Jonas

NK2828 Portret van een man met een hond, anoniem (Foto: RCE)

Advies inzake Jonas

Dossiernummer: 
1.117
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
19 december 2011
Periode bezitsverlies: 
1940-1945
Oorspronkelijke eigenaar: 
Kunsthandel
Plaats bezitsverlies: 
Buiten Nederland

Bij brief van 17 november 2009 heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) de Restitutiecommissie (hierna: de commissie) om advies gevraagd over een restitutieverzoek van H.S. te P., Frankrijk (hierna: verzoekster) van 14 september 2009 met betrekking tot twee schilderijen die mogelijk tot het bezit van Edouard Jonas hebben behoord. Het betreft Portret van een man met een hond, anoniem en Landschap met vee in een ondiepe rivier van Theobald Michau, die thans onder de inventarisnummers NK 2828 en NK 2837 deel uitmaken van de Nederlands Kunstbezit-collectie in beheer van het Rijk (hierna: NK-collectie). Momenteel zijn deze schilderijen in bruikleen, NK 2828 bij het Bonnefantenmuseum te Maastricht en NK 2837 bij de Provincie Limburg[1].

DE PROCEDURE

In het kader van het adviesverzoek van de minister heeft de commissie een onderzoek naar de feiten uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een conceptonderzoeksrapport van 16 mei 2011. De commissie heeft dit conceptrapport bij brief van 8 augustus 2011 voor commentaar toegestuurd aan verzoekster, waarop zij bij brief van 14 september 2011 heeft gereageerd. Daarnaast is het conceptrapport voor feitelijke aanvulling toegezonden aan de minister bij brief van 8 augustus 2011. De minister heeft de commissie op 15 september 2011 laten weten geen aanvullende feiten onder de aandacht van de commissie te willen brengen. Het onderzoeksrapport is vervolgens vastgesteld op 19 december 2011. Voor de feiten in deze zaak verwijst de commissie naar het onderzoeksrapport. Verzoekster heeft zich tijdens de procedure voor de commissie laten vertegenwoordigen door I. Gielen, advocate te Berlijn, Duitsland.

OVERWEGINGEN

  1. Verzoekster heeft gesteld erfgename te zijn van Edouard Léon Jonas en in deze procedure op te treden mede namens de andere erven (‘on behalf of the community of heirs of Edouard Jonas’). De commissie heeft in dit kader kennisgenomen van enkele erfrechtelijke stukken op grond waarvan zij geen aanleiding ziet nader onderzoek in te stellen naar de status van verzoekster als mogelijk rechthebbende in het kader van dit verzoek. Volgens verzoekster heeft Edouard Léon Jonas het bezit van de geclaimde schilderijen in september 1940 door confiscatie verloren.

  2. Edouard Léon Jonas (hierna: Jonas) werd geboren te Parijs op 9 mei 1883 en stamde uit een familie van joodse antiquairs. Voor de oorlog dreef hij een kunsthandel aan de Place Vendôme 3 te Parijs. Voor zover de commissie heeft kunnen nagaan, betrof het een eenmanszaak. Volgens verzoekster had Jonas tevens een omvangrijke privé-kunstcollectie. Jonas was vanaf 1936, als député des Alpes Maritimes, lid van het Franse parlement voor de Union socialiste et républicaine. Jonas was in vierde en laatste echt gehuwd met Assunta Genova Maria Bertozzi. Zijn drie eerdere huwelijken werden alle door echtscheiding ontbonden. Jonas overleefde de oorlog en overleed op 3 december 1961 in Parijs. Na de Duitse inval in Frankrijk op 13 mei 1940 heeft Jonas getracht zijn schilderijen en antieke meubels in veiligheid te brengen. Hij heeft deze voorwerpen in twee treinwagons op 1 en 10 juni 1940 naar Bordeaux gestuurd, waar ze werden opgeslagen bij de firma R. Médeville & Fils. Op grond van een wet van 23 juli 1940 en een verordening van 6 september 1940, afgekondigd door het Franse Vichy-regime, werd Jonas de Franse nationaliteit ontnomen, waarna zijn bezittingen verbeurd werden verklaard.

  3. Tussen 21 en 25 september 1940 werden de kunstwerken die Jonas in Bordeaux had laten opslaan geconfisqueerd door de Duitser Joseph Angerer, één van de belangrijkste kunstinkopers voor Hermann Göring, bijgestaan door de Franse politiefunctionaris L.L.. Blijkens het verslag van de confiscatie van Jonas’ bezittingen heeft L. daarbij tegen Angerer opgemerkt dat de inbeslaggenomen goederen van Jonas ten goede zouden moeten komen aan het Vichy-regime. Angerer zou desalniettemin hebben vastgehouden aan zijn eis dat de voorwerpen naar Parijs zouden worden overgebracht voor verzending aan Göring. De kunstwerken zijn vervolgens ook daadwerkelijk op last van Göring overgebracht naar Parijs, en vervolgens naar Duitsland.

  4. In een verklaring van 22 juni 1960 stelde Jonas met betrekking tot zijn in 1940 geconfisqueerde goederen, dat deze tot zijn persoonlijk eigendom behoorden. In een  rapport uit 1956 inzake Jonas is over de gebeurtenissen in 1940 vermeld: ‘Monsieur Jonas avait cru sage d’envoyer chez Medeville un confrere de Bordeaux une grande partie de ses marchandises’, waaruit naar voren komt dat het handelsvoorraad betreft.

  5. In Parijs zijn de voorwerpen geïnspecteerd en geïnventariseerd door onder meer Fritz Schmidt, een assistent van Angerer. Het verslag dat daarbij werd opgemaakt, is teruggevonden. Daarin zijn de uit het bezit van Jonas geconfisqueerde kunstwerken zeer summier beschreven, maar twee vermeldingen zouden betrekking kunnen hebben op de thans geclaimde werken. Het betreft: ‘1 portrait d’homme sur bois’, dat betrekking zou kunnen hebben op NK 2828 en ‘1 paysage hollandais’, waarbij het zou kunnen gaan om NK 2837.

  6. In een brief van 11 augustus 1941 schreef Oberkriegsverwaltungsrat dr. Voigt aan de Directeur des Domaines de la Seine te Parijs, dat een bedrag van FRF 233.200 (DM 11.660) op een bankrekening te Parijs zou worden gestort. Dit bedrag zou de geschatte tegenwaarde zijn voor de goederen van Jonas die in opdracht van Göring in beslag waren genomen in Bordeaux. In door de commissie aangetroffen documentatie wordt opgemerkt dat dit totaalbedrag gebaseerd was op ‘spotprijzen’ en was vastgesteld door een handlanger van de Duitsers. In een verklaring uit 1962, die de weduwe van Jonas aan de Duitse autoriteiten heeft gestuurd in het kader van een schadevergoedingsprocedure in Duitsland (zie overweging 7), heeft zij gemeld dat dit bedrag uiteindelijk via de Direction des Domaines aan Jonas is uitgekeerd.

  7. Na de oorlog hebben Jonas en zijn echtgenote getracht de in 1940 in Bordeaux geconfisqueerde goederen terug te krijgen. Daarbij heeft Jonas de hulp ingeroepen van Rose Valland, destijds chef van de Franse Service de Protection des Oeuvres d’Art. Dit leidde uiteindelijk tot de restitutie van diverse (in ieder geval vijf) in Duitsland teruggevonden schilderijen. Een groot aantal van de geconfisqueerde voorwerpen werd echter niet teruggevonden. In correspondentie met de Duitse autoriteiten over de vermiste schilderijen worden werken genoemd waarvan de beschrijving sterk overeenkomt met de thans geclaimde schilderijen. Zo wordt in een brief van 2 februari 1961 het schilderij: ‘Allemande 1571 Maître de Westphalie “Homme avec son chien” vermeld, terwijl Rose Valland in haar brief van 1 maart 1961 melding maakt van het schilderij: ‘Paysage hollandais - XVIIIº s. (…) attribué successivement à Theobald Michou et à l’Ecole de Tournai (I676-1765)’.

  8. De weduwe van Jonas heeft op 13 maart 1963 een schikking getroffen met de Duitse Staat ter hoogte van DM 500.000. Deze schikking betrof een regeling betreffende schadevergoedingsaanspraken die Jonas op dat moment kon doen gelden jegens de Duitse Staat (‘Abgeltung aller rückerstattungsrechtlichen Schadenersatzansprüche für sämtliche - den Geschädigten: Edouard Jéan Jonas in Frankreich - entzogenen Gegenstände’).

  9. Op grond van het geldende restitutiebeleid is het voor de beoordeling van de onderhavige claim van belang dat het eigendomsrecht van Jonas met betrekking tot de thans geclaimde schilderijen (NK 2828 en NK 2837) in hoge mate aannemelijk is en dat sprake is van onvrijwillig bezitsverlies als gevolg van omstandigheden die direct verband houden met het naziregime.

  10. Voor wat betreft de eigendomsvraag wordt allereerst verwezen naar de vermelding op de in Parijs opgemaakte lijst van geconfisqueerde kunstwerken, waarop de twee werken mogelijk voorkomen (zie hiervoor overweging 5). De omschrijving op deze lijst biedt echter onvoldoende houvast om de thans geclaimde schilderijen te kunnen identificeren.

    Daarnaast is in de herkomstreconstructie van Bureau Herkomst Gezocht (hierna: BHG) zowel bij het huidige NK 2828 als bij het huidige NK 2837 de naam ‘Jonas, Parijs’ vermeld, met de tijdsaanduiding oktober 1940. Deze reconstructie van BHG is mede gebaseerd op een na de oorlog door de geallieerden opgestelde lijst, afkomstig uit het Bundesarchiv Koblenz, met schilderijen uit de kunstcollectie van Hermann Göring. Op deze lijst zijn beide thans geclaimde werken vermeld met een verwijzing naar ‘Angerer, Jonas’ en ‘Bordeaux’.  

    NK 2828

  11. Ten aanzien van de identificatie van het huidige NK 2828 als voormalig bezit Jonas zijn de volgende feiten van belang. Op de in overweging 10 genoemde lijst uit het Bundesarchiv Koblenz betreffende de kunstcollectie van Hermann Göring is onder nummer 637 een schilderij vermeld van een‘Westfälischer Meister’. De op de lijst weergegeven omschrijving van dit schilderij komt zeer sterk overeen met het huidige NK 2828. Bij de omschrijving zijn de opmerkingen ‘Angerer Jonas Bordeaux’ en ‘Okt. 1940’ vermeld. Op de lijst wordt verwezen naar een schilderijenruil tussen Göring en de Amsterdamse kunsthandelaar Alois Miedl op 9 februari 1944. Deze ruil betreft een transactie tussen Hermann Göring en Alois Miedl dan wel de op dat moment door laatstgenoemde gedreven ‘Kunsthandel voorheen J. Goudstikker NV’, te Amsterdam (hierna: Goudstikker-Miedl). Bij deze transactie werden op 9 februari 1944 circa 140 schilderijen uit de collectie van Göring geruild tegen het schilderij ‘Christus en de overspelige vrouw’, dat destijds aan Vermeer werd toegeschreven, maar later door de vervalser Han van Meegeren geschilderd bleek te zijn.

    Dat het schilderij als gevolg van een ruil met Miedl uit de collectie van Göring raakte, wordt bevestigd door een andere lijstuit het Bundesarchiv Koblenz, met de kop ‘Tausch Göring – Goudstikker 9.2.1944’. Op deze lijst is eveneens een werk van een‘Westfälischer Meister’ vermeld, waarbij wordt verwezen naar het nummer 637, dat ook op de eerdergenoemde lijst is vermeld.

    NK 2837

  12. Ook dit werk wordt genoemd op de bovenvermelde lijst betreffende de collectie Göring. Op de lijst is onder nummer 645 een schilderij vermeld van ‘Theobald Michau’, waarvan de beschrijving overeenkomt met de voorstelling op het huidige NK 2837. Bij de beschrijving van dit werk staan eveneens verwijzingen naar ‘Angerer Jonas Bordeaux’ en ‘Okt. 1940’. Op de lijst betreffende de ‘Tausch Göring (zie overweging 11), is een schilderij van Michau, Theobald’ vermeld met daarbij het op de Göring-lijst genoemde kenmerk ‘RM 645’.

  13. Na de confiscatie van de schilderijen uit het bezit van Jonas in Bordeaux in 1940 werden de werken overgebracht naar Duitsland, waar ze werden opgenomen in de collectie van Hermann Göring. In het kader van de op 9 februari 1944 overeengekomen ruil tussen Göring en Miedl, beschreven in overweging 11, kwamen de schilderijen in Nederland terecht, bij Goudstikker-Miedl. NK 2828 is vermoedelijk nooit verkocht door Goudstikker-Miedl. NK 2837 is op 1 april 1944 door Goudstikker-Miedl verkocht aan de Duitser dr. Erhard Göpel, die kunst inkocht ten behoeve van het te Linz op te richten Führermuseum. Na de oorlog is dit werk naar Nederland gerecupereerd. De Stichting Nederlands Kunstbezit (hierna: SNK) heeft de twee werken vervolgens in beheer gekregen. Er zijn bij het onderzoek geen aanwijzingen gevonden waaruit de commissie kan afleiden dat de SNK destijds wist dat de werken afkomstig waren uit het bezit van Jonas.

  14. De commissie acht het op grond van de in bovengenoemde overwegingen vermelde feiten in hoge mate aannemelijk dat de twee geclaimde werken (NK 2828 en NK 2837) uit het bezit van Jonas afkomstig zijn. Daarnaast oordeelt de commissie onder verwijzing naar overweging 3 en 4, dat de werken onvrijwillig, als gevolg van omstandigheden die direct verband houden met het naziregime, uit het bezit van Jonas zijn geraakt.

  15. Met betrekking tot het belang van de in overweging 8 omschreven schikking overweegt de commissie dat deze geen beletsel vormt voor de ontvankelijkheid van verzoekster in het kader van de onderhavige claim. Deze schikking met de Duitse Staat hield geen afstand in van haar rechten op de verloren kunstwerken, en daarnaast was de Staat der Nederlanden geen partij bij deze overeenkomst. Aangezien er geen aanwijzingen zijn dat de familie Jonas ooit een restitutieverzoek bij de Nederlandse autoriteiten heeft ingediend met betrekking tot de thans geclaimde werken, oordeelt de commissie dat geen sprake is van een in het verleden afgehandelde zaak in de zin van het toepasselijke restitutiebeleid.

  16. Omtrent de na de oorlog van de Franse respectievelijk Duitse staat ontvangen compensaties voor de in verband met de confiscatie van kunstwerken geleden totaalschade, overweegt de commissie het volgende. Voor zover al zou zijn vast te stellen welk deel van de ontvangen bedragen betrekking heeft op de thans geclaimde kunstwerken, is een eventuele terugbetaling van deze geldsom een aangelegenheid tussen de erven Jonas en de Franse respectievelijk Duitse staat. De commissie is dan ook van oordeel dat de Nederlandse Staat aan de teruggave van NK 2828 en NK 2837 geen voorwaarde dient te verbinden tot betaling.

  17. Met betrekking tot de vraag of de onderhavige schilderijen privébezit waren van Jonas of behoorden tot de handelsvoorraad van zijn kunsthandel (zie overweging 5), overweegt de commissie tot slot het volgende. In een uittreksel uit het Franse handelsregister van 1959 wordt Jonas aangemerkt als ‘Proprietaire exploitant’, op grond waarvan de commissie aanneemt dat de kunsthandel van Jonas een eenmanszaak betrof. Dit heeft voor het antwoord op de vraag wie thans als rechthebbenden moeten worden aangemerkt in geval van restitutie, de consequentie dat dit zowel in geval van handelsvoorraad als privé-eigendom van Jonas de rechthebbenden van de nalatenschap van Jonas zijn. Een nadere aanwijzing dat het een eenmanszaak betrof, vindt de commissie in het feit dat Jonas na de oorlog in persoon, en later zijn weduwe, door de Duitse autoriteiten als rechthebbende is aangemerkt met betrekking tot de werken die in Bordeaux in beslag waren genomen.

CONCLUSIE

De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om het schilderij Portret van een man met een hond, anoniem (NK 2828) en het schilderij Landschap met vee in een ondiepe rivier, van Theobald Michau (NK 2837), te restitueren aan de  rechthebbenden op de nalatenschap van Edouard Léon Jonas.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 19 december 2011 door W.J.M. Davids (voorzitter), J.Th.M. Bank, P.J.N. van Os, E.J. van Straaten, H.M. Verrijn Stuart, I.C. van der Vlies (vice-voorzitter), en ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

(W.J.M. Davids, voorzitter)                                      (E. Campfens, secretaris)



[1] Tekstcorrectie: NK 2837 bevindt zich in depot bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE)