Van Aldenburg Bentinck

NK2550 (Foto: Mauritshuis, Den Haag)

Advies inzake Van Aldenburg Bentinck

Dossiernummer: 
1.102
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
6 september 2010
Periode bezitsverlies: 
1940-1945
Oorspronkelijke eigenaar: 
Particulier
Plaats bezitsverlies: 
In Nederland

Bij brief van 29 oktober 2008 verzocht de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) de Restitutiecommissie (hierna: de commissie) om advies inzake het verzoek van I.A.O.-V.A.B., te D.S. (hierna: verzoekster) van 1 november 2007 tot teruggave van het schilderij Paar in interieur van Pieter Codde. Verzoekster stelt dat het onderhavige schilderij een familiestuk was dat haar vader tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft afgestaan aan een joodse zakenrelatie in een poging deze te vrijwaren van deportatie door de bezetter. Dit schilderij is na de Tweede Wereldoorlog gerecupereerd naar Nederland en maakt thans deel uit van de Nederlandse Rijkscollectie onder inventarisnummer NK 2550. Het geclaimde werk bevindt zich in het Mauritshuis te Den Haag.

DE PROCEDURE

Naar aanleiding van de adviesaanvraag van de minister heeft de commissie een onderzoek naar de feiten uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een conceptonderzoeksrapport van 9 november 2009. Het conceptonderzoeksrapport is bij brief van 16 november 2009 voor commentaar toegezonden aan verzoekster en bij brief van diezelfde datum voor feitelijke aanvulling toegestuurd aan de minister. Verzoekster heeft op 4 december 2009 commentaar gegeven op het conceptonderzoeksrapport en de minister heeft op 14 december 2009 laten weten geen aanvullende feiten onder de aandacht van de commissie te willen brengen. Vervolgens heeft de commissie nader archiefonderzoek verricht in Nederlandse en Duitse archieven. Voorts heeft een afvaardiging van de commissie op 3 maart 2010 een gesprek gevoerd met de heer H.N. te L. Van dit gesprek is een verslag opgemaakt, dat op 2 april 2010 aan verzoekster is toegezonden en waarop zij bij brief van 20 april 2010 heeft gereageerd. Naar aanleiding van de aldus verkregen nadere gegevens heeft de commissie het conceptonderzoeksrapport aangepast en op 19 mei 2010 ter kennisneming aan verzoekster toegezonden. Verzoekster heeft bij brief van 26 mei 2010 laten weten dat zij niets aan dit conceptrapport heeft toe te voegen. Op 25 augustus 2010 heeft de heer N.W.C., rentmeester van kasteel M., de commissie namens verzoekster een foto en nadere informatie over de vader van verzoekster toegezonden.
Het onderzoeksrapport is op 6 september 2010 vastgesteld. Voor de feiten in deze zaak verwijst de commissie naar het onderzoeksrapport.
Het schilderij (NK 2550) waarop dit advies betrekking heeft, maakt tevens deel uit van een ander restitutieverzoek, inzake kunsthandel Katz te Dieren, eveneens in behandeling bij de commissie (dossier RC 1.90-B). In het herkomstoverzicht van Bureau Herkomst Gezocht van NK 2550 worden zowel Van Aldenburg Bentinck als firma D. Katz te Dieren genoemd als voormalige bezitters. De commissie weegt dubbele claims indien en voor zover nodig tegen elkaar af. In dit advies blijkt een zodanige afweging, gezien de navolgende overwegingen, niet nodig.

OVERWEGINGEN

  1. Verzoekster vraagt teruggave van het schilderij Paar in interieur van Pieter Codde (NK 2550). Verzoekster is een dochter en erfgenaam van Willem Frederik Charles Henry graaf Van Aldenburg Bentinck, overleden in 1958 (hierna: Bentinck). Bentinck werd op 22 juni 1880 te Londen geboren en in 1923 trad hij in het huwelijk met jonkvrouw Adrienne Vegelin van Claerbergen, uit welk huwelijk twee dochters werden geboren, onder wie verzoekster (geboren 1925). Het gezin woonde op kasteel M. in D.S., nabij Arnhem, maar verbleef ook enkele maanden per jaar op het familielandgoed te Duitsland. Bentinck bezat zowel de Nederlandse als de Duitse nationaliteit. Hierover is namens verzoekster het volgende gesteld: ‘Zijn Duitse nationaliteit was verbonden met de door zijn grootmoeder Waldeck Pyrmont ingebrachte bezitting G. waarmee het ‘Standherrschaft’ verbonden was en daarmee de Duitse nationaliteit die hij als een historisch gegeven beschouwde evenals zijn Nederlands staatsburgerschap, dit alles los van de tijdelijke politieke verwikkelingen.

  2. Verzoekster verklaart dat NK 2550 al ten tijde van haar overgrootouders in bezit van haar familie was. Zij herinnert zich dat het schilderij tijdens of na 1936 in het zogenoemde bouwhuis op het landgoed M. hing en dat haar vader het schilderij tijdens de bezetting heeft afgestaan aan de joodse kunsthandelaar A.N. te L., om te voorkomen dat hij en zijn gezin gedeporteerd zouden worden door de bezetter:

    ‘Mijn ouders voelden zich in de oorlogsjaren zeer betrokken bij de kwetsbare positie waarin de familie A.N. zich bevond. Zij zagen het als hun plicht de grote druk te verlichten die van de zijde van de bezetter op de met hen bevriende heer N. werd gelegd. Deze druk bestond daaruit, dat hij verondersteld werd regelmatig interessante objecten te verwerven ten einde de dreigende deportatie van zijn gezin te voorkomen. Het was een onderwerp waarover bij ons thuis werd gesproken. In dit licht heeft mijn vader in 1944 één van de weinige waardevolle schilderijen uit zijn bezit ter beschikking gesteld, met het enkel doel deportatie te voorkomen. Het betreft het dubbelportret van een echtpaar van Pieter Codde uit 1634. (…) Helaas heeft deze aktie de deportatie van de familie N. niet kunnen voorkomen’.

    Verzoekster verklaart voorts dat haar vader haar niet heeft verteld ‘dat het voorwerp is verkocht noch dat er sprake was van een tegenprestatie’.

  3. Uit kunsthistorische documentatie blijkt dat het geclaimde schilderij van Codde in de vooroorlogse jaren eigendom was van Bentinck. Daarnaast staat vast dat het schilderij in februari of maart 1944 door de Duitser dr. E. Göpel werd aangekocht ten behoeve van de collectie van het op te richten Führermuseum te Linz. Wanneer en onder welke omstandigheden het schilderij uit het bezit van Bentinck is geraakt en wie het schilderij aan Göpel heeft verkocht, is echter onduidelijk gebleven.

    Uit archiefdocumentatie van de Stichting Nederlands Kunstbezit (hierna: SNK) blijkt dat A.N. na de oorlog aangifte heeft gedaan van de verkoop van het thans geclaimde schilderij. Oorspronkelijk was op het formulier ingevuld dat het werk in bezit was van ‘Graaf Bentinck, M.’, maar deze vermelding is, waarschijnlijk door de SNK zelf, doorgehaald en vervangen door de naam van N. Bovendien worden in het bronnenmateriaal niet alleen de namen van Bentinck en N. in verband gebracht met de verkoop van het onderhavige schilderij aan Göpel, maar komen tevens de namen van J.G. Wigman en kunsthandel Katz te Dieren naar voren.

  4. Op een door de recuperatie-autoriteiten opgestelde lijst van na de oorlog naar Nederland teruggevoerde kunst wordt het volgende vermeld bij het schilderij van Codde: ‘früher Graf Bentinck 22.2.1944 von dort über Kunsth. J.G. Wigman, den Haag für hfl. 60.ooo,- (zus.mit Linz 3495) an SL [Sonderauftrag Linz, RC]’. Het in dit citaat genoemde bedrag van NLG 60.000 heeft waarschijnlijk mede betrekking op een ander, niet voor deze zaak relevant, schilderij. Uit een door Wigman ondertekende kwitantie blijkt dat Wigman dit bedrag in ontvangst nam. Of hij hierbij optrad als vertegenwoordiger voor Bentinck dan wel N. is onduidelijk.

    Uit dezelfde door de recuperatie-autoriteiten opgestelde lijst blijkt overigens dat Bentinck een jaar eerder, in januari 1943, twee aquarellen van C. Troost uit familiebezit verkocht aan Göpel. Bij één van deze verkopen zou N. eveneens betrokken zijn geweest.

  5. In het kader van het feitenonderzoek heeft de commissie gesproken met H.N. te L. (geboren 1925), zoon van de hiervoor genoemde kunsthandelaar A.N.

    H.N. herkende het schilderij van Codde op basis van een afbeelding en bevestigde dat het afkomstig was uit de collectie van Bentinck, met wie zijn vader een goede band had. H.N. meende zich te herinneren dat de Codde aanwezig was in de kunsthandel van zijn vader voordat het gezin N. in 1942 vanwege de oorlogsomstandigheden moest verhuizen naar Amsterdam. Andere bijzonderheden met betrekking tot het schilderij waren H.N. niet bekend.

    Ten aanzien van de situatie van het gezin N. in de oorlog verklaarde H.N. dat zijn vader en broer in 1941 zes weken ondergedoken waren bij J.G. Wigman, de huisbewaarder van het Haagse filiaal van kunsthandel D. Katz te Dieren. In 1942 moest het gezin N. zich in Amsterdam vestigen, waarna de familie in de loop van 1943 werd geïnterneerd in kamp Westerbork. H.N. verklaarde dat zijn vader regelmatig uit het kamp werd gestuurd om voor de bezetter gedwongen taxaties te verrichten. In dit kader heeft H.N. de commissie een naoorlogse brief van zijn vader A.N. overgelegd, waarin deze het volgende schreef:

    ‘(…) in 1943 heeft men mij voor de keus gesteld: Voor de Duitsers schilderijen te taxeren en te adviseren in aankopen, of met mijn gehele gezin naar Polen te worden doorgezonden’.

  6. In de archieven van de bezettingsautoriteiten heeft de commissie documenten aangetroffen die bevestigen dat A.N. tijdens de oorlog door de bezetter werd gedwongen medewerking te verlenen bij het verwerven van kunstwerken voor de Sonderauftrag Linz, in het bijzonder uit het bezit van de adel. Hiertoe werden N. en zijn gezin tijdelijk vrijgesteld van deportatie. In 1944 is de familie N. door de bezetter doorgestuurd naar concentratiekamp Theresienstadt.

  7. De commissie heeft tot taak te adviseren over de vraag of sprake is van onvrijwillig bezitsverlies door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime. Bij verkoop door particulieren die niet behoorden tot een vervolgde bevolkingsgroep, zoals Bentinck, kan hiervan naar het oordeel van de commissie slechts sprake zijn indien een van het naziregime uitgaande directe dreiging of dwang op de verkoper is uitgeoefend. In dit kader heeft verzoekster verklaard dat haar vader uit betrokkenheid bij de situatie van N. het als zijn morele plicht zag het gezin van N. te hulp te komen door het schilderij aan N. af te staan. Hieromtrent overweegt de commissie dat een zodanige morele plicht niet kan worden gelijkgesteld aan een situatie waarin Göpel druk op Bentinck zou hebben uitgeoefend om tot verkoop van het schilderij van Codde over te gaan. Daarbij komt dat een aantal omstandigheden van het bezitsverlies onduidelijk zijn gebleven, zoals onder meer de voorwaarden waaronder en het tijdstip waarop Bentinck het schilderij heeft afgestaan aan N.

  8. Op grond van het voorgaande concludeert de commissie dat aan de voorwaarden voor restitutie niet is voldaan.

CONCLUSIE

De Restitutiecommissie adviseert de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het verzoek tot teruggave van het schilderij Paar in interieur van Pieter Codde (NK 2550) af te wijzen.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 6 september 2010 door W.J.M. Davids (voorzitter), J.Th.M. Bank, P.J.N. van Os, D.H.M. Peeperkorn, E.J. van Straaten, I.C. van der Vlies (vice-voorzitter), en ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

(W.J.M. Davids, voorzitter)                (E. Campfens, secretaris)