Rosenberg

NK 256 (foto: RCE)

Advies inzake Rosenberg

Dossiernummer: 
1.105
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
3 mei 2010
Oorspronkelijke eigenaar: 
Particulier

Bij brief van 29 oktober 2008 verzocht de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) de Restitutiecommissie (hierna: de commissie) om advies inzake een verzoek van J.L., te Californië, Verenigde Staten van Amerika (hierna: verzoeker) van 17 december 2007 tot teruggave van een commode in régence-stijl. Het geclaimde meubelstuk werd na de Tweede Wereldoorlog gerecupereerd naar Nederland en maakt thans deel uit van de Nederlandse Rijkscollectie onder inventarisnummer NK 256. Op dit moment bevindt de commode zich in bruikleen in de Nederlandse ambassade te Brussel.

DE PROCEDURE

De aanleiding voor het restitutieverzoek vormde een brief van Bureau Herkomst Gezocht (hierna: BHG) aan verzoeker van 11 mei 2007. In deze brief wees BHG verzoeker op de mogelijkheid dat NK 256 voormalig bezit van verzoekers grootvader zou kunnen betreffen.
Naar aanleiding van de adviesaanvraag van de minister heeft de commissie een onderzoek naar de feiten uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een conceptonderzoeksrapport van 7 december 2009. Het conceptonderzoeksrapport is bij brief van 18 december 2009 voor commentaar toegezonden aan verzoeker en bij brief van 24 december 2009 voor feitelijke aanvulling toegestuurd aan de minister. Verzoeker heeft, na herhaald uitstel, geen inhoudelijk commentaar geleverd op het conceptonderzoeksrapport. De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de staatssecretaris) heeft op 15 maart 2010 laten weten geen aanvullend feitelijk materiaal onder de aandacht van de commissie te willen brengen.[1] Het onderzoeksrapport is vervolgens vastgesteld op 3 mei 2010. Voor de feiten in deze zaak verwijst de commissie naar het onderzoeksrapport. Verzoeker heeft zich in de onderhavige procedure laten vertegenwoordigen door M. Stötzel, advocaat te Marburg (Duitsland).

OVERWEGINGEN

  1. Verzoeker vraagt teruggave van een commode in régence-stijl (NK 256), die zou hebben toebehoord aan zijn grootvader Saemy Rosenberg. Deze commode zou tijdens de oorlog in beslag zijn genomen door de bezettingsautoriteiten. Verzoeker heeft gesteld een kleinzoon en enig erfgenaam te zijn van Saemy Rosenberg. In dit kader heeft de commissie kennisgenomen van enkele door verzoeker toegezonden erfrechtelijke stukken, naar aanleiding waarvan de commissie geen reden heeft gezien te twijfelen aan de status van verzoeker.

  2. Saemy Rosenberg (hierna: Rosenberg) is geboren op 27 juli 1892 te Berlijn. Samen met zijn broers Raphael en Siegfried Rosenberg en zijn neven Eric en Hans Stiebel werd hij door zijn oom Isaak Rosenbaum in diens kunsthandel te Frankfurt am Main betrokken. Later zette Rosenberg samen met zijn broers en neven de kunsthandel voort. Rosenberg vestigde zich in april 1933 in Amsterdam, waar hij toetrad tot de directie van ‘N.V. Internationale Antiquiteitenhandel’. Deze onderneming werd vervolgens in 1938 volledig eigendom van de vier neven Rosenberg en Stiebel, die de naam van de kunsthandel datzelfde jaar veranderden in ‘I. Rosenbaum N.V’ (hierna: Kunsthandel Rosenbaum). Toen in september 1939 de Tweede Wereldoorlog uitbrak verbleef Rosenberg in Engeland, waarna hij niet meer naar Nederland terugkeerde. Ten tijde van de Duitse inval in Nederland in mei 1940 was Rosenberg derhalve in het buitenland, evenals veel van zijn familieleden, die reeds voor 1940 waren uitgeweken. In november 1940 vertrok Rosenberg vanuit Engeland via Mexico en Cuba naar de Verenigde Staten van Amerika.

  3. Bij het herkomstonderzoek door BHG is als conclusie vermeld dat de thans geclaimde commode (NK 256) ‘tijdens de oorlog door Dienststelle Mühlmann in beslag is genomen’, waarbij als mogelijke herkomst de naam: ‘Rosenberg’ is vermeld. Dat NK 256 uit het bezit Rosenberg afkomstig zou zijn, blijkt, na bestudering van de bronnen voor deze conclusie, gebaseerd op een naoorlogse verklaring van Mühlmann in verband met de recuperatie van de commode. Na de oorlog is deze door de geallieerde recuperatieautoriteiten vanuit Oostenrijk naar München overgebracht, ter gelegenheid waarvan Mühlmann destijds heeft verklaard dat de bewuste commode afkomstig was van: ‘Rosenberg’, ‘Holland’. In oktober 1948 werd de commode vervolgens naar Nederland gerecupereerd.

  4. Na de bevrijding heeft Rosenberg contact opgenomen met de Stichting Nederlands Kunstbezit (hierna: SNK) in een poging tijdens de oorlog verloren goederen, zowel uit zijn privébezit als uit de handelsvoorraad van Kunsthandel Rosenbaum, terug te verkrijgen. Uiteindelijk heeft Rosenberg door bemiddeling van de SNK drie commodes gerestitueerd gekregen. Het betrof twee exemplaren afkomstig uit Rosenbergs privébezit en één exemplaar dat Mühlmann in 1942 bij Kunsthandel Rosenbaum in beslag had genomen. Laatstgenoemde commode werd in de correspondentie met de SNK omschreven als een: ‘Louis XV-commode’(..), waarvoor de Dienststelle Mühlmann fl. 6.500,- heeft betaald. Rosenberg heeft deze commode destijds zelf bezichtigd en als voormalig eigendom van Kunsthandel Rosenbaum herkend.

  5. Met betrekking tot de identificatie van de thans geclaimde commode (NK 256) als een object dat eigendom is geweest van Rosenberg, overweegt de commissie dat de enige aanwijzing dat NK 256 afkomstig zou zijn uit het bezit van Rosenberg, de in overweging 3 gemelde naoorlogse verklaring van Mühlmann is. Bij het onderzoek zijn geen andere bronnen gevonden op grond waarvan NK 256 geïdentificeerd zou kunnen worden als voormalig eigendom van Rosenberg.

  6. Met betrekking tot het privébezit van Rosenberg tijdens de bezetting is het volgende bekend. In 1949 schreef mevrouw E.C.M. Peters, die tijdens de oorlog feitelijk de leiding had over Kunsthandel Rosenbaum, aan de SNK dat de gehele inboedel van Rosenberg, welke was opgeslagen bij Firma de Gruyter, begin 1941 ingeleverd moest worden bij de Duitse roofinstelling Sammelverwaltung feindlicher Hausgeräte. In opdracht van deze Sammelverwaltung werd Rosenbergs inboedel vervolgens op 18 juni 1941 en de daaropvolgende dagen, geveild bij veilinghuis Van Marle & Bignell te Den Haag. Op deze veiling kocht Kunsthandel Rosenbaum onder leiding van Peters enkele objecten uit het privébezit van Rosenberg in een poging deze veilig te stellen. Ten aanzien van de commode uit het bezit van Kunsthandel Rosenbaum, gemeld in overweging 4, is bekend dat in de loop van 1941, door de Dienststelle Mühlmann onderzoek is gedaan naar de eigendommen van deze kunsthandel, waarna de Dienststelle in maart 1942 een aantal objecten in beslag heeft genomen. Daaronder bevond zich, zo blijkt uit het onderzoek, een commode omschreven als: ‘Kommode van Cressent, Hfl. 6.500,-‘. Er zijn geen aanwijzingen gevonden tijdens het onderzoek door de commissie dat de Dienststelle Mühlmann andere commodes dan de hierboven onder overweging 4 genoemde ‘Louis XV-commode’, met herkomst Rosenberg of Rosenbaum in bezit heeft gehad.

  7. Uit het hierboven beschreven feitenrelaas trekt de commissie de conclusie dat Mühlmann tijdens de oorlog slechts één commode met een herkomst Rosenbaum in bezit heeft gehad, en dat Rosenberg deze commode na de oorlog als voormalig eigendom van Kunsthandel Rosenbaum heeft herkend en heeft teruggekocht. De commissie heeft nader bekeken hoe de verklaring van Mühlmann met betrekking tot NK 256 met het bovenstaande valt te rijmen. Onderzoek wijst uit dat de destijds door Rosenberg teruggekochte commode, waarvan een foto afkomstig uit het Bundesarchiv Koblenz, zich in het onderzoeksdossier van de commissie bevindt, qua stijl veel gelijkenissen vertoont met NK 256. Ook is gebleken dat de na de oorlog door Rosenberg teruggekochte commode beschadigd was en dat het marmeren blad ontbrak, wat opmerkelijk genoeg (ten tijde van recuperatie) ook het geval was met NK 256. Voorts is bij het archiefonderzoek met betrekking tot de door Rosenberg teruggekochte commode de vermelding ‘Fischhorn’ aangetroffen, hetgeen erop wijst dat dit meubel waarschijnlijk, net als NK 256, na inbeslagname door Dienststelle Mühlmann, in het Oostenrijkse kasteel Schloss Fischhorn terecht is gekomen.

  8. Ingevolge de achtste aanbeveling van de Commissie Ekkart inzake particulier kunstbezit van april 2001 dient voor toewijzing van een claim het eigendomsrecht in hoge mate aannemelijk te zijn gemaakt, terwijl er geen aanwijzingen zijn die dat tegenspreken.

    Uit het bovenstaande is gebleken dat de enige aanwijzing dat NK 256 eigendom is geweest van Rosenberg, uitsluitend is gevonden in de naoorlogse verklaring van Mühlmann, gemeld in overweging 3, dat de thans geclaimde commode afkomstig is uit het bezit ‘Rosenberg’. Hierbij werden echter geen voornaam of voorletters vermeld, waardoor niet duidelijk is welke Rosenberg precies bedoeld is. Uit een bron in het archief van de Raad Voor het Rechtsherstel blijkt, dat er ten minste 29 verschillende personen genaamd Rosenberg waren die als ‘gedepossedeerde’ te boek stonden. Tegelijkertijd is vast komen te staan dat de Dienststelle in 1942 bij Kunsthandel Rosenbaum een commode in beslag heeft genomen die gelijkenissen vertoont met NK 256. Met betrekking tot deze commode staat echter vast dat Rosenberg deze na de oorlog heeft bezichtigd en als voormalig eigendom van Kunsthandel Rosenbaum heeft herkend, en deze vervolgens via de SNK terug heeft kunnen verkrijgen. De commissie acht het op grond van deze gegevens niet onaannemelijk dat de onderlinge gelijkenissen tussen de destijds door Rosenberg teruggekochte commode en de thans geclaimde commode (NK 256) zodanig groot waren, dat tijdens de recuperatie vanuit Schloss Fischhorn de beide commodes met elkaar zijn verward en dat Mühlmann in zijn verklaring in plaats van NK 256 de later door Rosenberg teruggekochte commode heeft bedoeld. De commissie oordeelt dan ook dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de thans geclaimde commode (NK 256) eigendom is geweest van Rosenberg privé dan wel als kunsthandelaar.

CONCLUSIE

De Restitutiecommissie adviseert de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om het verzoek tot teruggave van de commode in régence-stijl (NK 256) af te wijzen.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 3 mei 2010 door W.J.M. Davids (voorzitter), J.Th.M. Bank, P.J.N. van Os, D.H.M. Peeperkorn, H.M. Verrijn Stuart, I.C. van der Vlies (vice-voorzitter) en ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

(W.J.M. Davids, voorzitter)      (E. Campfens, secretaris)

-----------------------
[1] Op 24 februari 2010 heeft de Staatssecretaris van OCW het restitutiedossier van de minister overgenomen.