Rijn bij Koblenz door Gerard Battem

NK 1994 (foto: RCE)

Advies inzake het verzoek tot teruggave van Rijn bij Koblenz van Van Battem (NK 1994)

Dossiernummer: 
1.11
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
18 september 2003

Bij brief van 26 november 2002 verzocht de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen de Restitutie Commissie te adviseren over de te nemen beslissing op het verzoek van de heer S.M. van 29 augustus 2002 tot teruggave van het schilderij Rijn bij Koblenz van Van Battem, dat onder inventarisnummer NK 1994 deel uitmaakt van de Rijkscollectie.

De feiten

Naar aanleiding van het verzoek tot teruggave heeft Bureau Herkomst Gezocht een onderzoek naar de feiten ingesteld, waarvan de resultaten zijn opgetekend in een rapport van mei 2003. Dit rapport is door de Restitutie Commissie op 1 juli in Engelse vertaling aan verzoeker voorgelegd, waarop deze op 18 juli 2003 reageerde.

Algemene overwegingen

De Restitutie Commissie laat zich bij haar advisering leiden door de beleidslijnen ter zake van de Commissie Ekkart en de regering.

De Restitutie Commissie heeft zich de vraag gesteld of een uit te brengen advies invloed mag ondervinden van mogelijke consequenties voor de beslissing in andere zaken. De Commissie beantwoordt die vraag, behoudens bijzondere omstandigheden, ontkennend, omdat een dergelijke invloed bezwaarlijk kan worden tegengeworpen aan de betrokken verzoeker.

De Restitutie Commissie heeft zich voorts afgevraagd op welke wijze moet worden omgegaan met het gegeven dat bepaalde feiten niet meer te achterhalen zijn, dat bepaalde gegevens verloren zijn gegaan of niet zijn teruggevonden, of anderszins bewijzen niet meer zijn bij te brengen. De Commissie is daaromtrent van mening dat, indien het tijdsverloop (mede) oorzaak is van de ontstane problemen, het risico daarvoor, behoudens bijzondere omstandigheden, behoort te liggen bij de overheid.

De Restitutie Commissie is ten slotte van mening dat inzichten en omstandigheden die sinds de Tweede Wereldoorlog klaarblijkelijk zijn veranderd, naar algemene maatschappelijke opvattingen gelijk mogen worden gesteld aan nova (nieuwe feiten).

Bijzondere overwegingen:

  1. Verzoeker treedt op namens de erven van zijn oudtante, J. M.-U., geboren in 1894 te Hamburg en overleden in 1943 te Auschwitz.

  2. Het verzoek tot teruggave werd ingediend onder verwijzing naar de website van Bureau Herkomst Gezocht, waar in het overzicht van de herkomstgegevens bij Rijn bij Koblenz van Van Battem (NK 1994) wordt genoemd: '1939, collectie Meijer te Amsterdam'. Verzoeker voert ter ondersteuning van zijn verzoek aan dat zijn oudtante - alhoewel daar geen lijsten meer van bestaan - in het bezit was van een uitgebreide kunstcollectie en zij in ieder geval tot 1939 in Amsterdam woonde. Aangezien zij als joodse werd vervolgd, vluchtte zij in 1940 vanuit Amsterdam naar België, waar zij in 1943 door de Nazi’s werd opgepakt.

  3. Uit het onderzoek bleek dat het niet mogelijk was om enig verband te leggen tussen het schilderij van Van Battem en de collectie van J. M.-U.. De vermelding van de naam Meijer in het herkomstoverzicht op de website van Bureau Herkomst is gebaseerd op de aantekening ‘collectie Meijer, Amsterdam ‘39’ op de achterkant van een foto van het schilderij in het kunsthistorisch archief van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie. Deze aanwijzing kan echter door geen enkele andere bron worden aangevuld. Daarbij komt dat de naam een ook in Amsterdam veel voorkomende geslachtsnaam is.

  4. Evenmin bleek het mogelijk antwoord te krijgen op de vraag wie van de andere mogelijke eigenaren zoals deze in voornoemd overzicht van Bureau Herkomst Gezocht voorkomen (Felders, Van Breemen en Goudstikker-Miedl), op enige moment - net voor of tijdens de oorlog - als eigenaar kan worden aangemerkt. De conclusie van het rapport is dat met de tot op heden gevonden gegevens geen sluitende herkomstgeschiedenis kan worden geschetst van het schilderij Rijn bij Koblenz van Van Battem.

  5. Verzoeker heeft in zijn reactie op het onderzoeksrapport van 15 juli 2003 beargumenteerd dat mevrouw M.-U. in het bezit was van een kunstcollectie die tijdens de oorlog werd geroofd of onder dwang verkocht, en dat het alleszins aannemelijk is dat zij het schilderij van Van Battem in haar bezit had.

  6. De Commissie overweegt hieromtrent, dat in restitutiezaken als de onderhavige een soepele bewijslast gerechtvaardigd is en dat het risico van het (mede) door tijdsverloop ontbreken van bewijzen voor wat betreft de collectie onder haar beheer, bij de overheid behoort te liggen. Dat dit echter de aanbeveling van de Commissie Ekkart onverlet laat, dat slechts tot teruggave kan worden overgegaan indien het oorspronkelijke eigendomsrecht in hoge mate aannemelijk is, en er geen aanwijzingen zijn die dat tegenspreken

  7. De Commissie is in casu dan ook van mening, dat voor toewijzing van het verzoek om teruggave aan de erven van mevrouw M.-U., nu nadere aanwijzingen ontbreken, onvoldoende grondslag aanwezig is.

Conclusie

Gezien het vorenstaande adviseert de Commissie de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen om het verzoek van de heer S. M. om teruggave van het schilderij Rijn bij Koblenz van Van Battem (NK 1994) af te wijzen.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 18 september 2003.

J.M. Polak (voorzitter)
B.J. Asscher (vice-voorzitter)
J.Th.M. Bank
J.C.M. Leijten
E.J. van Straaten
H.M. Verrijn Stuart

Samenvatting: