S. van Leeuwen

NK 3201

Advies inzake S. van Leeuwen

Dossiernummer: 
1.103
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
2 april 2012
Periode bezitsverlies: 
1940-1945
Oorspronkelijke eigenaar: 
Kunsthandel
Plaats bezitsverlies: 
In Nederland

Bij brief van 29 oktober 2008 heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) de Restitutiecommissie (hierna: de commissie) om advies gevraagd over een restitutieverzoek van 27 november 2007 van A.v.L. te D.H. (hierna: verzoeker). Het verzoek, dat mede werd ingediend namens A.A.H.-v.L., betreft een kist van beukenhout die na zijn recuperatie naar Nederland na de Tweede Wereldoorlog onderdeel is geworden van de Nederlands Kunstbezit-collectie in beheer van het Rijk (hierna: NK-collectie) onder inventarisnummer NK 3201. De kist bevindt zich in beheer van het Ministerie van Defensie.

DE PROCEDURE

In het kader van het adviesverzoek van de minister heeft de commissie bij brief van 10 februari 2009 een vragenlijst aan verzoeker toegestuurd ter verkrijging van een aantal basisgegevens. Verzoeker heeft, na een aantal maal te zijn gerappelleerd, de ingevulde vragenlijst op 10 maart 2011 aan de commissie toegestuurd.
Vervolgens heeft de commissie een onderzoek naar de feiten uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een conceptonderzoeksrapport van 21 november 2011. De commissie heeft dit conceptrapport bij brief van 30 november 2011 voor commentaar aan verzoeker toegestuurd, en daarbij tevens nadere vragen gesteld. Verzoeker heeft hierop bij brief van 23 december 2011 gereageerd en daarbij relevante stukken overgelegd.
De commissie heeft het conceptrapport bij brief van 30 november 2011 tevens voor feitelijke aanvulling toegezonden aan de minister. Op 19 december 2011 heeft de minister hierop laten weten geen aanvullende feiten onder de aandacht van de commissie te willen brengen. Het onderzoeksrapport is vervolgens vastgesteld op 2 april 2012.
Voor de feiten in deze zaak verwijst de commissie naar het onderzoeksrapport.

OVERWEGINGEN

  1. Verzoeker stelt op basis van onderzoeksgegevens van Bureau Herkomst Gezocht (BHG) dat de kist (NK 3201) afkomstig is uit de handelsvoorraad van het bedrijf van zijn vader, de joodse antiekhandelaar Salomon van Leeuwen te Den Haag. Volgens verzoeker is de kist tijdens de bezetting onvrijwillig verloren.

    Verzoeker heeft gesteld erfgenaam te zijn van Salomon van Leeuwen en in deze procedure op te treden voor zich en voor zijn zuster A.A.H.-v.L.. Voorts heeft verzoeker gesteld dat hij de antiekhandel S. van Leeuwen uit de nalatenschap van zijn vader toegedeeld heeft gekregen. Ten bewijze hiervan heeft verzoeker een akte van scheiding en deling van de nalatenschap van zijn vader overgelegd, welke akte is verleden op 4 juni 1973, voor K. Dijkstra, destijds notaris te Den Haag.

  2. Salomon van Leeuwen (hierna ook: Van Leeuwen) werd op 14 september 1885 in Den Haag geboren als zoon van Sander van Leeuwen en Judith Koekoek. Van Leeuwen trad op 23 juli 1926 in het huwelijk met (de niet joodse) Sophia Maria Josepha Theresia Duncker (1888-1935). Laatstgenoemde had op het moment van het huwelijk al een dochter, Sophia Maria Wilhelmina (1910-1987), die door Van Leeuwen is erkend waardoor zij de staat van gewettigd kind verkreeg. Na het overlijden van zijn eerste echtgenote trad Van Leeuwen op 5 juli 1939 in het huwelijk met (de eveneens niet-joodse) Antoinette Barendina Sophia Duncker (1905-1990). Uit dit huwelijk werden twee kinderen geboren, te weten A., op 3 april 1943, en A.A., op 21 juli 1948.

  3. De antiekhandel S. van Leeuwen werd sinds 1914 als eenmanszaak gedreven door Salomon van Leeuwen en was gevestigd aan het Noordeinde 164-164a te Den Haag.

    Na de Duitse inval in Nederland gaf Van Leeuwen als eigenaar van de antiekhandel op 1 februari 1941 een algehele procuratie aan Huybrecht Jobse. Kort daarna, op 12 maart 1941, vaardigde de bezetter de zogeheten ‘Verordening tot de verwijdering van joden uit het bedrijfsleven’ uit. Op grond van deze vervolgingsmaatregel werden bedrijven van joodse ondernemers op last van de nazi-autoriteiten onder beheer gesteld en vervolgens geliquideerd door een Liquidations-Treuhänder of gekocht dan wel blijvend beheerd door een Verwaltungs-Treuhänder (kortweg: ‘Verwalter’). Ingevolge deze verordening stelden de Duitse autoriteiten op 2 november 1942 de Nederlandse koopman J.A. Koppelle aan als Verwalter over de antiekhandel van Van Leeuwen.

    Kort na zijn aanstelling verbood Koppelle Van Leeuwen in de zaak te komen. Daarnaast weigerde Koppelle aan Van Leeuwen een toelage uit de onderneming uit te keren, waardoor Van Leeuwen geen inkomen meer had. De bedrijfsvoering werd door Koppelle vrijwel geheel aan procuratiehouder Jobse overgelaten, terwijl Koppelle zelf een maandsalaris van NLG 750,- ontving.

    Naast de aanstelling van Koppelle als Verwalter dreigden verdere economische vervolgingsmaatregelen voor Van Leeuwen. Op 13 april 1943 stelde de bezetter zo de Niederländische Aktiengesellschaft für Abwicklung von Unternehmungen (NAGU) aan met het doel om de onderneming te onteigenen.

  4. In een poging een einde te maken aan het Verwalterschap van Koppelle, zorgde procuratiehouder Jobse er in 1944 voor dat de antiekhandel ten titel van schenking door Van Leeuwen werd overgedragen aan diens volwassen dochter Sophia en diens negen maanden oude zoontje A. (verzoeker). Omdat Van Leeuwens kinderen door de nazi-autoriteiten niet werden beschouwd als ‘Jood in den zin der toen geldende verordeningen’ kon na deze overdracht het arische beheer’ over de antiekhandel worden opgeheven. Koppelle eiste voor zijn terugtreden evenwel een uitkoopsom van NLG 10.000,-. Uit angst dat Koppelle moeilijkheden zou veroorzaken bij de Duitse autoriteiten, is hem uiteindelijk een bedrag van NLG 8000,- betaald.

    De opzet van Jobse slaagde en per 31 maart 1944 onthief de bezetter Koppelle van zijn taak als Verwalter en is het bedrijf op die manier - indirect - eigendom gebleven van Van Leeuwen.

  5. Van Leeuwen was in dezelfde periode met zijn echtgenote en hun pasgeboren zoontje A. (verzoeker) ondergedoken. Wanneer deze onderduikperiode precies begon, is niet bekend, maar verzoeker heeft verklaard dat dit waarschijnlijk kort na zijn geboorte op 3 april 1943 is geweest. Het gezin Van Leeuwen heeft de oorlog overleefd. De antiekhandel S. van Leeuwen bestaat nog steeds en wordt thans gedreven door verzoeker.

  6. Na de oorlog heeft Salomon van Leeuwen zich tot de Afdeling Rechtspraak van de Raad voor het Rechtsherstel gewend. De rechtsherstelrechter verklaarde de schenking van de antiekhandel aan de kinderen nietig, omdat deze louter was ingegeven om de zaak uit handen van de bezetter te houden. Daarnaast vorderde Van Leeuwen de nietigverklaring van de rechtsbetrekkingen die waren ontstaan tussen hem en Koppelle door diens benoeming tot Verwalter over zijn zaak. Tevens vroeg Van Leeuwen om de veroordeling van Koppelle tot betaling van een schadevergoeding voor het salaris dat Koppelle als Verwalter had ontvangen en van de ‘afkoopsom’ die Koppelle van de kinderen had geëist. De rechtsherstelrechter heeft de vordering toegewezen en Koppelle in zijn vonnis van 4 augustus 1948 veroordeeld om aan Van Leeuwen te betalen ‘de som van f. 3.949,75 plus f. 8.000,- is f 11.949,75’.

    Voor zover bekend heeft Van Leeuwen na de oorlog geen kunstwerken als vermist opgegeven bij de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK). Evenmin zijn aanwijzingen gevonden dat de SNK contact met Van Leeuwen heeft gezocht over de na de oorlog gerecupereerde kist (NK 3201), alhoewel de terugvoering naar Nederland plaats had in verband met het feit dat deze was aangekocht bij kunsthandel Van Leeuwen.

    De commissie overweegt dat voor zover er in het verleden contacten met de rechtsherstelautoriteiten zijn geweest, deze in ieder geval niet hebben geleid tot een afhandeling van een restitutieverzoek van de kist. Er is derhalve geen sprake van een in het verleden afgehandelde zaak, en verzoeker is ontvankelijk is in zijn verzoek.

  7. Onder het geldende restitutiebeleid is het voor de beoordeling van de onderhavige claim van belang of het eigendomsrecht van Van Leeuwen met betrekking tot NK 3201 in hoge mate aannemelijk is en dat sprake is van onvrijwillig bezitsverlies als gevolg van omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime.

  8. Op grond van de bij het onderzoek aangetroffen bronnen concludeert de commissie dat de thans geclaimde kist hoogstwaarschijnlijk op 31 juli 1944 door de Duitser W. Geisler te Wiesbaden voor NLG 500,- is gekocht in Den Haag bij Van Leeuwen. Het staat dan ook vast dat de kist in ieder geval in 1944 behoorde tot de handelsvoorraad van Van Leeuwen. De commissie heeft niet kunnen achterhalen wanneer de onderhavige kist door Van Leeuwen is verworven.

    Aangezien de kunsthandel van 2 november 1942 tot 31 maart 1944 onder Verwaltung stond (zie overwegingen 3 en 4), bestaat de mogelijkheid dat de kist is ingekocht tijdens het beheer van de Verwalter en als zodanig tot de zogenoemde ‘nieuwe handelsvoorraad’ moet worden gerekend. De commissie overweegt hieromtrent het volgende.

    Ten opzichte van de gehele periode waarin de kist kan zijn verworven, vanaf de oprichting van de antiekhandel in 1914 tot kort voor de verkoop in 1944 (30 jaar), is de periode van de Verwaltung (17 maanden) zo kort, dat naar haar oordeel aan de kans dat de kist buiten de laatstgenoemde periode is ingekocht het voordeel van de twijfel moet worden gegeven. De commissie gaat er dan ook van uit dat de kist door Van Leeuwen zelf, naar alle waarschijnlijkheid al voor de oorlog, is verworven en als zodanig tot de ‘oude handelsvoorraad’ kan worden gerekend.

  9. De commissie heeft zich vervolgens de vraag gesteld of er aanwijzingen zijn die het in hoge mate waarschijnlijk maken dat bij de verkoop van de kist tijdens de oorlog sprake is geweest van onvrijwillig bezitsverlies door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime.

    Bij het ontbreken van aangifteformulieren bij de naoorlogse rechtsherstelautoriteiten, zoals in de onderhavige zaak, kan ingevolge de Aanbevelingen voor de kunsthandel van de Commissie Ekkart (2003) de vereiste hoge mate van waarschijnlijkheid van onvrijwillig bezitsverlies ook worden aangenomen indien sprake is geweest van diefstal, confiscatie of gedwongen verkoop. Aanbeveling 4 houdt in dat bij de beoordeling van aanwijzingen daarvoor de ten aanzien van joodse handelaren bedreigende algemene omstandigheden dienen te worden verdisconteerd.

  10. Over de omstandigheden van het bezitsverlies is het volgende bekend.

    Bij het onderzoek is gebleken dat Van Leeuwen zich vanaf de afkondiging van de ‘Verordening tot de verwijdering van joden uit het bedrijfsleven’ als joodse antiekhandelaar in een steeds benardere positie bevond. Na de aanstelling van Koppelle als Verwalter werd Van Leeuwen niet alleen de vrijheid ontnomen om zijn eigen zaak te betreden, maar verloor hij ook van de ene op de andere dag zijn inkomen, terwijl de bezetter medio 1943 verdere plannen maakte om zijn onderneming te onteigenen. Door het bedrijf te schenken aan zijn (niet als joods aangemerkte) dochter en zoon werd de Verwaltung over de kunsthandel per 31 maart 1944 opgeheven. Van Leeuwen voelde zich in deze periode zo zeer bedreigd dat hij in de loop van 1943 met zijn echtgenote en pasgeboren zoon is ondergedoken.

    Op grond van deze omstandigheden neemt de commissie aan dat Van Leeuwen, indien hij al op de hoogte is geweest van de aankoop in juli 1944 door de Duitser Geisler (zie hiervoor), deze niet in vrijheid is aangegaan. Het is daarbij zeer twijfelachtig of Van Leeuwen, als (indirecte) eigenaar van een eenmanszaak, vanaf zijn onderduikadres kan hebben meegewerkt aan deze verkoop. Het is niet bekend waar Van Leeuwen was ondergedoken, maar na de oorlog heeft hij verklaard de bevrijding te hebben meegemaakt in Nijverdal (Overijssel).

    Daarnaast zijn er duidelijke aanwijzingen dat het gezin Van Leeuwen in financiële moeilijkheden verkeerde, die het directe gevolg waren van de anti-joodse maatregelen. Zo kreeg Van Leeuwen tijdens de Verwaltung geen inkomen meer uit zijn onderneming (zie overweging 3). Ook kan uit een naoorlogse verklaring van Jobse worden opgemaakt dat Van Leeuwen geen uitkering ontving uit zijn vermogen dat hij op last van de bezetter bij de roofinstantie Lippmann, Rosenthal & Co., Sarphatistraat had moeten plaatsen. Dat Van Leeuwen niet kon beschikken over reserves blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat de afkoopsom die de Verwalter van Van Leeuwens kinderen eiste, door bedrijfsleider Jobse moest worden voorgeschoten.

    De commissie concludeert dat onder deze omstandigheden sprake is van een onvrijwillig bezitsverlies als direct gevolg van het naziregime.

  11. De commissie ziet geen aanleiding om aan haar advies tot restitutie een terugbetalings-verplichting te verbinden van de destijds ontvangen tegenprestatie (zie overweging 8). Als reden hiervoor verwijst zij naar de omstandigheid dat Van Leeuwen dit bedrag zal hebben moeten aanwenden voor het onderduiken van hemzelf en zijn gezin, en hij dit bedrag dus niet ter vrije beschikking heeft gekregen in de zin van het restitutiebeleid. De commissie verwijst hiervoor naar de vierde en vijfde aanbeveling van de Commissie Ekkart (2001).

  12. Ten aanzien van de vraag aan wie gerestitueerd dient te worden, overweegt de commissie tot slot het volgende. Verzoeker treedt in deze procedure mede op namens zijn zuster A.A.H.-v.L., terwijl de onderhavige kist (NK 3201) afkomstig is uit de handelsvoorraad van antiekhandel S. van Leeuwen. De commissie overweegt dat het huidige NK 3201 dient te worden gerestitueerd aan A.v.L. (verzoeker), die blijkens de in overweging 1 gemelde akte van scheiding en deling de antiekhandel S. van Leeuwen uit de nalatenschap van zijn vader Salomon van Leeuwen toebedeeld heeft gekregen, welke onderneming hij als eenmanszaak tot op heden heeft voortgezet.

CONCLUSIE

De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om de onderhavige kist (NK 3201) te restitueren aan A.v.L. als eigenaar van de eenmanszaak S. van Leeuwen.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 2 april 2012 door W.J.M. Davids (voorzitter), J.Th.M. Bank, P.J.N. van Os, D.H.M. Peeperkorn, H.M. Verrijn Stuart, I.C. van der Vlies (vice-voorzitter), en ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

(W.J.M. Davids, voorzitter)                                        (E. Campfens, secretaris)