouwt. De Restitutiecommissie zal derhalve adviseren tot afwijzing van het verzoek.

  4. Gezien de omstandigheid dat de gebroeders S. nooit de koopsom voor hun kunsthandel hebben ontvangen en na de oorlog op geen enkele wijze financiële compensatie voor de door hen geleden verliezen hebben verkregen en aangezien het de Restitutiecommissie niet bekend is dat de gebroeders S. enige verkoopopbrengst ter vrije beschikking hebben gekregen, neemt de Commissie overeenkomstig aanbeveling 4 van de Commissie Ekkart terugbetaling van de verkoopopbrengsten niet in overweging.

Conclusie

De Restitutiecommissie adviseert de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om de objecten NK 2736, NK 1594, NK 1596, NK 2, NK 2240, NK 1790, NK 1863 en NK 1347 terug te geven aan de erven van S.S.

De Restitutiecommissie adviseert de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het verzoek tot teruggave van NK 179, NK 2822 en NK 554 af te wijzen.

Aldus vastgesteld op 18 april 2005,

B.J. Asscher (voorzitter)
J.Th.M. Bank
J.C.M. Leijten
P.J.N. van Os
E.J. van Straaten
H.M. Verrijn Stuart
I.C. van der Vlies

Samenvatting: