Perzisch medaillontapijt (Wolf/Van den Bergh)

NK 1042

Advies inzake een Perzisch medaillontapijt met inventarisnummer NK 1042 (Wolf / Van den Bergh)

Dossiernummer: 
1.104
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
29 maart 2010
Periode bezitsverlies: 
1940-1945
Oorspronkelijke eigenaar: 
Particulier
Plaats bezitsverlies: 
In Nederland

Bij brief van 29 oktober 2008 verzocht de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) de Restitutiecommissie (hierna ook: commissie) om advies over een verzoek van mevrouw H.J.L.-W. en mevrouw P.J.v.B.d.J.-W. (hierna: verzoeksters I) tot teruggave van een Perzisch medaillontapijt (NK 1042). Verzoeksters I zijn dochters van Daniel Wolf. (verzoek I)
Eveneens bij brief van 29 oktober 2008 verzocht de minister de commissie om advies over een verzoek van de heer R.J.S. en mevrouw E.M.A. (hierna: verzoekers II) tot teruggave van hetzelfde Perzisch medaillontapijt (NK 1042). Verzoekers II zijn achterkleinkinderen van Samuel van den Bergh. (verzoek II)
Beide restitutieverzoeken worden in dit advies behandeld. Het tapijt is na de oorlog uit Duitsland teruggehaald naar Nederland en onder inventarisnummer NK 1042 deel uit gaan maken van de rijkscollectie. Het tapijt bevindt zich in het depot van het Rijksmuseum te Amsterdam.

DE PROCEDURE

De restitutieverzoeken zijn ingediend naar aanleiding van de onderzoeksresultaten van Bureau Herkomst Gezocht (hierna: BHG), waarin geconcludeerd wordt dat NK 1042 tijdens de Tweede Wereldoorlog werd geconfisqueerd uit het bezit van Samuel van den Bergh, dan wel uit het bezit van Daniel Wolf.
Verzoeksters I dienden op 14 november 2007 hun restitutieverzoek ten aanzien van NK 1042 in bij de minister, als onderdeel van een verzoek tot teruggave van drie kunstwerken uit de rijkscollectie. De commissie bracht op 9 november 2009 advies uit over deze claim voor zover het betreft de andere twee kunstwerken, te weten NK 2227 en NK 3071 (zie advies inzake Wolf, RC 1.101). Verzoekers II dienden op 7 december 2007 hun restitutieverzoek ten aanzien van NK 1042 in bij de minister. De beide verzoeken heeft de minister vervolgens op 29 oktober 2008 voorgelegd aan de commissie, waarna deze in september 2009 in actieve behandeling zijn genomen.
Gezien de onderlinge samenhang tussen de claim van verzoekers I en de claim van verzoekers II ten aanzien van NK 1042, heeft de commissie besloten tot samenvoeging van deze zaken in dossiernummer RC 1.104.
De commissie heeft een onderzoek naar de feiten ingesteld waarvan de resultaten zijn neergelegd in een conceptonderzoeksrapport van 14 september 2009. Dit conceptrapport is bij brieven van 30 september 2009 voor commentaar toegezonden aan verzoeksters I en verzoekers II, waarop verzoekers I bij brief van 29 oktober 2009 en verzoekers II bij brief van 25 oktober 2009 hebben gereageerd. Beide partijen verklaarden zich akkoord met de bevindingen van de commissie, met uitzondering van een enkele feitelijke aanvulling. Daarnaast heeft de commissie op 1 oktober 2009 het conceptrapport voor feitelijke aanvulling toegezonden aan de minister, waarop deze op 15 oktober 2009 heeft laten weten geen feitelijke aanvullingen te hebben. Het onderzoeksrapport is vervolgens op 29 maart 2010 vastgesteld.
In de loop van de procedure, op 26 januari 2010, heeft de voorzitter van de commissie het tapijt bezichtigd in het depot van het Rijksmuseum te Lelystad onder begeleiding van de plaatsvervangend conservator textiel van het Rijksmuseum mevrouw M. Albers. Daarbij zijn bijzonderheden, zoals de conditie van het tapijt, opgenomen en foto’s gemaakt van het tapijt waarvan verzoekers een afdruk hebben ontvangen. Vervolgens heeft op 1 februari 2010 een gesprek plaatsgehad tussen de vertegenwoordiger van verzoeksters I, verzoekers II en de voorzitter van de commissie, met het doel om tot een gezamenlijke oplossing te komen voor het tapijt. In vervolg op dit gesprek hebben verzoekers en de commissie ermee ingestemd om de verzoeken samen te voegen en zich georiënteerd op een mogelijke museale of andere bestemming met algemeen nut voor het tapijt. Daarbij is tevens contact geweest met het Rijksmuseum te Amsterdam over een eventuele gezamenlijke schenking aan dit museum door verzoekers.
Voor de feiten in deze zaak wordt verwezen naar het onderzoeksrapport.

OVERWEGINGEN

    Achtergrond verzoek I

  1. Verzoeksters vragen teruggave van het tapijt (NK 1042) in hoedanigheid van erfgenaam van hun vader Daniël Wolf (hierna: Wolf). De commissie heeft kennisgenomen van een aantal erfrechtelijke documenten, op grond waarvan zij voor het doel van de huidige procedure voldoende aangetoond acht dat verzoeksters de (enige) twee erfgenamen zijn van Wolf. Verzoeksters laten zich vertegenwoordigen door de heer P.L. te W., kleinzoon van Wolf.

  2. Wolf werd op 3 januari 1898 te Arnhem geboren en was van joodse afkomst. Hij trouwde in 1919 met Renée Louise Gokkes en het echtpaar kreeg twee dochters (thans verzoeksters). Wolf was een succesvol zakenman. Hij had een grote belangstelling voor antiek en kunst en beschikte over een aanzienlijke schilderijenverzameling. Het gezin woonde vanaf 1937 op landgoed Groot Haesebroek te Wassenaar. Verzoeksters hebben aangegeven dat Wolf ten tijde van de Duitse inval in Frankrijk verbleef, waarna hij naar Engeland wist te ontkomen. Later in de oorlog is hij naar de Verenigde Staten vertrokken, waar hij in 1943 te New York overleed. Kort na de inval door de Duitsers werd het landgoed Groot Haesebroek in beslag genomen ten behoeve van een hooggeplaatste nazi, generaal Friedrich Christiansen, waarna het woonhuis dienst deed als verblijf voor Christiansen en tevens voor Göring bij zijn bezoeken aan Nederland. De inboedel van de woning van Wolf, waaronder diverse Perzische tapijten, werd in 1944 samen met de inboedel van zijn buurman te Wassenaar Samuel van den Bergh, verscheept naar Duitsland.

    Achtergrond verzoek II

  3. Verzoekers II vragen in hoedanigheid van erfgenamen van hun overgrootvader Samuel van den Bergh (hierna: Van den Bergh), en mede namens de overige erven, teruggave van NK 1042. De commissie heeft kennisgenomen van een aantal erfrechtelijke documenten op grond waarvan zij voor het doel van de huidige procedure voldoende aangetoond acht dat verzoekers II de gezamenlijke erfgenamen van Van den Bergh vertegenwoordigen.

  4. Van den Bergh werd op 6 april 1864 te Oss geboren en was van joodse afkomst. In 1887 trouwde hij Betsy Willing met wie hij drie kinderen kreeg, Elisabeth Gabriella, George en Sidney James. Verzoekers II zijn kleinzoon van George respectievelijk kleindochter van Elisabeth Gabriella. Van den Bergh was grondlegger van Unilever en woonde in zijn landhuis De Wiltzangk te Wassenaar, dat ingericht werd met waardevolle (kunst)voorwerpen. Hij verbleef ten tijde van de Duitse inval in Frankrijk waar hij in 1941 overleed. Kort na de Duitse inval werd zijn landhuis De Wiltzangk in beslag genomen als verblijf voor de nazi-top, evenals Groot Haesebroek. De inboedel van de woning van Van den Bergh werd in 1944, evenals de boedel van Groot Haesebroek, verscheept naar Duitsland. Onder de geconfisqueerde goederen bevonden zich diverse Perzische tapijten.

    Boedel Wolf/Van den Bergh

  5. Op enig moment tijdens of kort na de oorlog zijn de twee boedels van de huizen van Wolf en Van den Bergh met elkaar vermengd. Tevens staat vast, dat tot de boedel van zowel Wolf als Van den Bergh meerdere als ‘Perzisch’ omschreven tapijten behoorden. De inventarissen die tijdens en na de oorlog zijn opgesteld van deze boedels zijn echter onvoldoende specifiek om tot een positieve identificatie te kunnen komen ten aanzien van NK 1042 als eigendom van één van de beide eigenaren. De commissie heeft daarom uitgebreid onderzoek gedaan naar de recuperatie van het kleed NK 1042 uit Duitsland door de naoorlogse autoriteiten, om te bezien of het alsnog mogelijk is het tapijt als eigendom Wolf dan wel Van den Bergh te identificeren. Dit bleek niet mogelijk.

  6. De feiten zijn als volgt samen te vatten. Tegen het einde van de oorlog is in het gebied waar de goederen van Wolf/Van den Bergh terecht waren gekomen, uitgebreid geplunderd door de Duitse bevolking en later ook door Russische, Engelse en Canadese troepen. In een verslag over de opsporing van de goederen van Wolf en Van den Bergh na het einde van de oorlog, is te lezen dat de geallieerden op diverse locaties goederen aantroffen, waaronder vijf tapijten. Deze vijf tapijten uit de boedels van Wolf/Van den Bergh zijn vervolgens in maart 1947 teruggevoerd naar Nederland. Ondanks onduidelijkheden in de administratie van de naoorlogse rechtsherstelautoriteiten en de afwijkende maten in de diverse administratieve beschrijvingen van het tapijt NK 1042, onderschrijft de commissie de conclusie van Bureau Herkomst Gezocht dat NK 1042 één van de vijf uit de boedels Wolf/Van den Bergh gerecupereerde tapijten betreft.

  7. In de naoorlogse periode hebben zowel de familie Wolf als de familie Van den Bergh pogingen ondernomen om hun goederen terug te krijgen, waarbij zij deels gezamenlijk optraden. Met de Nederlandse rechtsherstelautoriteiten zijn contacten onderhouden over de uit Duitsland gerecupereerde goederen, naar aanleiding waarvan afgevaardigden van beide families zogenaamde claimtentoonstellingen hebben bezocht die door de Stichting Nederlands Kunstbezit werden georganiseerd. Bij die gelegenheid zijn enkele van de uit Duitsland gerecupereerde tapijten herkend en gerestitueerd. Voor zover de commissie heeft kunnen achterhalen is voor het tapijt NK 1042 geen teruggaverzoek ingediend. Het is onzeker of de families het kleed destijds hebben kunnen bezichtigen of anderszins op de hoogte zijn geweest dat het kleed was teruggekomen naar Nederland.

  8. Op basis van het feitenonderzoek stelt de commissie vast dat beide eigenaren diverse Perzische tapijten die voldoen aan de omschrijving van NK 1042, tijdens de oorlog onvrijwillig en als gevolg van confiscatie hebben verloren. Op basis van de feiten moet zij echter tevens concluderen dat deze tapijten tijdens of kort na de oorlog zijn opgegaan in één vermengde boedel waardoor thans niet meer kan worden vastgesteld of NK 1042 eigendom van Wolf dan wel Van den Bergh is geweest. Aangezien de commissie oordeelt dat het in hoge mate aannemelijk is geworden dat NK 1042 uit de vermengde boedel Wolf/Van der Bergh afkomstig is, acht zij desalniettemin aan de voorwaarden voor restitutie voldaan.

  9. Naar de mening van de commissie behoort het kleed te worden gerestitueerd aan de rechthebbenden, waartoe zij in dit bijzondere geval zowel de familie Wolf (verzoeksters I) als Van den Bergh (verzoekers II) rekent, elk voor een gelijk aandeel. Voor deze uitkomst pleit naar de overtuiging van de commissie het gevoegde optreden van beide groepen verzoekers tijdens deze procedure, waarbij zij het erover eens zijn dat er gemeenschappelijk een bestemming voor het kleed of de opbrengst daarvan wordt gezocht.

CONCLUSIE

De Restitutiecommissie adviseert de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het Tapijt NK 1042 in mede-eigendom over te dragen aan de gezamenlijke verzoekers (I en II) onder aanvaarding van de afspraak dat de verzoekers gezamenlijk een bestemming van algemeen nut zullen geven aan het object dan wel aan de opbrengst daarvan.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 29 maart 2010 door W.J.M. Davids (voorzitter), J.Th.M. Bank, P.J.N. van Os, D.H.M. Peeperkorn, H.M. Verrijn Stuart, I.C. van der Vlies (vice-voorzitter), en ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

(W.J.M. Davids, voorzitter)     (E. Campfens, secretaris)

Gerelateerde adviezen: