Joseph Stodel

NK1762 (Foto: RCE)

Advies inzake Stodel

Dossiernummer: 
1.109
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
7 juni 2010
Periode bezitsverlies: 
1940-1945
Oorspronkelijke eigenaar: 
Particulier
Plaats bezitsverlies: 
In Nederland

Bij brief van 16 februari 2009 verzocht de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) de Restitutiecommissie (hierna: de commissie) om advies inzake een verzoek van M.W.-M., mede namens H.B.M. en L.M. (hierna: verzoekers) van 9 januari 2009 tot teruggave van het schilderij Nederlands Stadsgezicht van A. Eversen.
Dit schilderij is na de Tweede Wereldoorlog gerecupereerd naar Nederland en maakt thans deel uit van de Nederlandse Rijkscollectie onder inventarisnummer NK 1762. Het geclaimde kunstwerk is ondergebracht in het depot van het Instituut Collectie Nederland.

DE PROCEDURE

Naar aanleiding van de adviesaanvraag van de minister heeft de commissie een onderzoek naar de feiten uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een conceptonderzoeksrapport van 3 mei 2010. Dit conceptrapport is bij brief van 4 mei 2010 voor commentaar toegezonden aan verzoekers en bij brief van diezelfde datum voor feitelijke aanvulling toegestuurd aan de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de staatssecretaris).[1] Verzoekers hebben bij brief van 14 mei 2010 op het conceptrapport gereageerd. De staatssecretaris heeft op 28 mei 2010 laten weten geen aanvullend feitelijk materiaal onder de aandacht van de commissie te willen brengen. Het onderzoeksrapport is vervolgens met enkele aanpassingen vastgesteld op 7 juni 2010. Voor de feiten in deze zaak verwijst de commissie naar het onderzoeksrapport.
Verzoekers hebben zich in de onderhavige procedure laten vertegenwoordigen door E. van Thijn.

OVERWEGINGEN

  1. Verzoekers hebben teruggave gevraagd van het schilderij Nederlands Stadsgezicht van A. Eversen (NK 1762), dat eigendom zou zijn geweest van Joseph Stodel (hierna: Stodel). Verzoekers hebben verklaard dat M.W.-M. een kleindochter is van Stodel en dat H.B.M. en L.M. respectievelijk de kleinzoon en schoondochter zijn van Stodel. Verzoekers hebben een verklaring van erfrecht overgelegd, afgegeven op 7 december 1948, door G.T. Reeser Cuperus, destijds notaris te Amsterdam, die zowel betrekking heeft op de nalatenschap van Stodel als op de nalatenschap van diens echtgenote Mietje Stodel-Krijn en waaruit volgt dat de inmiddels overleden dochter van erflaters, M.M.-S., gerechtigd was tot de beide nalatenschappen. M.M.-S. was de moeder van M.W.-M. en L.M.M., de in 2008 overleden broer van M.W.-M., vader van H.B.M. en echtgenoot van L.M. Deze gegevens gaven de commissie geen aanleiding te twijfelen aan de positie van verzoekers als erfgenamen van Stodel.

  2. Stodel werd op 25 juni 1875 in Dordrecht geboren als zoon van Benedictus Stodel en Marianne Slap en was van joodse afkomst. Op 4 april 1901 trad Stodel in het huwelijk met Mietje Krijn. Uit dit huwelijk werd op 19 oktober van datzelfde jaar een kind geboren, hun dochter Marianne Stodel. Op 1 juli 1930 richtte Stodel de eenmanszaak J. Stodel op. Deze onderneming was gevestigd aan het Weesperplein in Amsterdam en legde zich toe op diamantbewerking en -handel. Het echtpaar Stodel-Krijn woonde aan de Sarphatistraat 119 te Amsterdam.

  3. Stodel overleed op 28 september 1941 in Amsterdam. De goederen behorende tot zijn nalatenschap werden op last van de bezettingsautoriteiten onder beheer gesteld van Verwalter M.H.H. Franssen. Deze Nederlandse advocaat was op 13 oktober 1941 door Seyss-Inquart benoemd tot beheerder van nalatenschappen die vielen onder de bepalingen van de Verordening 26/1940 (Vijandelijk Vermogen, ook niet-joods). Waarschijnlijk was Franssen bij de afwikkeling van Stodels nalatenschap betrokken omdat een van Stodels erfgenamen, zijn dochter Marianne, tijdens de bezetting in de Verenigde Staten woonde. Stodels echtgenote werd in 1942 op last van de bezettingsautoriteiten gearresteerd en naar Westerbork overgebracht. Zij is daarna naar Auschwitz gedeporteerd, waar zij omstreeks 14 januari 1943 is omgekomen.

  4. In het archief van het veilinghuis Van Marle & Bignell te Den Haag, in het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie, zijn documenten aangetroffen met betrekking tot de nalatenschap van Stodel. Dit veilinghuis hield zich tijdens de bezetting bezig met de taxatie en verkoop van door de bezetter geconfisqueerd (joods) kunstbezit. In het archief is een taxatielijst aangetroffen van 7 september 1942 van de inboedel van Stodel. Op deze lijst wordt een kunstwerk vermeld, omschreven als: ‘ 1 [antiek schilderij] A. Eversen / 500.--’. In het archief van de Stichting Nederlands Kunstbezit (hierna: SNK) bevindt zich daarnaast een aangifteformulier van Van Marle & Bignell betreffende het thans geclaimde kunstwerk. Hierop noteerde het veilinghuis dat het kunstwerk ‘oorspronkelijk in bezit’ was van ‘Stodel Amsterdam’ en dat het een ‘gedwongen verkoop’ betrof.

  5. Uit documentatie van het Nederlandse Beheersinstituut blijkt dat Verwalter Franssen in de periode van maart tot juli 1943 voor een bedrag van NLG 97.779,46 aan voorwerpen uit de inboedel van Stodel heeft laten veilen bij Van Marle & Bignell. Het thans geclaimde kunstwerk is in de veilingcatalogus van mei 1943 vermeld onder nummer 56 en afgebeeld op plaat XII. In een brief aan het Bureau Herstelbetalings- en Recuperatiegoederen (hierna: Bureau Hergo), de taakopvolger van de SNK, van 13 juni 1951, verklaart het veilinghuis dat het geveilde schilderij in opdracht van ‘Dr. M. Franssen is verkocht onder Boedel Stodel’. Voorts wordt in deze brief gemeld dat dit kunstwerk op de veiling is gekocht door Erhard Göpel, een kunstinkoper voor Hitler. Göpel betaalde volgens gemelde brief NLG 4.200,- voor het schilderij, welk bedrag (minus de veilingkosten) op 11 juni 1943 op rekening van Franssen zou zijn gestort.

  6. Na de oorlog heeft M.M.-S., de dochter van Stodel, de schade inzake de verkoop van de boedel van haar vader aangemeld bij de Schade-Enquête-Commissie. In dit verband werd een onderzoek ingesteld door de Centrale Vermogensopsporingsdienst (hierna: CVO). In de geraadpleegde documentatie zijn geen gegevens aangetroffen over het verdere verloop van dit onderzoek door de CVO. De commissie heeft bij haar onderzoek geen aanwijzingen aangetroffen dat de familie Stodel een schadevergoeding heeft ontvangen voor het verlies van het onderhavige werk.

  7. De commissie heeft onderzocht of sprake is van een in het verleden afgehandelde zaak. Voor zover bekend hebben de nabestaanden van het echtpaar Stodel-Krijn na de oorlog geen aangifte gedaan bij de SNK van het verlies van het betreffende schilderij van Eversen. Evenmin zijn aanwijzingen gevonden dat het schilderij ooit onderwerp was van naoorlogse onderhandelingen over teruggave of van een rechterlijke uitspraak. Verzoekers zijn dan ook ontvankelijk in hun restitutieverzoek.

  8. Op grond van het geldende restitutiebeleid kan tot teruggave worden overgegaan indien de oorspronkelijke eigenaar van het geclaimde voorwerp onvrijwillig het bezit heeft verloren, door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime. Ingevolge de achtste aanbeveling van de Commissie Ekkart uit 2001dient het eigendomsrecht in hoge mate aannemelijk te zijn. Voor particulieren die behoren tot een vervolgde bevolkingsgroep geldt daarnaast dat de verkoop van een object in Nederland in de periode van 10 mei 1940 tot 5 mei 1945 wordt beschouwd als gedwongen verkoop, tenzij nadrukkelijk anders blijkt.

  9. De commissie overweegt met betrekking tot het de identificatie van het thans geclaimde kunstwerk NK 1762 als voormalig eigendom van Stodel, het volgende. Hoewel onbekend is wanneer en op welke wijze Stodel dit schilderij in zijn bezit heeft gekregen, is aangetoond dat hij dit werk in het begin van de oorlog in eigendom had. De commissie wijst in dit kader op de in overweging 4 vermeldde taxatielijst inzake Stodels inboedel waarop het schilderij is vermeld, en op het eveneens in overweging 4 vermelde aangifteformulier van Van Marle & Bignell. Daarnaast wijst de commissie nog op de brief van Van Marle & Bignell van 13 juni 1951, gemeld in overweging 5, waarin het veilinghuis aan Bureau Hergo verklaart dat het geveilde kunstwerk in opdracht van ‘Dr. M. Franssen is verkocht onder Boedel Stodel’.

  10. Met betrekking tot de aard van het bezitsverlies overweegt de commissie het volgende. Zoals beschreven in overwegingen 3, 4, en 5, is het onderhavige schilderij tijdens de oorlog op last van een door de bezettingsautoriteiten aangestelde Verwalter en buiten de wil van de eigenaar om, verkocht. Een dergelijk bezitsverlies merkt de commissie aan als onvrijwillig, als gevolg van omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime.

  11. De commissie constateert dan aan de voorwaarden voor restitutie is voldaan. Zij ziet daarbij geen aanleiding om te adviseren tot terugbetaling van de destijds op rekening van Franssen gestorte koopsom. Terugbetaling van de verkoopopbrengst dient conform de vierde aanbeveling van de Commissie Ekkart van 26 april 2001 alleen in het geding te worden gebracht indien deze daadwerkelijk ter vrije beschikking van de verkoper is gekomen, terwijl in gevolge de vijfde aanbeveling bij twijfel de rechthebbenden het voordeel van de twijfel dient te worden gegund. De commissie overweegt hieromtrent dat de koopsom is gestort op een rekening van de door het naziregime aangestelde Verwalter en dat deze niet ter vrije beschikking van de erven van Stodel is gekomen.

CONCLUSIE

De Restitutiecommissie adviseert de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om het schilderij Nederlands Stadsgezicht van A. Eversen (NK 1762) te restitueren aan de erfgenamen van Joseph Stodel.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 7 juni 2010 door W.J.M. Davids (voorzitter), J.Th.M. Bank, P.J.N. van Os, D.H.M. Peeperkorn, E.J. van Straaten, H.M. Verrijn Stuart, I.C. van der Vlies (vice-voorzitter), en ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

(W.J.M. Davids, voorzitter)      (E. Campfens, secretaris)

-----------------------
[1] Op 24 februari 2010 heeft de Staatssecretaris van OCW het restitutiedossier van de minister overgenomen.