Een kaststel uit de collectie Gutmann (Gutmann III-A)

NK3223a-e (Foto: Rijksmuseum Amsterdam)

Advies inzake Gutmann - A

Dossiernummer: 
1.114-A
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
6 december 2010
Periode bezitsverlies: 
1940-1945
Oorspronkelijke eigenaar: 
Particulier

Bij brieven van 18 april 2007 en 16 augustus 2007 heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) de Restitutiecommissie (hierna: de commissie) om advies gevraagd over restitutieverzoeken van respectievelijk S.G., N.G. en L.V.C.-G. (hierna: verzoekers I) en N.P., F.FG., M.MF., C.E.G. en N.M.G. (hierna: verzoekers II). Beide restitutieverzoeken betreffen (onder meer) de kunstvoorwerpen die onder inventarisnummer NK 3223 a-e deel uitmaken van de Nederlands Kunstbezit-collectie in beheer van het Rijk (hierna: NK-collectie). Het betreft: NK 3223 a-e: Onbekend, Stel van vijf vazen, bestaande uit twee vazen en drie dekselvazen, eerste kwart 18de eeuw, porselein, 46.5 x 15.2 cm. Deze set van vijf vazen (hierna ook: het kaststel) bevindt zich thans in de collectie van het Rijksmuseum te Amsterdam.

DE PROCEDURE

De minister heeft de commissie tevens om advies verzocht inzake een aantal andere door verzoekers I en II geclaimde kunstvoorwerpen uit de NK-collectie.[1] De commissie heeft besloten de advisering ten aanzien van de door verzoekers I en II geclaimde werken in drie afzonderlijke procedures te laten plaatsvinden, geregistreerd onder de zaaknummers RC 1.113, RC 1.114 en RC 1.115. Dit is bij brieven van 22 juni 2009 en 24 augustus 2009 aan verzoekers I en II gemeld.
Met betrekking tot de objecten die uitsluitend door verzoekers I werden geclaimd, heeft de commissie op 29 juni 2010 een advies uitgebracht (RC 1.113). De twee kunstvoorwerpen die onderdeel zijn van zowel de claim van verzoekers I als de claim van verzoekers II (NK 688 en NK 3223 a-e) zijn ondergebracht in dossiernummer RC 1.114, waarover thans het eerste deeladvies RC 114-A volgt. Het deeladvies RC 1.114-B, inzake de claim op NK 688, zal in verband met lopend onderzoek op een later moment door de commissie worden uitgebracht, evenals het advies RC 1.115, dat kunstvoorwerpen betreft die uitsluitend door verzoekers II worden geclaimd.
Naar aanleiding van de adviesverzoeken inzake Gutmann heeft de commissie een onderzoek naar de feiten uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een conceptonderzoeksrapport van 3 juli 2008. Hierop hebben verzoekers I en II bij brieven van respectievelijk 8 en 11 december 2008 een reactie gegeven, waarbij zowel verzoekers I als verzoekers II nieuwe informatie hebben overgelegd. De minister heeft op 12 december 2008 in reactie op het conceptrapport laten weten geen aanvullende feiten onder de aandacht van de commissie te willen brengen.
Naar aanleiding van de bovengemelde herindeling van de Gutmann-dossiers heeft de commissie op 4 augustus 2010 een nieuw conceptonderzoeksrapport opgesteld betreffende NK 688 en NK 3223 a-e (RC 1.114). Bij brieven van 4 augustus 2010 is dit conceptrapport voor commentaar toegezonden aan verzoekers I en II en bij brief van 5 augustus 2010 voor feitelijke aanvulling toegestuurd aan de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de staatssecretaris).[2] In reactie hierop heeft de staatssecretaris op 15 september 2010 laten weten geen aanvullende feiten onder de aandacht van de commissie te willen brengen. Verzoekers I reageerden op het conceptrapport bij brief met bijlagen van 13 oktober 2010 en verzoekers II bij brief met bijlagen van 12 november 2010.
Na de verzending van het conceptrapport van 4 augustus 2010 aan de respectieve verzoekers en de staatssecretaris zijn met betrekking tot NK 688 nieuwe onderzoeksgegevens naar voren gekomen. Deze gegevens gaven de commissie aanleiding tot het instellen van nader onderzoek. Aangezien een dergelijk nader onderzoek inzake het kaststel (NK 3223 a-e) niet noodzakelijk was, heeft de commissie besloten dossier RC 1.114 te splitsen in twee deeladviezen. Het onderhavige deeladvies RC 1.114-A betreft NK 3223 a-e en het deeladvies RC 1.114-B zal betrekking hebben op NK 688.
Naar aanleiding van de reacties van verzoekers I en II is het conceptonderzoeksrapport op punten aangepast. Het onderzoeksrapport betreffende dossier RC 1.114-A is vervolgens vastgesteld op 6 december 2010. Voor de feiten die ten grondslag liggen aan het onderhavige advies verwijst de commissie naar dit onderzoeksrapport.
Verzoekers II hebben zich tijdens de procedure laten bijstaan door advocaat O. Ossmann te Winterthur (Zwitserland).

OVERWEGINGEN

    Verzoekers

  1. Verzoekers I zijn erfgenamen van Friedrich Bernhard Eugen Gutmann (hierna: Fritz Gutmann), zoals blijkt uit een verklaring van erfrecht, verleden op 18 maart 2005 door mr. M.R. Meijer, notaris te Amsterdam. Verzoekers I hebben gesteld dat het onderhavige kaststel eigendom was van Fritz Gutmann en dat hij het bezit daarvan onvrijwillig heeft verloren door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime.

  2. Verzoekers II verklaren erfgenamen te zijn van Herbert Max Magnus Gutmann (hierna: Herbert Gutmann). Zij hebben ten bewijze hiervan enkele erfrechtelijke stukken overgelegd, op grond waarvan de commissie geen aanleiding ziet hieraan te twijfelen. Verzoekers II stellen dat het onderhavige kaststel tot de onverdeelde nalatenschap behoorde van de in 1925 overleden Eugen Gutmann en dat zijn zoon Herbert Gutmann voor een zesde deel tot deze nalatenschap was gerechtigd. Voorts stellen verzoekers II dat Fritz Gutmann de tot gemelde nalatenschap behorende kunstcollectie namens de zes erven slechts beheerde.

    De familie Gutmann

  3. De joodse bankier Eugen Gutmann (1840-1925) was medeoprichter van de in 1872 gevestigde Dresdner Bank AG te Dresden. Hij was gehuwd met Sophie Magnus (1852-1915), met wie hij zeven kinderen kreeg, te weten Lili, Antonie (Toinon), Walter, Herbert, Kurt, Max en Fritz Gutmann. Het gezin verhuisde naar Berlijn toen het hoofdkantoor van de Dresdner Bank in 1884 naar die stad werd verplaatst. Eugen Gutmann legde een kunstverzameling aan die in de kunstwereld van zijn tijd welbekend was. Deze collectie kwam na de dood van Eugen Gutmann in 1925 onverdeeld in gemeenschappelijk eigendom van zijn zes kinderen, ieder voor een zesde aandeel (de oudste zoon Walter was reeds in 1917 overleden). In de periode na het overlijden van Eugen Gutmann lijken zich echter verschillende veranderingen voorgedaan te hebben in de eigendomssituatie ten aanzien van de verzameling en in de samenstelling ervan.

    In Amsterdam werd op 4 juli 1921 de N.V. Trust & Administratie Maatschappij (Trustenad) opgericht om de zakelijke belangen van de kinderen van Eugen Gutmann te behartigen.

  4. Herbert Gutmann, erflater van verzoekers II, werd op 15 oktober 1879 geboren als vierde kind van Eugen Gutmann. In 1903 werd hij onderdirecteur van de afdeling van de Dresdner Bank te Londen. Met zijn echtgenote Daisy Stephanie Thekla Anna Bertha Luise von Frankenberg und Ludwigsdorf(f) kreeg Herbert Gutmann drie kinderen. Het gezin woonde afwisselend in Berlijn en Potsdam, waar Herbert Gutmann zijn eigen kunstcollectie bijeenbracht. Vanaf 1933 verkeerde de Dresdner Bank, die onder rijkstoezicht stond, onder de invloed van de nationaal-socialisten. Herbert Gutmann werd gedwongen zich uit diverse adviesorganen van de bank terug te trekken en zag zich voor financiële problemen geplaatst. In april 1934 liet hij zijn kunstcollectie veilen en in oktober 1936 verliet hij Duitsland om zich in Londen te vestigen. Herbert Gutmann overleed op 22 december 1942.

  5. Fritz Gutmann, vader en grootvader van verzoekers I, werd op 15 november 1886 geboren als jongste kind van Eugen Gutmann. Hij trad in het huwelijk met Louise baronesse von Landau, met wie hij twee kinderen kreeg, te weten Bernhard Gutmann (later: Bernard Goodman) (1914-1994) en Lili Gutmann (geboren 1919). In 1918 vestigde Fritz Gutmann zich in Nederland en in 1924 verkreeg hij de Nederlandse nationaliteit. Fritz Gutmann woonde met zijn gezin op het landgoed Huize Bosbeek bij Heemstede, waar ook hij een omvangrijke kunstcollectie bijeenbracht. Tevens beheerde hij kunstvoorwerpen uit de collectie van zijn overleden vader Eugen Gutmann, die volgens verzoekers I in Huize Bosbeek werden bewaard in een aparte kluis.

  6. Na aanvang van de bezetting van Nederland in 1940 maakte het echtpaar Gutmann-Von Landau plannen om het land te ontvluchten. In dit kader probeerden zij zoveel mogelijk van hun kunstwerken te verkopen. Zo verkocht Fritz Gutmann bij drie transacties een groot aantal kunstvoorwerpen aan de Duitse kunsthandelaren Böhler en Haberstock. Bij een van deze transacties, op 24 maart 1942, verkocht hij aan Böhler en Haberstock een hoeveelheid genummerde kunstvoorwerpen, welke zijn vermeld op een bij deze overeenkomst behorende lijst. Op deze lijst is een voorwerp vermeld dat betrekking zou kunnen hebben op het huidige NK 3223 a-e.

    Ook gaf Fritz Gutmann in 1942, uit vrees voor confiscatie, een hoeveelheid voorwerpen uit de collectie van Eugen Gutmann die zich in zijn huis bevond, in beheer aan voornoemde handelaren Böhler en Haberstock.

    Het plan van het echtpaar Gutmann-Von Landau om naar het buitenland te vluchten mislukte, en in 1943 werden zij gearresteerd en overgebracht naar het concentratiekamp Theresienstadt. Daar kwam Fritz Gutmann in 1944 om het leven. Zijn echtgenote Louise von Landau is in datzelfde jaar in Auschwitz omgekomen. De twee kinderen van het echtpaar overleefden de oorlog in het buitenland.

    Beoordeling claim

  7. Voor de beoordeling van de huidige claim is op grond van het geldende restitutiebeleid allereerst van belang of het eigendomsrecht op het huidige NK 3223 a-e van de verzoekers I en/of II in hoge mate aannemelijk is gemaakt.

  8. Het huidige NK 3223 a-e werd op 6 mei 1919 ter veiling gebracht bij het veilinghuis Frederik Muller & Co. te Amsterdam. De betreffende veilingcatalogus vermeldt over de herkomst van het kaststel: ‘provenant de la succession d’un membre de la famille Van Andringa de Kempenaer’. Bij het onderzoek is geen documentatie aangetroffen waaruit kan worden afgeleid wie NK 3223 a-e na de veiling van 6 mei 1919 in bezit had.

    In het inventarisboek van het Rijksmuseum te Amsterdam, waar het kaststel zich op dit moment bevindt, werd in 1954 als herkomst vermeld: ‘Afkomstig verzameling E. Gutmann’. Dezelfde vermelding komt voor op de inventariskaart van het museum. Op welke bron deze vermeldingen zijn gebaseerd, is niet bekend. Deze gegevens zijn vervolgens overgenomen in de catalogus ‘Chinese ceramics in the Rijksmuseum’ uit 1997, waarin over de herkomst van het kaststel onder meer wordt opgemerkt: ‘Formerly in the collection of Andringa de Kempenaer. Acquired at sale Frederik Muller, Amsterdam, 6-5-1919, lot 91. Collection of E. Gutmann’.

    Uit gegevens in het archief van de Stichting Nederlands Kunstbezit (hierna: SNK) en het Bundesarchiv Koblenz blijkt dat NK 3223 a-e in 1944 via de kunsthandelaar N. Beets te Amsterdam is verkocht aan E. Göpel, een Duitse inkoper voor het geplande Führermuseum te Linz. Na de oorlog is het kaststel in 1951 vanuit Duitsland naar Nederland teruggevoerd.

    Op grond van de aantekeningen in het inventarisboek en op de inventariskaart van het Rijksmuseum is de commissie van oordeel dat in hoge mate aannemelijk is dat het kaststel op enig moment deel heeft uitgemaakt van de collectie van een lid van de familie Gutmann.

  9. Ten aanzien van de vraag aan welk lid van de familie Gutmann het kaststel heeft toebehoord, is het volgende van belang.

  10. Verzoekers I stellen dat dit kaststel naar alle waarschijnlijkheid in 1919 bij het veilinghuis Frederik Muller & Co. is gekocht door Fritz Gutmann, toen hij bezig was met de inrichting van zijn nieuwe woning en zijn nieuwe kantoor te Amsterdam. Met betrekking tot de, naar hun mening foutieve, vermelding van de herkomst Eugen Gutmann door het Rijksmuseum, stellen zij dat de collectie van Fritz Gutmann geregeld werd aangeduid als collectie E. Gutmann omdat de collectie van Eugen Gutmann meer bekendheid had: ‘This is one more instance where E. Gutmann was listed, in error, instead of F. Gutmann (E. Gutmann being the more famous collector)’.

    Zij wijzen er tevens op dat Eugen Gutmann in 1919 vanwege ziekte en zijn hoge leeftijd niet meer actief was als verzamelaar en bovendien dat Eugen Gutmann geen Chinese vazen verzamelde en niet hij maar Fritz Gutmann de eigenaar was van een ‘widely acclaimed Chinese collection’. Ter onderbouwing van laatstgemelde stelling hebben verzoekers I kopieën overgelegd van verschillende catalogi, waarin voorwerpen van Chinees keramiek uit de collectie van Fritz Gutmann zijn vermeld.

    Verzoekers I hebben daarnaast gewezen op twee lijsten, een inventarislijst van Huize Bosbeek, waarbij verzoekers I de datum ‘5/10/1942’ plaatsen, en ten tweede op de lijst behorende bij het koopcontract van 24 maart 1942 met Böhler en Haberstock, vermeld in overweging 6. Op beide lijsten komen voorwerpen voor die betrekking kunnen hebben op het huidige NK 3223 a-e, ofschoon dit niet met zekerheid is na te gaan omdat de voorwerpen niet in detail zijn beschreven op de betreffende lijsten. Verzoekers I stellen dat, indien wordt aangenomen dat het onderhavige kaststel is vermeld op de lijst bij het koopcontract van 24 maart 1942, ervan uit moet worden gegaan dat NK 3223 a-e privé-eigendom was van Fritz Gutmann. Daarbij wijzen zij erop dat Fritz Gutmann tijdens de oorlog steeds heeft geweigerd de door hem beheerde kunstcollectie van zijn vader te verkopen, en dat hij juist heeft getracht die collectie veilig te stellen door deze in beheer te geven aan Böhler en Haberstock.

  11. Verzoekers II hebben met betrekking tot de herkomst van het huidige NK 3223 a-e gesteld dat dit kaststel afkomstig is uit de nalatenschap van Eugen Gutmann. Zij hebben daarbij gewezen op de herkomstvermelding ‘(Vlg. Cat. Frederik Muller, Amsterdam 6 mei 1919. nr. 91; Eugen Gutmann (collection)’, in de catalogus ‘Chinese ceramics in the Rijksmuseum’ uit 1997. Verzoekers II hebben voorts gesteld dat: ‘Fritz was not the owner of the Eugen Gutmann collection but acted as a trustee for all heirs of Eugen Gutmann’. Verzoekers II stellen zich daarbij op het standpunt dat de collectie van Eugen Gutmann onverdeeld is gebleven en dat hun erflater Herbert Gutmann daarin voor éénzesde gedeelte was gerechtigd. Zij hebben daarbij enkele documenten overgelegd waaronder een brief van 6 mei 1945, waarin Lili Gutmann onder meer verklaart dat ‘(..) her father was the trustee of Eugen Gutmann collection’.

  12. Met betrekking tot de vraag wie als voormalige eigenaar dient te worden aangemerkt, Fritz Gutmann (stelling verzoekers I) of de gezamenlijke erfgenamen van Eugen Gutmann (stelling verzoekers II), overweegt de commissie het volgende.

    De commissie heeft bij haar onderzoek onvoldoende houvast kunnen vinden voor de stelling van verzoekers II dat NK 3223 a-e tot de onverdeelde nalatenschap van Eugen Gutmann behoorde op het moment van het bezitsverlies tijdens de oorlog. Evenmin is in hoge mate aannemelijk geworden dat het kaststel op enig moment tot deze collectie heeft behoord. Verzoekers II baseren zich voor deze stelling slechts op de vermelding van de naam ‘E. Gutmann’ in de documentatie van het Rijksmuseum maar zij hebben geen nadere gegevens kunnen verstrekken die deze herkomst bevestigen.

    De commissie acht het op grond van alle gegevens en haar eigen onderzoek het meest aannemelijk dat Fritz Gutmann eigenaar was van NK 3223 a-e, en wel om de volgende redenen:

    - Het kaststel komt niet voor op de aan de commissie bekende beschrijvingen van de collectie Eugen Gutmann.

    - Er zijn aanwijzingen dat het kaststel voorkomt op lijsten van de collectie van Fritz Gutmann tijdens de oorlog. Nummer 28 op de inventarislijst van Huize Bosbeek (‘28 / 1 Satz blauer chines. Väschen (5 Stck)’) vertoont in de omschrijving opmerkelijke overeenkomsten met het huidige NK 3223 a-e (een stel van vijf blauwe vazen van Chinees porselein). Daarnaast blijkt dat nummer 48 (‘1 Satz von blauen chinesischen Porzellanväschen’) op de inventarislijst bij het koopcontract van 24 maart 1942 eveneens grote overeenkomsten vertoont met het onderhavige kaststel. De koopovereenkomst vermeldt dat Fritz Gutmann ‘Eigentümer der Gegenstände’ is, en volgens de commissie mag dan ook aangenomen worden dat het hier niet gaat om door Fritz Gutmann beheerde voorwerpen uit de collectie van zijn vader. Die laatstbedoelde voorwerpen werden immers door Fritz Gutmann afzonderlijk aan Böhler en Haberstock in beheer gegeven.

    - De collectie van Fritz Gutmann werd veelvuldig verward met die van Eugen Gutmann omdat deze laatste meer naamsbekendheid had. De aanmerking ‘E. Gutmann’, aangebracht in 1954, in documentatie van het Rijksmuseum kan daarom naar de mening van de commissie niet doorslaggevend zijn.

    - De commissie volgt verzoekers I in hun stelling dat het aannemelijker is dat de aankoop, die vermoedelijk in 1919 of later in Nederland plaats had, gedaan werd door de in Nederland wonende Fritz Gutmann, die op dat moment bezig was met de inrichting van zijn nieuwe woning en zijn nieuwe kantoor in Amsterdam, en dat het minder waarschijnlijk is dat het een aankoop betrof van Eugen Gutmann, die in Berlijn woonde.

    Op grond van al hetgeen hiervoor onder de nummers 7 tot en met 12 is overwogen, komt de commissie tot de conclusie dat voldoende is aangetoond dat het kaststel NK 3223 a-e op 24 maart 1942 eigendom was van Fritz Gutmann en dat het geen deel uitmaakte van de onverdeelde nalatenschap van Eugen Gutmann. Hiermee komt de grondslag te ontvallen aan de claim van verzoekers II en dient de commissie tot afwijzing van die claim te adviseren. In het hiernavolgende zal de commissie de claim van verzoekers I nader aan een onderzoek onderwerpen.

  13. Op grond van het geldende restitutiebeleid kan tot teruggave worden overgegaan indien de oorspronkelijke eigenaar van het geclaimde voorwerp onvrijwillig het bezit daarvan heeft verloren, door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime. Met betrekking tot de aard van het bezitsverlies overweegt de commissie het volgende. De commissie ziet twee mogelijkheden waarop Fritz Gutmann het bezit van het kaststel kan hebben verloren, die beide wijzen op onvrijwilligheid.
    1.   Indien het huidige NK 3223 a-e onderdeel heeft uitgemaakt van de verkoop aan Böhler en Haberstock op 24 maart 1942, is de onvrijwilligheid van het bezitsverlies reeds vastgesteld door de Afdeling Rechtspraak van de Raad voor het Rechtsherstel (hierna: de rechtsherstelrechter) in haar vonnis van 1 juli 1952. In dit vonnis is geoordeeld dat de verkopen onder invloed van de speciale oorlogsomstandigheden waren aangegaan, aangezien op dat moment al sprake was van dreiging voor de familie Gutmann. Op deze grondslag zijn deze verkopen destijds al nietig verklaard. Bedoeld vonnis wordt in overweging 15 nader beschreven.
    2.   Op de lijst bij de verkoop in 1942 komt bij het bewuste nummer een aantekening voor ‘Gestrichen von der Liste’, waarvan de precieze betekenis niet duidelijk is. Indien hieraan de betekenis moet worden gehecht dat het huidige NK 3223 a-e aanvankelijk wel maar uiteindelijk geen onderdeel van de verkoop in 1942 uitmaakte, is onbekend hoe het kaststel uit het bezit van Fritz Gutmann is geraakt. Het object is mogelijk na de deportatie van het echtpaar Gutmann geconfisqueerd of gestolen, maar er is ook een mogelijkheid dat hij het aan een ander heeft verkocht. Ook in deze gevallen acht de commissie sprake van onvrijwillig bezitsverlies als direct gevolg van het naziregime. Zij wijst daarbij op de derde aanbeveling van de Commissie Ekkart inzake particulier kunstbezit, waarin wordt geadviseerd om‘verkoop van kunstwerken door joodse particulieren in Nederland vanaf 10 mei 1940 te beschouwen als gedwongen verkoop, tenzij nadrukkelijk anders blijkt’.

  14. Dient vervolgens nog de vraag te worden beantwoord of met betrekking tot het huidige NK 3223 a-e sprake is van een in het verleden afgehandelde zaak. Uit het onderzoek blijkt dat Bernard Goodman en Lili Gutmann, de twee kinderen van Fritz Gutmann, zich na de oorlog jarenlang hebben ingespannen om het verdwenen familiebezit terug te verkrijgen. Verschillende kunstwerken, waarvan vaststond dat deze in beslag waren genomen door de nazi’s in Frankrijk, werden in de eerste jaren na de bevrijding door de SNK aan de erven teruggegeven. Ook de verzameling van Eugen Gutmann, die Fritz Gutmann onder zich had, werd behoudens vermissingen uit Duitsland gerecupereerd, en is vervolgens in 1949 door de SNK aan de rechthebbenden gerestitueerd.

  15. Minder eenvoudig verliep de restitutie van de kunstvoorwerpen die aan Böhler en Haberstock waren verkocht en na de oorlog waren teruggevonden. De SNK oordeelde met betrekking tot deze objecten dat sprake was geweest van een vrijwillige verkoop en honoreerde het verzoek tot teruggave van de erven niet. De erven legden zich hierbij niet neer en dienden een verzoek tot rechtsherstel in bij de rechtsherstelrechter. Deze wees de stelling van de SNK af en besliste in zijn vonnis van 1 juli 1952 dat de verkooptransacties met Böhler en Haberstock op grond van de rechtsherstelregeling, neergelegd in Koninklijk Besluit E 100, voor rechtsherstel in aanmerking kwamen. De rechter oordeelde dat de verkopen onder invloed van de speciale oorlogsomstandigheden waren aangegaan, aangezien op dat moment al sprake was van dreiging voor de familie Gutmann. De rechtsherstelrechter bepaalde in zijn uitspraak dat de verkoop nietig was, en dat de erven van Fritz Gutmann als eigenaar dienden te worden aangemerkt van de verkochte kunstwerken:

    De Raad voor het Rechtsherstel, Afdeling Rechtspraak, (…)
    Doet ten behoeve van verzoekers sub 1 en 2 [de erven F.B.E. Gutmann, RC] herleven de rechtsbetrekking van eigendom van wijlen F.B.E. Gutmann tot de bij bovengenoemde drie overeenkomsten verkochte goederen, voor zover zich bevindende in het bezit van gerequestreerde [de SNK, RC];
    Verklaart in zoverre die overeenkomsten en alle met deze herleving strijdige rechtsbetrekkingen nietig;

     

    Daarbij bepaalde de rechtsherstelrechter tevens dat bij afgifte van de objecten de bij de verkoop ontvangen koopprijs door de erven diende te worden afgestaan aan de rechtsherstelautoriteiten. Onder de argumentatie dat de verkoopsom, die aan Trustenad was betaald, tijdens de oorlog uit de vennootschap was verdwenen en daarom niet ten goede was gekomen aan hun vermogen, hebben de erven deze bepaling vervolgens, zonder succes, proberen aan te vechten.

  16. In de naoorlogse jaren hebben de erven van Fritz Gutmann een aantal van de gerecupereerde kunstwerken feitelijk teruggekocht van de SNK. De overige uit het bezit van Fritz Gutmann afkomstige en naar Nederland gerecupereerde kunstwerken bleven in de rijkscollectie. In 2002 heeft de Staatssecretaris van OCW, naar aanleiding van de afkondiging van het verruimde restitutiebeleid en na advies van de Restitutiecommissie (RC 1.2), een groot aantal van deze voorwerpen alsnog zonder nadere voorwaarden aan de erven van Fritz Gutmann gerestitueerd. Vervolgens zijn, na het advies van de commissie van 29 juni 2010 (RC 1.113), bij beslissing van 22 juli 2010 nog vijf NK-werken aan de erven van Fritz Gutmann teruggegeven.

  17. De commissie meent dat indien het kaststel onderdeel heeft uitgemaakt van de verkoop aan Böhler en Haberstock op 24 maart 1942, het huidige restitutieverzoek moet worden bezien in het licht van deze hiervoor besproken rechterlijke uitspraak uit 1952. Daarbij zal de commissie de vraag moeten betrekken of verzoekers, met inachtneming van het geldende rijksbeleid, ontvankelijk kunnen worden geacht in hun verzoek. Uitgangspunt van dit restitutiebeleid is immers dat het rechtsherstel niet wordt overgedaan, tenzij sprake is van nieuwe feiten of inzichten, in het beleid samengevat als ‘nova’. Tot de zaken die als afgehandeld dienen te worden aangemerkt, worden in het beleid onder meer gerekend zaken ‘waarin door de Raad voor het Rechtsherstel of een andere bevoegde rechter een vonnis is gewezen’ (eerste aanbeveling Commissie Ekkart van april 2001). De commissie is van mening dat de rechterlijke uitspraak inzake Gutmann uit 1952, de ontvankelijkheid van verzoekers niet in de weg staat. De strekking van dit vonnis is immers om de erven in hun eigendomspositie van deze kunstwerken te herstellen aangezien sprake was van onvrijwillig bezitsverlies. De omstandigheid dat in 1952 geen afgifte van het kaststel heeft plaatsgevonden, doet aan de ontvankelijkheid niet af. De rechtsherstelrechter heeft met zijn vonnis uit 1952 de erven Gutmann in hun eigendomspositie immers willen herstellen, en er zijn geen aanwijzingen dat de erven Gutmann op enig moment afstand hebben gedaan van hun rechten met betrekking tot de overgebleven voorwerpen. Indien het huidige NK 3223 a-e geen onderdeel van gemelde verkoop aan Böhler en Haberstock zou hebben uitgemaakt, is evenmin sprake van een afgehandelde zaak. Er zijn immers geen aanwijzingen dat verzoekers na de oorlog om restitutie van het kaststel hebben verzocht, en evenmin zijn aanwijzingen gevonden dat het kaststel ooit onderwerp was van naoorlogse onderhandelingen over teruggave. Verzoekers zijn derhalve in beide situaties ontvankelijk in hun restitutieverzoek.

  18. De commissie overweegt dat indien het huidige NK 3223 a-e onderdeel heeft uitgemaakt van de verkoop aan Böhler en Haberstock op 24 maart 1942, ten aanzien van de verkoopopbrengst van het te restitueren voorwerp het volgende kan worden gesteld. De koopsom werd tijdens de oorlog aan Trustenad gecedeerd. Anno 2010 valt niet meer te achterhalen of deze daadwerkelijk ten goede is gekomen aan het vermogen van de erven van Fritz Gutmann, hetgeen verzoekers bestrijden en de erven na de oorlog reeds betoogden. Op grond hiervan is de commissie van mening dat aan de afgifte van NK 3223 a-e, onder toepassing van het geldende restitutiebeleid, geen voorwaarde tot terugbetaling dient te worden verbonden. Zij verwijst hiervoor naar de vierde en vijfde aanbeveling van de Commissie Ekkart inzake particulier kunstbezit (april 2001), waarin met betrekking tot de afdracht van tijdens de oorlog ontvangen koopsommen wordt gesteld dat een verplichting tot terugbetaling uitsluitend bestaat indien de toenmalige verkoper of zijn erven de opbrengsten ter vrije beschikking hebben gekregen, en dat bij twijfel of men de opbrengsten daadwerkelijk heeft genoten, aan de rechthebbenden het voordeel van de twijfel dient te worden gegund. In het licht van de andersluidende beslissing van de rechter in 1952 beroept de commissie zich op ‘nova’ in de zin van het huidige restitutiebeleid, op grond waarvan een eerdere beslissing kan worden heroverwogen. Op grond van de tweede aanbeveling van de Commissie Ekkart uit april 2001 worden onder nova tevens verstaan ‘afwijkingen ten opzichte van de vonnissen die zijn uitgesproken door de Raad voor het Rechtsherstel (…) alsmede de resultaten van veranderd (historisch) inzicht ten aanzien van de rechtvaardigheid en consequentie van het toen uitgevoerde beleid’. Voorts overweegt de commissie dat, indien het huidige NK 3223 a-e uiteindelijk geen deel van gemelde verkoop heeft uitgemaakt, het volgende. Indien het kaststel anders dan door verkoop aan Böhler en Haberstock uit het bezit van Fritz Gutmann is geraakt, dan had de verplichting tot terugbetaling van de koopsom, opgelegd in 1952 door de rechtsherstelrechter, geen betrekking op het huidige NK 3223 a-e. De commissie kan in dat geval volstaan met de constatering dat met betrekking tot het onderhavige kaststel geen eventuele koopprijs bekend is en dat restitutie derhalve kan plaatsvinden zonder dat een verplichting dienaangaande aan verzoekers hoeft te worden opgelegd.

CONCLUSIE

De Restitutiecommissie adviseert de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om het kaststel NK 3223 a-e te restitueren aan de erfgenamen van Friedrich Bernhard Eugen Gutmann.
De Restitutiecommissie adviseert de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om de claim van verzoekers II op het kaststel NK 3223 a-e af te wijzen.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 6 december 2010 door W.J.M. Davids (voorzitter), J.Th.M. Bank, P.J.N. van Os, D.H.M. Peeperkorn, E.J. van Straaten, H.M. Verrijn Stuart, I.C. van der Vlies (vice-voorzitter), en ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

(W.J.M. Davids, voorzitter)      (E. Campfens, secretaris)

-----------------------
[1] Het adviesverzoek van de minister van 18 april 2007 betreffende de door verzoekers I ingediende claim, zag op de objecten NK 596, NK 605, NK 688, NK 1960, NK 3147 A-B, NK 3214, NK 3215, NK 3216, NK 3217 en NK 3223 a-e. De Restitutiecommissie registreerde dit adviesverzoek aanvankelijk onder dossiernummer RC 1.74. Het adviesverzoek van de minister van 16 augustus 2007 betreffende de door verzoekers II ingediende claim zag oorspronkelijk op de bovengenoemde NK-werken, met uitzondering van NK 688. Dit adviesverzoek werd aanvankelijk door de Restitutiecommissie geregistreerd onder dossiernummer RC 1.94. Op 22 april 2009 lieten verzoekers II weten dat zij de objecten NK 605, NK 1960, NK 3147 A-B, NK 3214, NK 3215, NK 3216 en NK 3217 niet langer claimden. Daarnaast volgde op 15 juni 2009 een adviesverzoek van de minister betreffende een door verzoekers II ingediende claim op NK 688, NK 2758, NK 2947, NK 2965, NK 2966 en NK 2967. Naar aanleiding van deze ontwikkelingen heeft de commissie besloten tot een herverdeling van de dossiers Gutmann, zoals in het onderhavige advies uiteengezet.
[2] Op 24 februari 2010 heeft de Staatssecretaris van OCW het restitutiedossier van de minister overgenomen.