De Haan

NK 2824 (foto: RCE)

Advies inzake De Haan

Dossiernummer: 
1.106
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
13 oktober 2011
Periode bezitsverlies: 
1940-1945
Oorspronkelijke eigenaar: 
Kunsthandel
Plaats bezitsverlies: 
In Nederland

Bij brieven van 29 oktober 2008, 13 november 2009, 27 januari 2010 en 24 november 2010 verzocht de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) de Restitutiecommissie (hierna: de commissie) om advies inzake de verzoeken van 12 december 2007, 8 september 2009 en 21 september 2010 van I.I.S.-T. (hierna: verzoekster) tot teruggave van verschillende kunstvoorwerpen uit de Nederlands Kunstbezit-collectie (hierna: NK-collectie) in beheer van de Nederlandse rijksoverheid. Het gaat om objecten die tijdens de bezetting van Nederland door of via de joodse kunsthandelaar Simon de Haan zijn verkocht en die na de Tweede Wereldoorlog uit Duitsland naar Nederland zijn gerecupereerd.

Het advies betreft de volgende veertien kunstwerken:
NK 1537 – B.G. Cuyp, Kaartspelers
NK 1557 – H.M. Sorgh, Gehoor, verpersoonlijkt door een zingend paar
NK 1559 – H.M. Sorgh, Smaak, verpersoonlijkt door een zingend paar[1]
NK 1597 – Ph. Wouwerman, Landschap met twee mannen te paard
NK 1667 – Navolger van L. Cranach, Madonna met kind
NK 1704 – Ph. Wouwerman, Jachtpartij in Italianiserend rivierlandschap
NK 1760 – W. Verschuur I, Een paardenmarkt
NK 1914 – Omgeving van S.J. van Ruysdael, Riviergezicht met vissersboten
NK 2245 – S.J. van Ruysdael, Winterlandschap met schaatsers bij een stad
NK 2264 – A. Bloemaert, Triomf van Neptunus
NK 2824 – Meester van 1518, Aanbidding der Koningen
NK 2835 – J.G.C. Coclers, Stilleven met bloemen in een vaas
NK 2866 – Atelier van A. van Utrecht, Stilleven met wild
NK 2882 – In de stijl van A. van der Neer, Dorp aan een rivier

DE PROCEDURE

Aanleiding voor het restitutieverzoek was een bezoek van verzoekster aan de tentoonstelling Geroofd, maar van wie? in 2007. Na daaropvolgend contact tussen verzoekster en Bureau Herkomst Gezocht (hierna: BHG) diende verzoekster op 12 december 2007 een restitutieverzoek in betreffende negentien kunstvoorwerpen uit de NK-collectie. Bij brieven van respectievelijk 8 september 2009 en 21 september 2010 diende verzoekster twee aanvullende restitutieverzoeken in van in totaal vier kunstwerken uit de NK-collectie.
Bij brieven van 29 oktober 2008, 13 november 2009, 27 januari 2010 en 24 november 2010 hebben de Minister respectievelijk de Staatssecretaris van OCW de verschillende teruggaveverzoeken ter advisering aan de commissie voorgelegd. Deze adviesverzoeken heeft de commissie samengevoegd in het onderhavige dossier RC 1.106.
Naar aanleiding van de adviesverzoeken heeft de commissie een onderzoek naar de feiten uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een conceptonderzoeksrapport van 19 januari 2011. Bij brieven van 7 februari 2011 is dit conceptrapport toegestuurd aan verzoekster en de staatssecretaris.
Op 7 maart 2011 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen verzoekster en haar raadsman mr. R.W. Polak enerzijds en een afvaardiging van de commissie anderzijds. Vervolgens heeft verzoekster op 4 april 2011 inhoudelijk op het conceptrapport gereageerd en tevens laten weten dat zij haar claim op negen kunstwerken niet zou handhaven.
De staatssecretaris heeft in reactie op de toezending van het conceptrapport op 8 maart 2011 laten weten geen aanvullende feiten onder de aandacht van de commissie te willen brengen. Naar aanleiding van de reactie van verzoekster en de intrekking van haar claim op negen kunstwerken, is een aangepaste versie van het conceptrapport opgesteld, waarin ook de resultaten uit aanvullend onderzoek door de commissie zijn verwerkt. Deze herziene versie van het conceptrapport is verzoekster op 11 juli 2011 ter informatie toegezonden. Bij brief van 26 augustus 2011 heeft verzoekster hierop gereageerd. Deze reactie is als bijlage bij het definitieve onderzoeksrapport gehecht. Vervolgens is het onderzoeksrapport vastgesteld op 19 september 2011. Voor de feiten in deze zaak verwijst de commissie naar het onderzoeksrapport. Het geclaimde kunstwerk NK 2824 maakt tevens deel uit van het nog te behandelen restitutieverzoek inzake Katz (RC 1.90-B). Onder verwijzing naar de overwegingen 7 tot en met 13 heeft de commissie geen reden gezien om de advisering in de onderhavige zaak aan te houden tot aan de behandeling van RC 1.90-B.

OVERWEGINGEN

  1. Verzoekster is enig erfgename van haar oom Simon de Haan, zoals blijkt uit een verklaring van erfrecht, verleden op 1 september 2010 voor mr. M.R. Meijer, notaris te Amsterdam. Volgens verzoekster heeft de joodse kunsthandelaar Simon de Haan de door haar geclaimde veertien objecten tijdens de Tweede Wereldoorlog onvrijwillig verkocht, onder druk van omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime.

  2. De relevante feiten zijn in het onderzoeksrapport van 19 september 2011 beschreven. Hier wordt volstaan met de volgende samenvatting. Simon de Haan (hierna: De Haan) werd op 6 juni 1901 te Amsterdam geboren als zoon van Salomon de Haan en Abigaël Buitenkant. Op een gezinskaart in het Haags Gemeentearchief is over De Haan vermeld dat hij zichzelf ‘Henri Simon De Haan’ noemde. Op 5 april 1933 trad De Haan in het huwelijk met Elsbeth Dorothea Hilda Haufschild, welk huwelijk blijkens de onder 1 genoemde verklaring van erfrecht later (waarschijnlijk) door echtscheiding is ontbonden. Uit onderzoek blijkt dat De Haan vanaf 1929 afwisselend in Den Haag en Amsterdam woonde.

  3. De Haan was werkzaam in de kunsthandel. Uit het archief van het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken te ‘s-Gravenhage blijkt dat De Haan met Hendrik Maas Szn. vanaf 1929 directeur was van de N.V. Internationale Kunsthandel (hierna: Galerie Internationale) te Den Haag. Deze kunsthandel had een filiaal in Amsterdam. Na enkele jaren eindigden de werkzaamheden van De Haan voor het bedrijf. Dit blijkt uit een aangifte van Maas op 17 september 1934 bij het handelsregister te Amsterdam, waarin sprake is van het ontslag van De Haan en van de opheffing van het Amsterdamse filiaal van de Galerie Internationale.

  4. Bij het onderzoek van de commissie zijn gegevens aangetroffen waaruit blijkt dat De Haan vervolgens is gaan werken als kunstinkoper voor derden, en als bemiddelaar en expert bij kunstaankopen. Zo was De Haan werkzaam als bemiddelaar voor de kunstverzamelaar H.F.J. Weijers. Laatstgenoemde verklaarde in 1945 aan de Stichting Nederlands Kunstbezit (hierna: SNK) over zijn collectie dat ‘zoo goed als alle stukken van myn verzameling, door H.S. de Haan, als myn bemiddelaar destyds, van duitsche joden zyn gekocht’. Daarnaast blijkt uit aangetroffen documentatie dat De Haan voor de oorlog actief was als inkoper voor de Amsterdamse kunsthandel J. Goudstikker N.V., die onder leiding stond van de joodse Jacques Goudstikker. Na de Duitse inval in Nederland zette De Haan deze werkzaamheden als kunstinkoper/bemiddelaar voort, ook nadat het bedrijf was overgenomen door de Duitser Alois Miedl, die onder de naam ‘Voorheen J. Goudstikker N.V.’ handelde met onder andere Hermann Göring. Het voorgaande blijkt uit verklaringen en overige documentatie die de commissie heeft aangetroffen bij haar onderzoek en die zijn genoemd in het onderzoeksrapport. Voor Alois Miedl bemiddelde De Haan onder meer bij een transactie, waarbij de joodse kunsthandelaren Nathan en Benjamin Katz te Dieren in de zomer van 1940 een groot aantal schilderijen hebben verkocht aan kunsthandel Voorheen J. Goudstikker N.V. (hierna: Goudstikker-Miedl). Na de oorlog verklaarde Miedl naar aanleiding van deze transactie: ‘De aankoop van Goudstikker vond plaats in Juli 1940. Na deze aankoop kreeg ik via een zekere Fleischman contact met Elte, accountant van de firma Katz te Dieren, (…). Met Elte samen ben ik naar de firma Katz gegaan. Het is mogelijk dat toen ook reeds meeging een zekere de Haan, van Joodse afkomst, die in elk geval later wel als tussenpersoon voor mij is opgetreden’.
    Ook Victor Modrzejewski, een van oorsprong Duitse kunsthandelaar noemde de transactie en de rol van De Haan daarbij in een naoorlogse verklaring: ‘Hans de Haan, een joodse kunstkenner, die reeds voor den oorlog inkoper bij de N.V. Goudstikker was, was mijn vriend. Het is mij bekend dat deze De Haan voor de later als eigenaar optredende A. Miedl verschillende schilderijen inkocht o.a. bij de gebroeders Katz te Dieren’.

  5. De Haan werd in de eerste oorlogsmaanden gearresteerd en wegens belediging van de Duitse Wehrmacht veroordeeld tot twee jaar cel, die hij in een gevangenis in Duitsland doorbracht. Verzoekster meldt hieromtrent dat de arrestatie hoogstwaarschijnlijk plaatsvond in augustus 1940 (zie hierna onder 12). Nadat zijn hechtenis op 10 januari 1943 formeel was geëindigd, is De Haan overgebracht naar Westerbork en van daaruit gedeporteerd naar Auschwitz, waar hij op 19 februari 1943 om het leven is gebracht.

  6. Verzoekster stelt dat, ook al was De Haan werkzaam in de kunsthandel, een niet nader door haar gespecificeerd deel van de geclaimde kunstwerken privébezit betreft. Hierover verklaart zij het volgende: ‘Wat de eigendomssituatie betreft ga ik af op de database van Bureau Herkomst Gezocht. Daarin zag ik een bevestiging van wat mijn moeder (de zuster van Simon de Haan) wist, namelijk dat hij een kwalitatief goede eigen verzameling schilderijen bezat’.
    ‘Het is zeer goed mogelijk dat De Haan schilderijen die hij in zijn (privé-)bezit had moest verkopen, zeker als hij daar als Jood door een vertegenwoordiger van het Nazi-regime als Miedl toe gedwongen werd’
    .

    Tevens verwijst verzoekster naar een online database van kunstwerken die tijdens de oorlog terecht zijn gekomen bij de Sonderauftrag Linz, de Duitse organisatie die tot taak had kunstwerken te verwerven voor het geplande Führermuseum. In deze Linz-database is bij een aantal van de thans geclaimde werken de volgende (of een daarvan enigszins afwijkende) tekst vermeld:

    Vorbesitzer: De Haan / Amsterdam 1940
    (Privatbesitz Niederlande, von dort an Goudstikker/Miedl)’
    .

    De commissie heeft nader onderzoek verricht naar deze aanwijzing. De historicus dr. H.C. Löhr, op wiens onderzoek de gegevens in de database mede zijn gebaseerd, heeft voor informatie over de totstandkoming van de vermeldingen in de database onder meer verwezen naar zijn boek Das braune Haus der Kunst. Hitler und der Sonderauftrag Linz. Hierin is vermeld dat de informatie over de ‘Vorbesitzer’ lastig te documenteren was, omdat schilderijen vaak binnen korte tijd meerdere malen van eigenaar wisselden. Dit gold vooral voor kunstwerken die via de kunsthandel in de bezette gebieden in bezit van de Sonderauftrag Linz kwamen. Over het onderscheid tussen particulieren en kunsthandelaren schreef Löhr: Personen, die durch die historische Überlieferung nicht als Händler identifiziert werden konnten, wurden im Rahmen dieser Untersuchung mit Privat-verkäufern gleich gesetzt’. Hieruit maakt de commissie op dat, wanneer informatie over de hoedanigheid van een verkoper bij het onderzoek in Duitsland ontbrak, de verkoper in de database in principe als particulier is aangemerkt. Op grond hiervan acht de commissie de bovengenoemde verwijzingen in de Linz-database, zonder nadere aanwijzingen, onvoldoende om aan te nemen dat de betreffende kunstwerken afkomstig zijn uit het privébezit van De Haan.

  7. Op grond van de omstandigheid dat De Haan reeds voor de oorlog actief was op de kunstmarkt en hij deze werkzaamheden voortzette na de Duitse inval (zie overwegingen 3 en 4), is de commissie van oordeel dat De Haan dient te worden aangemerkt als kunsthandelaar en de onderhavige claim derhalve beoordeeld moet worden volgens de richtlijnen voor de kunsthandel (kunsthandelaanbevelingen van de Commissie Ekkart uit 2003). Hierbij wordt overwogen dat de Commissie Ekkart bij de formulering van de kunsthandelaanbevelingen rekening heeft gehouden met de mogelijkheid van particulier bezit bij kunsthandelaren. In de toelichting op de kunsthandelaanbevelingen is hierover vermeld: ‘Wanneer duidelijk is dat kunstwerken niet behoorden tot de handelsvoorraad van een joodse kunsthandelaar maar al voor de oorlog deel uitmaakten van zijn particuliere verzameling c.q. aankleding van zijn eigen huis, vallen verzoeken om restitutie binnen het bestaande beleid voor teruggave van particulier kunstbezit’. Hierbij moeten ‘duidelijke indicaties dat het particulier eigendom was in plaats van hard bewijs, voldoende worden geacht’.
    De commissie is van oordeel dat in deze zaak echter geen sprake is van duidelijke indicaties voor particulier eigendom, zoals hierna onder overweging 8 tot en met 10 uiteengezet, en beoordeelt de claim conform de normen van het kunsthandelbeleid.

  8. Uit het onderzoek blijkt dat de veertien geclaimde kunstwerken in de maanden juli en augustus 1940 via De Haan terecht zijn gekomen bij Goudstikker-Miedl. In het in de administratie van Goudstikker-Miedl aangetroffen in- en verkoopboek van schilderijen over de periode 1940-1941 (hierna: voorraadboek) zijn bij de geclaimde werken onder de tabel ‘inkoop’ de vermeldingen ‘De Haan’ (twaalf NK-werken), ‘de Haan / Katz’ (NK 2824) of ‘Miedl/Haan/Katz’ (NK 2264) opgenomen, zonder nadere gegevens omtrent de rol die De Haan bij de verwerving van de betreffende schilderijen door Goudstikker-Miedl heeft gespeeld. De commissie is van oordeel dat deze administratieve verwijzingen naar De Haan, zonder aanvullende gegevens, geen duidelijke indicaties zijn dat De Haan de kunstwerken in (privé-)eigendom had. Daarvoor wijst zij allereerst op het feit dat De Haan werkzaam was als inkoper/tussenpersoon op de Nederlandse kunstmarkt en in die hoedanigheid onder andere werkte voor Goudstikker-Miedl, zoals onder 3 en 4 overwogen. Dit gegeven wordt bevestigd door in het onderzoeksrapport omschreven documenten uit het archief van Goudstikker-Miedl, waaruit blijkt dat bij de aankoop van of via De Haan van verschillende schilderijen, waaronder waarschijnlijk zes thans geclaimde werken, sprake was van 10% provisie. Voorts wijst de commissie op de aangetroffen gegevens met betrekking tot de geclaimde werken NK 1667 en NK 2264, die afkomstig waren uit de collectie van H.F.J. Weijers. In het voorraadboek van Goudstikker-Miedl wordt bij deze werken weliswaar verwezen naar De Haan, maar bij het onderzoek naar beide werken zijn duidelijke aanwijzingen aangetroffen dat De Haan deze schilderijen niet voor zichzelf kocht, maar aankocht in opdracht van Miedl. Na de oorlog schreef Weijers hierover aan de SNK: Nog kan ik U meedelen, dat H.S. de Haan, kunsthandelaar, Amsterdam, van my heeft gekocht en my later vertelde, dat hy dat gedaan had in opdracht van: Aloys MIEDL, destyds Amsterdam, die, naar de Haan my zeide, het eerst te noemen schildery voor Hitler en het tweede voor Göring zou hebben gekocht,: Lucas Cranach, der Aeltere, “Madonna met Kind op Landschapachtergrond” [NK 1667, RC] / Abraham Bloemaert, “Triomf van Neptunis” [NK 2264, RC]’.

  9. Op grond van het geldende restitutiebeleid kan tot teruggave worden geadviseerd indien de eigendom in hoge mate aannemelijk is en het bezit van de geclaimde kunstwerken onvrijwillig is verloren door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime.

  10.  Ten aanzien van de eigendomsvraag acht de commissie het, in het licht van de onderzoeksgegevens, mogelijk maar niet in hoge mate aannemelijk dat de veertien geclaimde schilderijen eigendom zijn geweest van De Haan. Uit het onderzoek rijst het beeld op dat De Haan werkzaam was als bemiddelaar en/of inkoper van kunstwerken, en dat de onderhavige transacties zijn verricht in het kader van zijn functie als inkoper voor Goudstikker-Miedl. Onderzoek door verzoekster en de commissie in verschillende archieven heeft geen bronnenmateriaal opgeleverd waaruit een andere conclusie opgemaakt kan worden. Er zijn evenmin aanwijzingen gevonden die het in hoge mate aannemelijk maken dat de geclaimde kunstwerken afkomstig waren uit een eigen handelsvoorraad of een kunstcollectie die De Haan in particulier bezit had.

  11. Ten aanzien van de vraag of de transacties onvrijwillig waren, overweegt de commissie ten overvloede nog het volgende. Voor de stelling van verzoekster dat ‘De Haan als Jood zich tegenover de Nazi-vertegenwoordiger Miedl in een dwangpositie bevond’ heeft de commissie bij het onderzoek geen aanwijzingen gevonden. Hoewel de commissie oog heeft voor het feit dat De Haan in juli en augustus 1940 onder druk van de oorlogsomstandigheden moest werken en onderkent dat Miedl en enkele van zijn medewerkers na de oorlog een twijfelachtige reputatie genoten, is de commissie niet gebleken dat in dit geval sprake was van directe dreiging of dwang, uitgeoefend op De Haan bij de transacties. Naar het oordeel van de commissie is het feit dat de kopende partij (Miedl) handel dreef met vertegenwoordigers van het naziregime in dit geval onvoldoende om tot onvrijwilligheid te concluderen. Evenmin zijn er aanwijzingen dat de prijzen en/of provisies die zijn uitgekeerd bij deze transacties niet marktconform waren. De verkopen aan Goudstikker-Miedl vonden plaats in juli en augustus 1940, rond dezelfde tijd dat De Haan in opdracht van Miedl betrokken was bij de aankoop van honderden kunstwerken bij kunsthandel firma D. Katz te Dieren. Het bronnenmateriaal dat de commissie in de onderhavige zaak ter beschikking staat, wijst erop dat de thans geclaimde werken onderwerp waren van normale handelstransacties, passend bij het door de Commissie Ekkart geformuleerde uitgangspunt van het kunsthandelbeleid ‘dat de kunsthandel verkoop van handelsvoorraad als doelstelling heeft, zodat een belangrijk deel van de verrichte transacties, ook bij de joodse kunsthandelaars, in principe gewone verkoop was’. Aanwijzingen voor het tegendeel heeft de commissie bij haar archiefonderzoek niet aangetroffen.

  12. Over de transacties stelde verzoekster daarnaast nog het volgende: ‘Dat de verkoop van zijn [De Haan, RC] schilderijen, eind juli, begin augustus 1940, niet vrijwillig was, is, gegeven de huidige kennis van die periode, evident. Dit wordt eens te meer duidelijk uit het feit dat hij daarna in het openbaar zijn mening over “die rotmoffen” niet onder stoelen of banken stak, wat hem enkele maanden na de gedwongen verkoop van zijn schilderijen op een arrestatie en een veroordeling tot twee jaar gevangenisstraf kwam te staan’.

    Over de arrestatie van De Haan verklaarde verzoekster dat zij bij haar onderzoek sterke aanwijzingen had gevonden dat De Haan was verraden door D., een handelaar die eveneens voor Alois Miedl werkte. De commissie heeft een dossier over D. geraadpleegd uit het naoorlogse Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR). Daarin zijn de door verzoekster bedoelde aanwijzingen gevonden, in de vorm van onder meer een beschuldiging aan het adres van D.. Op grond van de onduidelijke aard van de in het CABR-dossier aangetroffen beweringen en het feit dat een naoorlogse uitspraak over deze zaak ontbreekt, acht de commissie deze aanwijzingen onvoldoende om aan te nemen dat sprake is geweest van verraad door D. In dit kader overweegt de commissie nog dat, zelfs indien De Haans arrestatie het gevolg zou zijn van verraad, dit niet in direct verband is te brengen met de onderhavige handelstransacties. Er valt immers niet aan te nemen dat deze handelstransacties na die arrestatie hebben plaatsgevonden.

  13. Op grond van het voorgaande acht de commissie onvoldoende aannemelijk dat de geclaimde kunstwerken (privé-)eigendom waren van De Haan, ondanks de vermelding door BHG van de naam De Haan in de respectieve herkomstreconstructies van de geclaimde voorwerpen. Tevens is de commissie van oordeel dat onvoldoende aanwijzingen zijn gevonden van dwang of onvrijwilligheid bij de betreffende transacties. De commissie adviseert dan ook tot afwijzing van de claim.

CONCLUSIE

De Restitutiecommissie adviseert de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het restitutieverzoek van I.I.S.-T. af te wijzen.

Aldus vastgesteld op 13 oktober 2011 door W.J.M. Davids (voorzitter), J.Th.M. Bank, P.J.N. van Os, D.H.M. Peeperkorn, E.J. van Straaten, I.C. van der Vlies (vice-voorzitter), en ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

(W.J.M. Davids, voorzitter)                                      (E. Campfens, secretaris)



[1] Tekstcorrectie: een etend paar