Drie werken van Troost en Van der Mijn uit buitenlands bezit

NK 1672 (foto: RCE)

Advies inzake het verzoek tot teruggave van NK 1434, NK 1435 en NK 1672

Dossiernummer: 
1.14
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
7 februari 2005
Periode bezitsverlies: 
1933-1940
Oorspronkelijke eigenaar: 
Particulier
Plaats bezitsverlies: 
Buiten Nederland

(zaaknummers RC 1.14 en 1.20)

Bij brieven van 21 maart 2003 en 28 mei 2004 heeft de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de Restitutiecommissie om advies verzocht over de verzoeken van 10 februari 2003 en 24 oktober 2003 van erfgenamen van F.I.G. (hierna: verzoekers), vertegenwoordigd door dr. I. Gielen, advocate te Berlijn tot teruggave van de schilderijen Het kraambezoek en Het doktersbezoek van Cornelis Troost (NK 1434 en NK 1435) en Stilleven met iris, pioenen en andere bloemen in een vaas van Herman van der Mijn (NK 1672). Aangezien beide claims op hetzelfde feitencomplex berusten, heeft de Commissie besloten beide verzoeken samen te voegen tot één adviesaanvraag.

De feiten

Naar aanleiding van de eerste adviesaanvraag over de twee schilderijen van Troost heeft de Restitutiecommissie Bureau Herkomst Gezocht (hierna: BHG) verzocht een onderzoek naar de feiten in te stellen, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een voorlopig onderzoeksrapport van 5 augustus 2003. Bij dat onderzoek is ook betrokken het door verzoekers bij het restitutieverzoek gevoegde onderzoeksrapport van de Duitse historica M. Blumberg. Tijdens het onderzoek van BHG naar de schilderijen van Troost is gebleken dat zich een derde schilderij met herkomst G. in de Rijkscollectie bevindt, te weten het schilderij van Van der Mijn, NK 1672. De Commissie heeft de aanwezigheid van dit schilderij mondeling gemeld aan verzoekers, die vervolgens een nieuwe claim hebben ingediend. De onderzoeksresultaten van BHG omtrent het schilderij van Van der Mijn werden neergelegd in een afzonderlijk onderzoeksrapport van 5 augustus 2003. De onderzoeksrapporten over het schilderij van Van der Mijn en de twee schilderijen van Troost zijn door de Commissie herzien en op respectievelijk 30 augustus en 13 september 2004 door de Commissie vastgesteld en ter commentaar aan verzoekers gezonden. Verzoekers hebben korte reacties op beide onderzoeksrapporten aan de Commissie gestuurd, welke reacties in de onderzoeksrapporten verwerkt zijn.

Algemene overwegingen (ten aanzien van particulieren en kunsthandelaren)

    a) De Restitutiecommissie laat zich bij haar advisering leiden door de beleidslijnen terzake van de Commissie Ekkart en de regering.

    b) De Restitutiecommissie heeft zich de vraag gesteld of een uit te brengen advies invloed mag ondervinden van mogelijke consequenties voor de beslissing in latere zaken. De Commissie beantwoordt die vraag, behoudens bijzondere omstandigheden, ontkennend, omdat een dergelijke invloed bezwaarlijk kan worden tegengeworpen aan de betrokken verzoeker.

    c) De Restitutiecommissie heeft zich voorts afgevraagd op welke wijze moet worden omgegaan met het gegeven dat bepaalde feiten niet meer te achterhalen zijn, dat bepaalde gegevens verloren zijn gegaan of niet zijn teruggevonden, of anderszins bewijzen niet meer zijn bij te brengen. De Commissie is daaromtrent van mening dat, indien het tijdsverloop (mede) oorzaak is van de ontstane problemen, het risico daarvoor, behoudens bijzondere omstandigheden, behoort te liggen bij de overheid.

    d) De Restitutiecommissie is van mening dat inzichten en omstandigheden die naar algemene maatschappelijke opvattingen sinds de Tweede Wereldoorlog klaarblijkelijk zijn veranderd, gelijk mogen worden gesteld aan nova (nieuwe feiten).

       

      Algemene overweging (uitsluitend ten aanzien van kunsthandelaren)

      e) Onder onvrijwillige verkopen worden ook verstaan verkopen zonder instemming van de kunsthandelaar door Verwalters of andere niet door de eigenaar aangestelde beheerders uit de onder hun beheer gestelde oude handelsvoorraad, voor zover de oorspronkelijke eigenaars of hun erven niet het volledige profijt van de transactie hebben genoten en voor zover de eigenaar niet na de oorlog uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van rechten.

      Bijzondere overwegingen

        1. Verzoekers zijn erfgenamen van F.I.G. (1859-1939) en worden vertegenwoordigd door de advocate dr. I. Gielen. F.I.G. was een vermogende Duitse ondernemer van joodse afkomst, woonachtig te Berlijn en Potsdam-Neubabelsberg. Om aan het nazibewind te ontkomen, besloot het gezin G. in 1935 te emigreren. Voordat zij Duitsland konden verlaten, moesten zij voldoen aan zeer omvangrijke belastingverplichtingen die door het Duitse Rijk aan joodse burgers waren opgelegd (o.a. de Reichsfluchtsteuer en de Judenvermögensabgabe). De familie G. werd in totaal voor RM 914.000 aangeslagen. Dat noodzaakte de familie tot verkoop van het huis in Berlijn, inclusief de inboedel en kunstverzameling, waarvan de twee schilderijen van Troost en het schilderij van Van der Mijn deel uitmaakten. De schilderijen zijn op 19 augustus 1936 in Berlijn geveild. Nog voordat het gezin G. kon emigreren, overleed F.I.G. in 1939. Zijn vrouw M.G.-K. verliet Duitsland in 1940. In het licht van het bovenstaande en mede gezien aanbeveling 3 van de Commissie Ekkart, die adviseert om verkoop van kunstwerken door joodse particulieren in Duitsland vanaf 1933 te beschouwen als gedwongen verkoop tenzij nadrukkelijk anders blijkt, zijn de drie schilderijen onvrijwillig, door omstandigheden die direct verband houden met het nazi-regime, uit het bezit van G. geraakt.

        2. De twee schilderijen van Troost, NK 1434 en 1435, blijken na verkoop door G. in Berlijn bij de Amsterdamse joodse kunsthandel I. Rosenbaum N.V. terecht te zijn gekomen. Daar werden ze in april 1942 door Dienststelle Mühlmann geblokkeerd, om vervolgens op 9 juli 1942 opgeslagen te worden in de kelders van het Rijksmuseum Kröller-Müller te Otterlo. Pas nadat de schilderijen in 1944 naar Duitsland werden overgebracht, werd de koopsom betaald. Kunsthandel Rosenbaum stond sinds 10 april 1942 onder het beheer van een Verwalter. Het is niet bekend of de blokkade door Mühlmann in die maand plaatsvond voor of na het aantreden van de Verwalter. Ingevolge “Algemene Overweging” onder e kan verkoop door een Verwalter zonder instemming van de kunsthandelaar onder omstandigheden een onvrijwillige verkoop zijn, die in aanmerking kan komen voor restitutie van het verkochte schilderij. De Restitutiecommissie heeft daarom na kennisname van het feitenonderzoek besloten dat de erven/rechtsopvolgers van kunsthandel Rosenbaum in staat gesteld moeten worden eveneens een claim uit te brengen. De Commissie heeft bij brief van 26 november 2003 de staatssecretaris verzocht de erven Rosenbaum aan te schrijven. Bij brief van 3 december 2004 heeft het ministerie van OCW naar de Commissie een bericht van G.G. Stiebel van 24 oktober 2004 doorgestuurd. Stiebel is een achterneef van I. Rosenbaum en hij is vertegenwoordiger van de firma Rosenberg & Stiebel. Deze kunsthandel werd in New York in 1939 opgericht door familie van Saemy Rosenberg, de vooroorlogse directeur van kunsthandel I. Rosenbaum N.V. en een neef van de kinderloze I. Rosenbaum. Saemy Rosenberg voegde zich in de oorlog bij deze kunsthandel. In het bericht doet Stiebel afstand van de mogelijkheid een claim in te dienen wegens het bestaan van oudere aanspraken van G. In dezelfde brief attendeert Stiebel het ministerie op het bestaan van een kleinzoon van Saemy Rosenberg. De Restitutiecommissie heeft daarna besloten het ministerie van OCW niet te verzoeken deze mogelijke erfgenaam aan te schrijven, aangezien de Commissie Ekkart inmiddels in haar slotaanbevelingen een overweging had gewijd aan tegenstrijdige claims. Zie verder overweging 4 hieronder.

        3. Het schilderij van Van der Mijn, NK 1672, is op de veiling in 1936 gekocht door kunsthandel P. de Boer te Amsterdam. Daarna is het schilderij opgedoken in tentoonstellingscatalogi van de joodse kunsthandel D. Katz te Dieren in de periode juli 1937 tot september 1939. Uit onderzoek komen aanwijzingen naar voren dat deze kunsthandel het schilderij hoogstwaarschijnlijk in consignatie had voor “baronesse De Vos van Steenwijk”. Het schilderij werd namelijk in juli 1942 verkocht aan de Duitsers ten behoeve van de Sammlung Linz, de kunstverzameling die voor het Führermuseum in Linz bestemd was. Deze verkoop is op een Duitse inventarislijst aangeduid als: “10.7.1942 von Baronesse de Vos-van Steenwijk über Katz für hfl. 25.000,- an SL”. Dit wijst erop dat het schilderij is gekocht van de baronesse door bemiddeling van Katz en de Restitutiecommissie neemt daarom aan dat Katz het schilderij in consignatie had. De Commissie heeft genealogisch onderzoek laten uitvoeren naar de persoon van deze baronesse. Daaruit bleek dat drie personen in aanmerking zouden kunnen komen de bedoelde baronesse te zijn. De Restitutiecommissie heeft besloten de mogelijkheden voor deze betrokkenen om aanspraak te maken op het schilderij van Van der Mijn, niet verder te onderzoeken, aangezien de Commissie Ekkart inmiddels in haar slotaanbevelingen een overweging had gewijd aan tegenstrijdige claims. Zie verder overweging 4 hieronder.

        4. Begin oktober 2004 heeft de Commissie Ekkart haar Slotaanbevelingen aangeboden aan de regering. Uit de toelichting op de derde aanbeveling blijkt dat de Commissie Ekkart van mening is dat in het geval van tegenstrijdige aanspraken op een kunstwerk, het eerste bezitsverlies in het algemeen dient te prevaleren. Zij merkt hierbij op dat aan de Restitutiecommissie de ruimte gegeven dient te worden om, afhankelijk van de specifieke omstandigheden, de onderlinge zwaarte van dergelijke tegenstrijdige claims af te wegen. In het licht van deze aanbeveling en mede gezien de uitkomsten van het onderzoek dat de Restitutiecommissie heeft doen uitvoeren naar het mogelijk onvrijwillige bezitsverlies door kunsthandel I. Rosenbaum N.V., door een Baronesse De Vos van Steenwijk, dan wel door kunsthandel Katz, heeft de Restitutiecommissie besloten dat het onvrijwillige bezitsverlies dat de familie G. heeft geleden, prevaleert boven het mogelijk onvrijwillige bezitsverlies van genoemde latere betrokkenen. De Commissie ziet geen specifieke omstandigheden om in dit geval anders te oordelen.

        5. Na de oorlog was de familie G. niet in de positie om de schilderijen van Troost en Van der Mijn te lokaliseren of een restitutieverzoek in te dienen. Er is niets bekend over een dergelijk verzoek. Wel diende M.G.-K. – de weduwe G., die inmiddels in Engeland woonachtig was en de Britse nationaliteit had aangenomen – na de oorlog een aanvraag tot schadevergoeding (Wiedergutmachung) in bij het Entschädigungsamt Berlin. Uiteindelijk zou M.G.-K. in totaal DM 99.164,17 aan schadevergoeding ontvangen. Deze vergoeding had geen specifieke betrekking op het verlies van de schilderijen van Troost en Van der Mijn. Gezien deze omstandigheid en gezien de omstandigheid dat de opbrengst van de veiling in 1936 diende ter voldoening van de belastingverplichtingen teneinde het land te kunnen verlaten en de opbrengst aldus niet geacht wordt ter vrije beschikking van G. te zijn gekomen, neemt de Restitutiecommissie overeenkomstig aanbeveling 4 van de Commissie Ekkart terugbetaling van de verkoopopbrengsten of afdracht van een deel van de schadevergoeding niet in overweging.

        6. Op grond van het vorenstaande acht de Restitutiecommissie het verzoek tot teruggave van de schilderijen van Troost (NK 1434 en NK 1435) en Van der Mijn (NK 1672) toewijsbaar.

          Conclusie

          De Restitutie Commissie adviseert de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om de objecten NK 1434, NK 1435 en NK 1672 terug te geven aan de erven van F.I.G.

          Aldus vastgesteld in de vergadering van 7 februari 2005,

          B.J. Asscher (voorzitter)
          J.Th.M. Bank
          J.C.M. Leijten
          P.J.N. van Os
          E.J. van Straaten
          I.C. van der Vlies
          H.M. Verrijn Stuart