Gutmann (IV-A)

NK 2758 (foto: RCE)

Advies inzake Herbert Gutmann

Dossiernummer: 
1.115-A
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
19 december 2011
Periode bezitsverlies: 
onbekend
Oorspronkelijke eigenaar: 
Particulier

Advies inzake Herbert Gutmann [1]

Bij brief van 15 juni 2009 heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) de Restitutiecommissie (hierna: de commissie) om advies gevraagd over het restitutieverzoek van 24 februari 2009 van N.P., F.FG., M.MF., C.E.G. en N.M.G. (hierna: verzoekers). Het restitutieverzoek heeft betrekking op verschillende objecten uit de Nederlands Kunstbezit-collectie in beheer van het Rijk (hierna: NK-collectie). Het onderhavige advies betreft de volgende vier sculpturen:
- NK 2758, Anoniem, Hercules en het Erymanthische everzwijn, Italië, 19e eeuw, brons.
- NK 2965, Anoniem (voormalige toeschrijving P. Tacca), Faun, Frankrijk, 19e eeuw, brons.
- NK 2966, Anoniem (voormalige toeschrijving P. Tacca), Faun, Frankrijk, 19e eeuw, brons.
- NK 2967, Anoniem, Borstbeeld van een Jezuïet, Italië, circa 1625, brons.

DE PROCEDURE

De commissie heeft het adviesverzoek van de minister van 15 juni 2009 aanvankelijk geregistreerd onder zaaknummer RC 1.115. De minister heeft, bij brief van 9 november 2009, de commissie vervolgens verzocht om een restitutieverzoek inzake een schaal van aardewerk (NK 615) aan het dossier van de commissie toe te voegen. Dit voorwerp was door verzoekers eveneens geclaimd in hun brief van 24 februari 2009, maar destijds niet door de minister voor advies voorgelegd. De commissie heeft de claim op NK 615 vervolgens ondergebracht in het dossier RC 1.115.
In het kader van het adviesverzoek van de minister heeft de commissie een onderzoek naar de feiten uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een conceptonderzoeksrapport van 20 juni 2011. De commissie heeft dit conceptrapport bij brief van 19 juli 2011 voor commentaar toegestuurd aan verzoekers. Tevens heeft de commissie bij brief van 11 juli 2011 de erven van Fritz Gutmann, een andere tak van de familie, om nadere informatie gevraagd over de aard van het bezitsverlies van de thans geclaimde kunstvoorwerpen en NK 615. Hierop hebben de erven van Fritz Gutmann bij brief van 28 juli 2011 laten weten geen aanvullend feitelijk materiaal te hebben. Wel hebben zij naar aanleiding hiervan op 11 augustus 2011 eveneens een claim op NK 615 uitgebracht. Deze tweede claim op NK 615 is door de minister vervolgens bij brief van 6 september 2011 aan de commissie voorgelegd.
Naar aanleiding van het voorgaande heeft de commissie besloten het dossier RC 1.115 te splitsen in twee dossiers. De kunstvoorwerpen die uitsluitend door de erven van Herbert Gutmann worden geclaimd, zijn ondergebracht in dossiernummer RC 1.115-A, waarover hieronder het deeladvies van de commissie volgt. Het deeladvies RC 1.115-B inzake NK 615 zal, in verband met de concurrerende claims van twee takken van de familie Gutmann, op een later moment worden uitgebracht.
Verzoekers hebben na herhaald uitstel bij brief van 31 oktober 2011 op het conceptonderzoeksrapport gereageerd. In deze brief hebben verzoekers hun aanvankelijke claim op NK 2947 ingetrokken. Het conceptonderzoeksrapport is naar aanleiding van de reactie van verzoekers aangepast. Vervolgens is het onderzoeksrapport vastgesteld op 19 december 2011. Voor de feiten die ten grondslag liggen aan het onderhavige advies verwijst de commissie naar dit onderzoeksrapport.
Verzoekers hebben zich tijdens de procedure laten bijstaan door advocaat O. Ossmann te Winterthur (Zwitserland).

OVERWEGINGEN

  1. Verzoekers verklaren erfgenamen te zijn van Herbert Max Magnus Gutmann (hierna: Herbert Gutmann). De commissie heeft in dit kader kennisgenomen van enkele erfrechtelijke stukken, op grond waarvan zij geen aanleiding heeft gezien te twijfelen aan de status van verzoekers als rechthebbenden ten aanzien van het vermogen van Herbert Max Gutmann.

    Verzoekers stellen dat de thans geclaimde voorwerpen tot de onverdeelde nalatenschap behoorden van de in 1925 overleden Eugen Gutmann en dat zijn zoon Herbert Gutmann voor een zesde deel tot deze nalatenschap was gerechtigd. Voorts stellen verzoekers dat de thans geclaimde voorwerpen onvrijwillig zijn verloren tijdens het naziregime door Fritz Gutmann, eveneens een zoon van Eugen Gutmann, die de tot gemelde nalatenschap behorende kunstcollectie namens de zes erven beheerde.

  2. De relevante feiten zijn in het onderzoeksrapport van 19 december 2011 beschreven. Hier wordt volstaan met de volgende samenvatting.

    De vader van Herbert Gutmann, de joodse bankier Eugen Gutmann (1840-1925), was medeoprichter van de in 1872 gevestigde Dresdner Bank AG te Dresden. Hij was gehuwd met Sophie Magnus (1852-1915), met wie hij zeven kinderen kreeg, te weten Lili, Antonie (Toinon), Walter, Herbert, Kurt, Max en Fritz Gutmann. Het gezin verhuisde naar Berlijn toen het hoofdkantoor van de Dresdner Bank in 1884 naar die stad werd verplaatst. Eugen Gutmann legde een kunstverzameling aan die in de kunstwereld van zijn tijd welbekend was. Deze collectie werd na de dood van Eugen Gutmann in 1925 door vererving gemeenschappelijk eigendom van zijn zes kinderen, ieder voor een zesde onverdeeld aandeel (de oudste zoon Walter was reeds in 1917 overleden).

    In Amsterdam was op 4 juli 1921 de N.V. Trust & Administratie Maatschappij (Trustenad) opgericht om de zakelijke belangen van de kinderen van Eugen Gutmann te behartigen.

  3. Herbert Gutmann werd op 15 oktober 1879 geboren als vierde kind van Eugen Gutmann. In 1903 werd hij onderdirecteur van de afdeling van de Dresdner Bank te Londen. Met zijn echtgenote Daisy Stephanie Thekla Anna Bertha Luise von Frankenberg und Ludwigsdorf(f) kreeg Herbert Gutmann drie kinderen. Het gezin woonde afwisselend in Berlijn en Potsdam, waar Herbert Gutmann zijn eigen kunstcollectie bijeenbracht. Tijdens het naziregime verkeerde de Dresdner Bank, die onder rijkstoezicht stond, onder de invloed van de nationaal-socialisten. Herbert Gutmann werd gedwongen zich uit diverse adviesorganen van de bank terug te trekken. Begin jaren dertig zag hij zich tevens voor financiële problemen geplaatst. In april 1934 liet hij zijn kunstcollectie veilen en in oktober 1936 verliet hij Duitsland om zich in Londen te vestigen. Herbert Gutmann overleed op 22 december 1942 in Engeland.

  4. De collectie Eugen Gutmann is na zijn overlijden beheerd door Fritz Gutmann. Deze had zich in 1918 in Nederland gevestigd en in 1924 de Nederlandse nationaliteit verkregen. Fritz Gutmann woonde met zijn gezin op het landgoed Huize Bosbeek bij Heemstede, waar ook hij een eigen omvangrijke kunstcollectie bijeenbracht. De kunstvoorwerpen uit de collectie van zijn vader Eugen Gutmann werden door hem in Huize Bosbeek bewaard in een aparte kluis. In de periode na het overlijden van Eugen Gutmann lijken zich verschillende veranderingen voorgedaan te hebben in de samenstelling van de collectie Eugen Gutmann. Zo werden in die jaren verscheidene kunstwerken uit de verzameling verkocht. Daarnaast zijn enkele kunstwerken uit de collectie Eugen Gutmann op enig moment in consignatie gegeven bij de kunsthandel K.W. Bachstitz in Den Haag, zo blijkt uit het onderzoek.

  5. Van de thans geclaimde sculpturen is bekend dat deze in 1946 vanuit Duitsland naar Nederland zijn gerecupereerd. Dit vond plaats op grond van het feit dat deze voorwerpen tijdens de oorlog in Nederland door de bezetter waren verworven uit de collectie Mannheimer, waarvan deze sculpturen in ieder geval vanaf 25 juni 1934 (zie overweging 8) deel uitmaakten.

  6. De achtste aanbeveling van de Commissie Ekkart (2001) noemt als een voorwaarde voor restitutie dat het eigendomsrecht van de geclaimde voorwerpen in hoge mate aannemelijk is terwijl er geen aanwijzingen zijn die dat tegenspreken. Bij de beoordeling van de onderhavige claim dient derhalve allereerst te worden bekeken of het eigendomsrecht van Herbert Gutmann met betrekking tot de thans geclaimde voorwerpen in hoge mate aannemelijk is. Daarbij is het van belang dat dit eigendomsrecht gedateerd kan worden op een voor het huidige restitutieverzoek relevant moment.

  7. Uit het bronnenonderzoek blijkt dat de thans geclaimde sculpturen in elk geval in 1912 deel uitmaakten van de collectie van de vader van Herbert, Eugen Gutmann. De objecten NK 2758, NK 2965, NK 2966 en NK 2967 zijn alle vier vermeld in de catalogus Die Kunstsammlung Eugen Gutmann uit 1912, samengesteld door Otto von Falke.

  8. Met betrekking tot het tijdstip en de omstandigheden van het bezitsverlies door Eugen Gutmann, of door de gerechtigden tot diens nalatenschap, is bij het onderzoek het volgende bekend geworden. In een catalogus van de collectie Mannheimer, gedateerd november 1935 – maart 1936, zijn de thans geclaimde sculpturen opgenomen, waarbij als herkomstinformatie is vermeld: ‘Aus der Sammlung Eugen Gutmann’.

    Fritz Mannheimer was een joodse bankier en kunstverzamelaar en beherend vennoot van de bank Mendelssohn & Co te Amsterdam. Mannheimer bracht in de loop der jaren in zijn villa in Amsterdam een kunstcollectie bijeen. Op 25 juni 1934 droeg Mannheimer zijn collectie ten titel van zekerheid voor een schuld over aan de vennootschap naar Engels recht Artistic, waarvan de bank Mendelssohn & Co te Amsterdam enig aandeelhouder was. Na de overdracht bleef de collectie in het huis van Mannheimer achter.

    Voor de onderhavige claim is van belang dat Mannheimer de thans geclaimde sculpturen kennelijk voor 25 juni 1934 heeft verworven. Dit blijkt uit het feit dat deze sculpturen elk zijn voorzien van een zogenoemd ‘Artistic nummer’. Deze inventarisnummers waren toegekend aan de objecten die Mannheimer in 1934 aan de vennootschap Artistic had overgedragen.

    Tijdens de bezetting zijn de onderhavige sculpturen samen met de rest van de collectie Mannheimer aangekocht door de bezettingsautoriteiten, waarna zij naar Duitsland zijn overgebracht.

  9. Wat betreft de vraag of de thans geclaimde sculpturen tijdens het naziregime nog mede-eigendom waren van Herbert Gutmann, overweegt de commissie het volgende. Gezien de vermelding van de sculpturen in de catalogus van de collectie Mannheimer en de vermelding van de zogenoemde ‘Artistic nummers’ bij de geclaimde werken (zie overweging 8), dient te worden geconcludeerd dat de onderhavige objecten in ieder geval voor 25 juni 1934 uit het bezit van de erven Eugen Gutmann zijn geraakt. Het is niet duidelijk geworden op welk moment dit precies heeft plaatsgehad. Mogelijk zijn de kunstwerken in de (lange) periode tussen 1912 en 1933, dus voor de aanvang van het naziregime, verkocht door Eugen Gutmann zelf of door diens erven.

    In dit verband merkt de commissie op dat gedurende de jaren twintig een deel van de kunstwerken uit de collectie van Eugen Gutmann is verkocht door Eugen Gutmann zelf, en na zijn dood in 1925 ook door zijn erven. Met name wordt gewezen op de verkoop van een huisaltaar dat eveneens deel uitmaakt van de Nederlandse Rijkscollectie (onder inventarisnummer NK 2947). Dit altaar, dat oorspronkelijk ook deel uitmaakte van de onderhavige claim, is waarschijnlijk tussen 1912 en 1927 door Eugen Gutmann of diens erven verkocht aan Fritz Mannheimer. In ieder geval bevond dit stuk zich in 1912 in de collectie Eugen Gutmann en in 1927 in de collectie Fritz Mannheimer. Dit laatste blijkt uit een artikel uit dat jaar, waarin dit altaar met afbeelding is vermeld. Onder de afbeelding is onder meer vermeld ‘Amsterdam, Dr. Mannheimer’. De commissie acht het niet uitgesloten dat de thans geclaimde werken, die samen met het huidige NK 2947 in de Mannheimer-catalogus zijn vermeld, in de (lange) periode tussen 1912 en 1927 aan Fritz Mannheimer zijn verkocht, mogelijk bij dezelfde transactie als NK 2947.

  10. In aanmerking genomen dat het onderzoek heeft uitgewezen dat tijdens de periode van eenentwintig jaar, tussen 1912 en 1933, diverse stukken uit de collectie Eugen Gutmann zijn verkocht aan Fritz Mannheimer, waaronder het huidige NK 2947 (zie overweging 9) overweegt de commissie dat er een niet te negeren kans bestaat dat de thans geclaimde werken eveneens voor het naziregime aan Mannheimer zijn overgedragen.

    De commissie is dan ook van oordeel dat niet in hoge mate aannemelijk is dat de thans geclaimde voorwerpen tijdens het naziregime nog behoorden tot de collectie Eugen Gutmann waarmee onvrijwillig bezitsverlies in de zin van het toepasselijke restitutiebeleid evenmin aannemelijk is.

CONCLUSIE

De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om de claim van verzoekers op NK 2758, NK 2965, NK 2966 en NK 2967 af te wijzen.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 19 december 2011 door W.J.M. Davids (voorzitter), J.Th.M. Bank, P.J.N. van Os, E.J. van Straaten, H.M. Verrijn Stuart, I.C. van der Vlies (vice-voorzitter), en ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

(W.J.M. Davids, voorzitter)                                      (E. Campfens, secretaris)



[1]     De commissie heeft eerder adviezen uitgebracht betreffende de familie Gutmann. Zo bracht zij op 6 december 2010 een advies uit inzake een kaststel (NK 3223a-e) dat werd geclaimd door de erven van Herbert Gutmann en door de erven van Fritz Gutmann (RC 1.114-A). Daarnaast heeft de commissie inzake de claims van de erven Fritz Gutmann de volgende adviezen uitgebracht: RC 1.2, RC 1.113, RC 1.114-B.