Een sculptuur uit de collectie van Fritz Gutmann (Gutmann III-B)

NK688 (Foto: Museum Catharijneconvent Utrecht/Ruben de Heer)

Advies inzake een sculptuur uit de collectie van Fritz Gutmann

Dossiernummer: 
1.114-B
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
11 april 2011
Periode bezitsverlies: 
1940-1945
Oorspronkelijke eigenaar: 
Particulier
Plaats bezitsverlies: 
In Nederland

Bij brief van 18 april 2007 heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) de Restitutiecommissie (hierna: de commissie) om advies gevraagd over een restitutieverzoek van S.G., N.G. en L.V.C.-G. (hierna: verzoekers) met betrekking tot objecten die mogelijk tot het bezit van F.B.E. Gutmann (1886-1944) hebben behoord. Dit restitutieverzoek ziet onder meer op een sculptuur die onder inventarisnummer NK 688 deel uitmaakt van de Nederlands Kunstbezit-collectie in beheer van het Rijk (hierna: NK-collectie). Deze sculptuur, die thans in bruikleen is bij het Museum Catharijneconvent te Utrecht, is beschreven als: NK 688: Onbekend, Pietà, Zuid-Duitsland, 15e eeuw, lindehout, 97.0 x 69.0 x 33.0 cm.

In het onderhavige advies volgt het oordeel van de commissie over de claim van de erven F.B.E. Gutmann op NK 688.

DE PROCEDURE

Bij brief van 15 juni 2009 verzocht de minister de Restitutiecommissie tevens om advies over een restitutieverzoek van (onder meer) NK 688 van N.P., F.F., M.M, C.E.G. en N.M.G. in hun hoedanigheid van erfgenamen van Herbert M. Gutmann, de broer van F.B.E. Gutmann. Deze tweede claim op NK 688 is voor de commissie aanleiding geweest voor een herindeling van verschillende dossiers Gutmann (RC 1.74, RC 1.94, RC 1.113, RC 1.114 en RC 1.115). Voor de procedurele bijzonderheden in deze zaak verwijst de commissie naar haar adviezen van 19 juni 2010 (RC 1.113) en van 6 december 2010 (RC 1.114-A), en naar de zaak RC 1.115 die thans nog in behandeling is van de commissie. Omdat deze tegenstrijdige claim van de erfgenamen van H.M. Gutmann op NK 688 bij brief van 31 maart 2011 is ingetrokken, kan deze in dit advies verder buiten beschouwing blijven.
De aan dit advies ten grondslag liggende adviesaanvraag van 18 april 2007 met betrekking tot de claim van de erven van Fritz Gutmann, ziet mede op een aantal andere kunstvoorwerpen. Voor wat betreft de advisering over de andere kunstwerken dan NK 688, wordt verwezen naar de adviezen van de commissie van 19 juni 2010 (RC 1.113) en 6 december 2010 (RC 1.114-A).
Het onderzoeksrapport van de commissie inzake NK 688 (RC 1.114-B) is vastgesteld op 11 april 2011. Voor de feiten die ten grondslag liggen aan het onderhavige advies verwijst de commissie naar dit onderzoeksrapport.

OVERWEGINGEN

    1. Verzoekers zijn de erfgenamen van Friedrich Bernhard Eugen Gutmann (hierna: Fritz Gutmann), zoals blijkt uit een verklaring van erfrecht, verleden op 18 maart 2005 voor mr. M.R. Meijer, notaris te Amsterdam. Verzoekers hebben gesteld dat de onderhavige sculptuur eigendom was van Fritz Gutmann en dat hij het bezit daarvan onvrijwillig heeft verloren door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime.

    2. Fritz Gutmann, vader en grootvader van verzoekers, werd op 15 november 1886 geboren als zoon van de bankier Eugen Gutmann. Hij trad in het huwelijk met Louise baronesse von Landau, met wie hij twee kinderen kreeg, te weten B. Gutmann (later: B. Goodman) (1914-1994) en L. Gutmann (geboren 1919). In 1918 vestigde Fritz Gutmann zich in Nederland en in 1924 verkreeg hij de Nederlandse nationaliteit. Fritz Gutmann woonde met zijn gezin op het landgoed Huize Bosbeek bij Heemstede, waar hij een omvangrijke kunstcollectie bijeenbracht.

    3. De dreigende internationale situatie bracht het echtpaar Gutmann-Von Landau ertoe vanaf 1939 zoveel mogelijk van hun kunstwerken te verkopen of naar het buitenland over te brengen. Zo heeft het echtpaar medio april 1939 kunstvoorwerpen naar Parijs gezonden. Na de Duitse inval in Nederland maakte het echtpaar Gutmann-Von Landau een vluchtplan. Tijdens de bezetting verkocht Fritz Gutmann bij drie transacties een groot aantal kunstvoorwerpen aan de Duitse kunsthandelaren Böhler en Haberstock. Het plan van het echtpaar Gutmann-Von Landau om naar het buitenland te vluchten mislukte, en in 1943 werden zij gearresteerd en overgebracht naar het concentratiekamp Theresienstadt. Daar werd Fritz Gutmann in 1944 om het leven gebracht. Zijn echtgenote Louise von Landau is in datzelfde jaar in Auschwitz omgebracht. De twee kinderen van het echtpaar overleefden de oorlog.

    4. De kunstwerken die het echtpaar Gutmann in april 1939 naar Parijs overbracht, werden ondergebracht bij de kunsthandel Paul Graupe & Co. (hierna: kunsthandel Graupe), gevestigd aan de Place Vendôme 16 te Parijs. Paul Graupe was een joodse kunsthandelaar die tijdens het naziregime uit Duitsland was uitgeweken om zich in 1936 in Parijs te vestigen. Hij dreef de kunsthandel samen met zijn compagnon Arthur Goldschmidt. Na de oorlog verklaarde Goldschmidt in een brief van 20 november 1945, dat kunsthandel Graupe al voor het uitbreken van de oorlog voorwerpen onder zich had voor Fritz Gutmann.

    5. Aan het begin van de oorlog is beslag gelegd op alle goederen die werden aangetroffen in het pand van kunsthandel Graupe aan de Place Vendôme 16. Hierna zijn goederen uit het pand weggehaald, waarbij de Duitsers Josef Angerer, één van de belangrijkste kunstinkopers van Göring, en Fritz Schmidt een leidende rol hebben gespeeld. Daarnaast heeft de roofinstelling Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg (ERR) objecten in beslag genomen die kunsthandel Graupe had opgeslagen in het pand aan de Boulevard Raspail 236 te Parijs. Dit pand was in eigendom van mevrouw Wacker-Bondy (hierna ook: het pand Wacker-Bondy). Hieronder bevonden zich voorwerpen die kunsthandel Graupe voor Fritz Gutmann onder zich had. Een aantal andere in het pand Wacker-Bondy opgeslagen kunstwerken uit het bezit van Fritz Gutmann is in 1941 aangekocht door de kunsthandelaar Karl Haberstock. Uit het onderzoek is niet gebleken dat zich onder de door Haberstock aangekochte voorwerpen ook de thans geclaimde Pietà (NK 688) bevond.

    6. In een brief van 20 mei 1946 van de afdeling Bünde (Duitsland) van de Monuments, Fine Arts and Archives Branch (hierna: MFA&A) van het geallieerde leger worden voorwerpen genoemd die tijdens de oorlog door de bezetter zouden zijn weggehaald uit het pand Wacker-Bondy aan de Boulevard Raspail 236. Hieronder bevond zich een voorwerp omschreven als ‘Pieta, (woodsculpture, Austrian c. 1420)’. Als eigenaar van de voorwerpen wordt kunsthandel Graupe genoemd. Na de oorlog heeft de zoon van Paul Graupe verschillende lijsten betreffende vermiste kunstwerken toegestuurd aan de Franse restitutieautoriteiten. Het betreft onder meer een lijst met de titel 'LISTE I B DES TABLEAUX VOLES 16 Place Vendôme' (hierna: lijst I B). Onder de titel van deze lijst is vermeld ‘Il est possible que certains de ces objets se trouvaient chez Madame WACKER-BONDY 236 Boulevard Raspail (...)’. Op deze lijst wordt onder nummer 12 het object 'Sculpture / [photo n°] 16 / Piéta' vermeld. In een brief van 5 maart 1965 schreef Rose Valland, chef van de Service de Protection des Oeuvres d’Art, met betrekking tot de voorwerpen op de bovengenoemde lijst I B, die werden geclaimd uit naam van kunsthandel Graupe, dat het onmogelijk was om vast te stellen welke van deze voorwerpen eigendom waren van kunsthandel Graupe en welke bij deze kunsthandel in bewaring waren voor derden.

      Beoordeling claim

    7. Voor de beoordeling van de onderhavige claim is op grond van het geldende restitutiebeleid allereerst van belang of het eigendomsrecht van Fritz Gutmann op het huidige NK 688 in hoge mate aannemelijk is.

    8. Het huidige NK 688 is in mei 1945 door Amerikaanse militairen aangetroffen in de kunstcollectie van Hermann Göring en op 3 juni 1947 vanuit München naar Nederland gerecupereerd. Medio augustus 1947 vulde de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK) een intern aangifteformulier in met betrekking tot deze sculptuur. Op dit formulier is genoteerd dat de Pietà oorspronkelijk in bezit was van ‘Hoogendijk, Amsterdam’. Hiermee wordt gedoeld op de kunsthandel D.A. Hoogendijk & Co. te Amsterdam. Uit het onderzoek van de commissie is echter gebleken dat deze vermelding hoogstwaarschijnlijk op een vergissing berust. In het archief van het Ministère des Affaires étrangères et européennes te Parijs zijn 34 foto’s aangetroffen onder de naam Gutmann. Eén van deze foto's toont een Pietà. Het Museum Catharijneconvent heeft de commissie desgevraagd laten weten dat de afgebeelde Pietà het huidige NK 688 betreft. Op de achterzijde van de foto is onder meer genoteerd: ‘Gutman Friederich’. Ook staat er op de achterzijde een letter-cijfercode, waaruit kan worden afgeleid dat deze foto, samen met de 33 andere foto’s, aanvankelijk in een ander dossier werd bewaard, waarvan de papieren omslag het opschrift draagt: 'Mr. Gutmann /Correspondant: / Dr J.R.R. Scheller / Cliostraat 5" Amsterdam'. Scheller was de naoorlogse bewindvoerder over het vermogen van Fritz Gutmann en beheerder van de Firma F. Gutmann in liquidatie. Na de oorlog heeft hij met de SNK en met verschillende andere instanties in binnen- en buitenland gecorrespondeerd over vermiste kunstwerken van de familie Gutmann. Mogelijk heeft Scheller in dit kader onder meer de bovengenoemde foto van het huidige NK 688 aan de Franse autoriteiten toegestuurd, en behoorde deze sculptuur tot de door Fritz Gutmann naar Frankrijk verzonden kunstwerken.

    9. Verzoekers stellen dat het huidige NK 688 deel heeft uitgemaakt van de collectie van Fritz Gutmann. De Pietà is volgens verzoekers tijdens de Tweede Wereldoorlog door roof in Frankrijk uit het bezit geraakt van Fritz Gutmann. Zij hebben verklaard dat de Pietàwas part of Fritz Gutmann’s collection that was looted from the Paul Graupe Gallery, 16 Place Vendome, Paris or their storage at 20 Ave. Rapp and the Wacker-Bondy warehouse 236 Boulevard Raspail (by the E.R.R. or others)’. Ter onderbouwing van hun stellingen hebben verzoekers verschillende documenten overgelegd, waaronder een handgeschreven en een getypte versie van de onder overweging 6 genoemde lijst I B, waarop onder nummer 12 een sculptuur ‘Piéta’ wordt vermeld. Ook hebben verzoekers kopieën toegestuurd van de onder overweging 8 genoemde foto met op de achterzijde de aantekening ‘Gutman Friederich’.

    10. De achtste aanbeveling van de Commissie Ekkart (2001) noemt als een voorwaarde voor restitutie dat het eigendomsrecht van het geclaimde voorwerp in hoge mate aannemelijk is terwijl er geen aanwijzingen zijn die dat tegenspreken.

    11. Met betrekking tot de vraag of het huidige NK 688 eigendom is geweest van Fritz Gutmann acht de commissie de volgende feiten en omstandigheden van belang:
      - De verwijzing naar Fritz Gutmann (‘Gutmann, Friedrich’) op de achterzijde van een foto van een sculptuur, die door de deskundigen van het Museum Catharijneconvent is geïdentificeerd als het huidige NK 688, welke foto is aangetroffen in het archief van de Franse recuperatie- en restitutieautoriteiten.
      - Op de achterkant van deze foto staat voorts een lettercijfercode die verwijst naar dr. Scheller, de naoorlogse bewindvoerder over het vermogen van Fritz Gutmann, die na de oorlog met de Franse restitutieautoriteiten heeft gecorrespondeerd over vermiste kunstwerken van Fritz Gutmann.
      - Fritz Gutmann heeft medio april 1939 kunstwerken ondergebracht bij kunsthandel Graupe, te Parijs.
      - Op de lijst I B staat onder nummer 12 een sculptuur van een Pietà vermeld tussen de voorwerpen die tijdens de oorlog bij kunsthandel Graupe in beslag zijn genomen.
      - In de brief van Arthur Goldschmidt van 20 november 1945 wordt gemeld dat kunsthandel Graupe voorwerpen in consignatie had voor Fritz Gutmann.
      - Er zijn bij het onderzoek geen aanwijzingen gevonden dat Fritz Gutmann ooit kunstwerken aan kunsthandel Graupe heeft verkocht.

    12. Op grond van het bovenstaande oordeelt de commissie dat het in hoge mate aannemelijk is dat het huidige NK 688 tijdens de oorlog eigendom was van Fritz Gutmann. Zoals gemeld vereist de achtste aanbeveling van de Commissie Ekkart voorts dat er geen aanwijzingen zijn die deze conclusie tegenspreken. De commissie heeft onderzocht of de brief van de afdeling Bünde van de MFA&A van 20 mei 1946, waarin kunsthandel Graupe wordt genoemd als eigenaar van de in die brief vermelde objecten, waaronder een Pietà, een dergelijke aanwijzing zou kunnen zijn. Uit archiefdocumentatie leidt de commissie echter af dat de zoon van Paul Graupe na de oorlog claims indiende voor alle kunstwerken die bij kunsthandel Graupe in beslag waren genomen. Dit betrof ook objecten van derden – zoals Fritz Gutmann – die de kunsthandel onder zich had. Hieromtrent was de zoon van Paul Graupe van oordeel dat het in de rede lag dat hij deze aan de betreffende eigenaren zou restitueren. Vermoedelijk is dit de reden dat in gemelde brief van de MFA&A de herkomst Graupe aan de Pietà is gekoppeld. De commissie is dan ook van oordeel dat de brief van de MFA&A onvoldoende gewicht in de schaal legt om afbreuk te doen aan de conclusie dat in hoge mate aannemelijk is dat het huidige NK 688 eigendom was van Fritz Gutmann.

    13. Op grond van het geldende restitutiebeleid kan tot teruggave worden overgegaan indien de oorspronkelijke eigenaar het bezit van het thans geclaimde voorwerp onvrijwillig heeft verloren, door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime. Met betrekking tot de aard van het bezitsverlies overweegt de commissie het volgende. Uit het feitencomplex is voldoende duidelijk geworden dat het huidige NK 688 zich bevond tussen de voorwerpen die de Parijse kunsthandel Graupe tijdens de oorlog onder zich had en die in beslag zijn genomen in het pand aan de Place Vendôme 16 of het pand Wacker-Bondy aan de Boulevard Raspail 236. Op grond hiervan is de commissie van oordeel dat Fritz Gutmann het bezit van de Pietà onvrijwillig heeft verloren als direct gevolg van het naziregime.

    14. Na de oorlog hebben de erven van Fritz Gutmann zich ingespannen om de door hun vader verloren kunstwerken terug te krijgen. In het kader hiervan is op 1 juli 1952 door de rechtsherstelrechter een vonnis gewezen, waarbij de erven in hun eigendom werden hersteld van voorwerpen die Fritz Gutmann tijdens de bezetting van Nederland aan Böhler en Haberstock had verkocht en de Nederlandse Staat onder zich had. Dit vonnis had echter geen betrekking op het onderhavige NK 688 en kan daarom verder buiten beschouwing blijven. De commissie stelt dat ook voor het overige niet is gebleken dat sprake zou kunnen zijn van een afgehandelde zaak. Er zijn geen aanwijzingen dat verzoekers na de oorlog restitutie hebben verzocht van de Pietà. Verzoekers zijn derhalve ontvankelijk in hun restitutieverzoek.

    15. De erven van Fritz Gutmann hebben in de jaren zestig getracht een schadevergoeding te krijgen van de West-Duitse regering voor een aantal tijdens de oorlog verdwenen kunstwerken van hun vader. Uit het onderzoek is gebleken dat de erven destijds een bedrag van DM 61.625 hebben ontvangen, als vergoeding voor het verlies van drie schilderijen. In antwoord op een informatieverzoek van de commissie hebben de Duitse instanties gemeld dat deze schadevergoeding geen betrekking had op de thans geclaimde sculptuur NK 688. De commissie is van mening dat gemelde schadevergoeding in de onderhavige zaak buiten beschouwing kan blijven.

    CONCLUSIE

      De Restitutiecommissie adviseert de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om de sculptuur NK 688 te restitueren aan de erfgenamen van Friedrich Bernhard Eugen Gutmann.

      Aldus vastgesteld in de vergadering van 11 april 2011 door W.J.M. Davids (voorzitter), J.Th.M. Bank, P.J.N. van Os, D.H.M. Peeperkorn, E.J. van Straaten, H.M. Verrijn Stuart, I.C. van der Vlies (vice-voorzitter), en ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

      (W.J.M. Davids, voorzitter)    (E. Campfens, secretaris)