Kunsthandel Vecht

NK 2145 (foto: RCE)

Advies inzake het verzoek tot teruggave van negen NK-werken, te weten NK 2102, NK 2103, NK 2145, NK 2161, NK 2702, NK 2845, NK 206, NK 210 en NK 948 A-B

Dossiernummer: 
1.19
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
30 maart 2005
Periode bezitsverlies: 
1933-1940
Oorspronkelijke eigenaar: 
Kunsthandel
Plaats bezitsverlies: 
In Nederland

Bij brieven van 5 februari en 4 oktober 2004 heeft de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de Restitutiecommissie om advies verzocht over de verzoeken van respectievelijk 10 december 2000 en 25 juni 2004 van C.V. en zijn broer J.V. (hierna: verzoekers) tot teruggave van de negen hierboven aangeduide NK-werken.

Aangezien beide claims op hetzelfde feitencomplex berusten, heeft de Commissie besloten beide verzoeken samen te voegen tot één adviesaanvraag.

De feiten

De staatssecretaris heeft de adviesaanvraag op het eerste verzoek aangehouden in afwachting van de aanbevelingen van de Commissie Ekkart voor het restitutiebeleid ten aanzien van de kunsthandel. Bij brief van 5 december 2003 heeft de staatssecretaris de Tweede Kamer laten weten de aanbevelingen over te nemen en de restitutieverzoeken van kunsthandelaren aan de Restitutiecommissie voor te zullen leggen. Daarop heeft de staatssecretaris de eerste adviesaanvraag van verzoekers op 5 februari 2004 aan de Restitutiecommissie voorgelegd. Naar aanleiding van de eerste adviesaanvraag heeft de Commissie Bureau Herkomst verzocht een onderzoek naar de feiten in te stellen, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een voorlopig onderzoeksrapport van 23 april 2004. De inhoud van dit rapport is, zonder dat deze nog door de Commissie was beoordeeld, op 26 april 2004 om commentaar aan verzoekers toegezonden.

Op 21 juni 2004 heeft een hoorzitting plaatsgevonden, waarbij verzoeker C.V. is verschenen. Deze heeft, mede namens verzoeker J.V., bij die gelegenheid stukken overgelegd. Van deze hoorzitting is een verslag opgemaakt, waarop verzoekers hebben gereageerd bij brief van 9 augustus 2004. Naar aanleiding van die reactie is een tweede versie van het verslag opgemaakt. Het verslag is op 13 september 2004 door de Commissie vastgesteld. Naar aanleiding van de hoorzitting hebben verzoekers op 25 juni 2004 een aanvullend restitutieverzoek ingediend, welk verzoek bij brief van 4 oktober 2004 door de staatssecretaris van OCW ter advisering aan de Commissie is voorgelegd. Bij brief van 1 september heeft verzoeker C.V. een uitvoerige toelichting op zijn restitutieverzoeken gegeven en daarbij nadere bescheiden overgelegd. Naar aanleiding van de aldus verkregen nadere feiten en argumenten heeft de Commissie op 26 november 2004 een nieuwe versie van het onderzoeksrapport opgesteld. Dit rapport is aan verzoekers toegezonden en door hen aanvaard, behoudens een opmerking over de inventarislijst (zie hieronder bijzondere overweging nr. 1). De betrokken passage is aangepast als vermeld in de definitieve versie van het rapport. Van alle voormelde stukken en bescheiden wordt de inhoud geacht in dit advies te zijn opgenomen en daarvan deel uit te maken.

Algemene overwegingen (ten aanzien van particulieren en kunsthandelaren)

a) De Restitutiecommissie laat zich bij haar advisering leiden door de beleidslijnen terzake van de Commissie Ekkart en de regering.

b) De Restitutiecommissie heeft zich de vraag gesteld of een uit te brengen advies invloed mag ondervinden van mogelijke consequenties voor de beslissing in latere zaken. De Commissie beantwoordt die vraag, behoudens bijzondere omstandigheden, ontkennend, omdat een dergelijke invloed bezwaarlijk kan worden tegengeworpen aan de betrokken verzoeker.

c) De Restitutiecommissie heeft zich voorts afgevraagd op welke wijze moet worden omgegaan met het gegeven dat bepaalde feiten niet meer te achterhalen zijn, dat bepaalde gegevens verloren zijn gegaan of niet zijn teruggevonden, of anderszins bewijzen niet meer zijn bij te brengen. De Commissie is daaromtrent van mening dat, indien het tijdsverloop (mede) oorzaak is van de ontstane problemen, het risico daarvoor, behoudens bijzondere omstandigheden, behoort te liggen bij de overheid.

d) De Restitutiecommissie is van mening dat inzichten en omstandigheden die naar algemene maatschappelijke opvattingen sinds de Tweede Wereldoorlog klaarblijkelijk zijn veranderd, gelijk mogen worden gesteld aan nova (nieuwe feiten).

Algemene overweging (uitsluitend ten aanzien van kunsthandelaren)

e) Onder onvrijwillige verkopen worden ook verstaan verkopen zonder instemming van de kunsthandelaar door Verwalters of andere niet door de eigenaar aangestelde beheerders uit de onder hun beheer gestelde oude handelsvoorraad, voor zover de oorspronkelijke eigenaars of hun erven niet het volledige profijt van de transactie hebben genoten en voor zover de eigenaar niet na de oorlog uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van rechten.

Bijzondere overwegingen

  1. Verzoekers zijn kleinzonen van de joodse kunsthandelaar A.V., die sedert 1921 een kunsthandel dreef te Amsterdam. De wederwaardigheden van deze kunsthandel voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog zijn in den brede beschreven in het voormelde onderzoeksrapport van 26 november 2004, waarnaar wordt verwezen. Hier moge worden volstaan met het navolgende: Wegens de oorlogsdreiging hief A.V. in 1939 zijn kunsthandel op. Hij stuurde een deel van zijn handelsvoorraad naar de VS en Groot-Brittannië. De rest sloeg hij op in een pakhuis aan de Nieuwe Keizersgracht te Amsterdam. De aldaar opgeslagen goederen staan vermeld op een inventarislijst (bijlage 3 bij het onderzoeksrapport). C.V. heeft er bij brief van 21 december 2004 in reactie op het onderzoeksrapport (versie van 26 november 2004) op gewezen dat het, in afwijking van de in het rapport aangenomen waarschijnlijkheid dat de inventarislijst de vooroorlogse voorraad betrof, evenzeer mogelijk is dat die lijst is opgemaakt in het kader van de overdracht van de zaak aan de NAGU op 13 februari 1942. Deze opmerking is terecht gemaakt. Welke visie de juiste is, kan thans na zoveel jaren en bij het ontbreken van andere bewijzen niet meer worden vastgesteld. Het risico daarvoor berust bij de overheid (zie de ‘Algemene Overweging’ onder c hierboven). Op bevel van de bezetter zijn de opgeslagen goederen naar de kunsthandel teruggebracht en is de zaak in 1941 heropend. Op 12 maart 1941 werd de kunsthandel van A.V. getroffen door een verordening betreffende “Verwijdering van joden uit het bedrijfsleven”. Op 13 februari 1942 kwam de kunsthandel onder bewind van de NAGU (Niederländische Aktiengesellschaft für Abwicklung von Unternehmungen). De NAGU stelde op diezelfde dag R.F. Groeninx van Zoelen (een relatie van A.V.), en nadat die in juni 1942 door de bezetter werd geïnterneerd, de Duitser H. Wieth tot Verwalter aan. Deze laatste was slechts kort in functie omdat de kunsthandel op 2 november 1942 werd verkocht aan M.R.J. Brinkgreve (een bekende van Groeninx van Zoelen). De koopsom (fl. 21.774,73 volgens Brinkgreve in een naoorlogse verklaring) is door Brinkgreve aan de Vermögensverwaltungs- und Renten-Anstält (VVRA) betaald met een geldlening die is afgelost met geld dat aan de kunsthandel werd onttrokken.

  2. Na de oorlog is de kunsthandel krachtens overeenkomsten op 13 mei 1946 en 5 november 1948 tussen Brinkgreve en A.V. gesloten, weer naar laatstgenoemde teruggekeerd. Daarbij verklaarde Brinkgreve dat V. enige rechthebbende was op de bij de VVRA gestorte koopsom. V. nam contact op met de VVRA en kreeg uiteindelijk in totaal 68% van de koopsom, die volgens de VVRA fl. 21.255,94 bedroeg, uitgekeerd. A.V. nam vervolgens contact op met de Stichting Nederlands Kunstbezit (hierna: SNK) over de door hem verloren kunstwerken. De correspondentie tussen hem en de directeur van de SNK, J. Jolles, liep vast omdat V. niet onomstotelijk ten genoegen van de SNK kon aantonen dat hij de voormalige eigenaar van de goederen was en dat hij die onder dwang gedurende de bezetting was kwijt geraakt.

  3. Op grond van het hiervoor onder 1 en 2 gegeven relaas stelt de Restitutiecommissie vast dat het hier niet een afgehandelde zaak betreft, zodat verzoekers in hun verzoeken ontvankelijk zijn.

  4. In de NK-collectie bevinden zich momenteel tien NK-nummers waaraan de herkomstnaam V. is gekoppeld. Van negen van deze voorwerpen wordt thans door de verzoekers de restitutie verzocht. Hierna volgt een behandeling van elk van deze voorwerpen.

    NK 2145: A. Lutz, Binnenplaats in een stad

    Op de inventarislijst (bijlage 3 bij het onderzoeksrapport), die naar de Restitutiecommissie aanneemt vóór 13 februari 1942 is opgemaakt, staan onder inventarisnummer 976 ‘2 schilderijen van Lutz’ vermeld. Omdat van deze kunstenaar weinig werken bekend zijn, neemt de Commissie aan dat Binnenplaats in een stad één van die twee schilderijen is. Gezien de aantekening ‘v’ naast het nummer op de lijst behoorden beide schilderijen tot aan het opmaken van de lijst in het begin van 1942 tot de oude handelsvoorraad van A.V. Het schilderij werd samen met een ander schilderij van Lutz op 28 augustus 1942 door de Duitse firma Pongs van de kunsthandel V. aangekocht. Er valt niet meer na te gaan wie van de kunsthandel V. bij de transactie betrokken is geweest en of deze plaatsvond met instemming of medewerking van A.V. Blijkens bijlage 19 bij het onderzoeksrapport heeft Pongs het schilderij vervolgens vrijwillig verkocht aan Fritz Sinn te Krefeld. In mei 1948 is het schilderij in Nederland teruggekeerd. Voor zoveel nodig onder verwijzing naar punt c van de ‘Algemene Overwegingen’ concludeert de Restitutiecommissie dat het schilderij Binnenplaats in een stad van de hand van A. Lutz heeft behoord tot de oude handelsvoorraad van A.V. en dat deze het bezit daarvan onvrijwillig heeft verloren. De Restitutiecommissie zal derhalve tot toewijzing van het verzoek adviseren.

    NK 206: Kan van geglazuurd aardewerk met blauwwit decor met bloemmotieven en vogel in medaillon

    Op de voormelde inventarislijst staan twee kruiken en één kan vermeld (respectievelijk nummers 31, 321 en 994). De beschrijvingen op deze lijst zijn te summier om uit te maken of één dezer voorwerpen de geclaimde kan is. Op een door de SNK opgesteld ‘Intern Aangifteformulier’ staat vermeld dat NK 206 vrijwillig is verkocht aan het Museum für Hamburgische Geschichte. De kwalificatie ‘vrijwillig’ is, naar de Restitutiecommissie aanneemt, niet van A.V. afkomstig. Op een bij voormeld formulier behorende zogenaamde ‘Witte Kaart’ is sprake van verkoop door de Kunstzalen A.V. aan het Talon Museum te Kiel. Omdat zowel op het formulier als op de bijbehorende kaart een datum van de verkoop ontbreekt en eveneens de vraag open blijft of de verkoop door, dan wel met instemming van A.V. is tot stand gekomen en ook geen andere bewijsstukken voorhanden zijn, kan de vraag betreffende de onvrijwilligheid van het bezitsverlies niet met zekerheid worden beantwoord. Het risico voor deze onzekerheid behoort in dit geval krachtens de ‘Algemene Overwegingen’ onder c bij de overheid te liggen. De verdeling van het risico op deze wijze wordt nog versterkt door de omstandigheid dat A.V. NK 206 op een ‘claimtentoonstelling’ als zijn voormalig eigendom had herkend en dat hij in een brief van 29 juni 1950 aan de SNK ‘1 Hamburgsch aardewerk kruikje, blauw decor’ herkende ‘als te hebben toebehoord tot de inventaris van mijn zaak’. De Restitutiecommissie zal derhalve tot toewijzing van het verzoek adviseren.

    NK 2845: Verbrugghen, Stilleven met bloemen in een vaas

    Dit schilderij staat niet vermeld op de voormelde inventarislijst. Niettemin neemt de Restitutiecommissie aan dat het schilderij behoorde tot de oude handelsvoorraad van A.V. en wel op grond van de volgende feiten. Het schilderij werd op 15 oktober 1940 door de kunsthandel van V. verkocht aan de kunsthandel van Alois Miedl (Kunsthandel voorheen J. Goudstikker N.V.). Uit de administratie van Kunsthandel voorheen J. Goudstikker N.V. blijkt dat het hier niet om een consignatie ging en dat het schilderij, samen met tientallen andere schilderijen, nog op diezelfde dag met winst werd doorverkocht aan E. Gritzbach, die aankopen voor Hermann Göring deed. Op het moment van de koop-verkoop had A.V. zijn zaak reeds gesloten. Deze was echter niet opgeheven en hij was zelf nog directeur en eigenaar van de zaak. Het is thans niet meer na te gaan of deze verkoop kan worden beschouwd als een vrijwillige handelstransactie door V. in de hoedanigheid van kunsthandelaar. Gezien de twijfelachtige reputatie van de Duitser Miedl kan niet worden uitgesloten dat de verkoop onvrijwillig heeft plaatsgevonden. Miedl heeft weliswaar in de Tweede Wereldoorlog joodse families geholpen en hij was zelf met een joodse vrouw getrouwd, maar hij had ook duidelijk nazisympathieën. Hij profiteerde van de oorlog door grote winsten te behalen uit handel met de Duitsers, waarbij hij zich in het bijzonder beijverde voor de kunstverzamelingen van de met hem bevriende Göring en van Hitler. Gelet op de ‘Algemene Overwegingen’ onder c behoort het risico voor het ontbreken van nader bewijs te liggen bij de overheid. De Restitutiecommissie zal derhalve tot toewijzing van het verzoek adviseren.

    NK 2702: Meester van het Akener altaarstuk, De mis van St. Gregorius

    Het schilderij komt niet voor op de voormelde inventarislijst, waardoor niet meer vast te stellen is of het behoorde tot de oude handelsvoorraad. Het is niet waarschijnlijk dat het werk deel heeft uitgemaakt van de privé-collectie van A.V. Deze bestond voornamelijk uit moderne kunst. Er is van dit werk ook geen aangifteformulier op naam van A.V. aangetroffen. Niettemin is het schilderij kort na de aanvang van de bezetting, namelijk in juni 1940, door de kunsthandel van V. aan de Nederlandse Kunsthandel P. de Boer verkocht. Deze kunsthandel verkocht het werk op 19 september 1940 aan W.A. Hofer ten behoeve van de verzameling van Göring. Het is bekend dat Kunsthandel De Boer joodse collegakunsthandelaren regelmatig te hulp kwam. Vanwege de periode tussen de aankoop en de verkoop door De Boer wijst deze transactie niet in de richting van een consignatie, maar in de richting van een vrijwillige handelstransactie uit de voorraad van de kunsthandel van A.V. Gezien deze feiten en mede in het licht van de door de Commissie Ekkart in de tekst bij de kunsthandelaanbevelingen genoemde overweging dat ‘de kunsthandel verkoop van handelsvoorraad als doelstelling heeft, zodat een belangrijk deel van de verrichte transacties, ook bij de joodse kunsthandels, in principe gewone verkoop was’, neemt de Restitutiecommissie aan dat de verkoop een vrijwillige handelstransactie betrof door A.V. in de hoedanigheid van kunsthandelaar bewerkstelligd. De Restitutiecommissie zal derhalve tot afwijzing van het verzoek adviseren.

    NK 2161: J. Leemans, Stilleven met geweer en jagersattributen

    Het schilderij komt niet voor op de voormelde inventarislijst, waardoor niet meer vast te stellen is of het behoorde tot de oude handelsvoorraad. Het is niet waarschijnlijk dat het werk deel heeft uitgemaakt van de privé-collectie van A.V. Deze bestond voornamelijk uit moderne kunst. Er is van dit werk ook geen aangifteformulier op naam van A.V. aangetroffen. Niettemin is het schilderij kort na de aanvang van de bezetting, namelijk in juli 1940, door de kunsthandel van V. aan de Nederlandse Kunsthandel P. de Boer verkocht. Deze kunsthandel verkocht het werk in mei 1941 aan het Museum te Krefeld. Het is bekend dat Kunsthandel De Boer joodse collega-kunsthandelaren regelmatig te hulp kwam. Vanwege de periode tussen de aankoop en de verkoop door De Boer wijst deze transactie niet in de richting van een consignatie, maar in de richting van een vrijwillige handelstransactie uit de voorraad van de kunsthandel van A.V. Gezien deze feiten en mede in het licht van de door de Commissie Ekkart in de tekst bij de kunsthandelaanbevelingen genoemde overweging dat ‘de kunsthandel verkoop van handelsvoorraad als doelstelling heeft, zodat een belangrijk deel van de verrichte transacties, ook bij de joodse kunsthandels, in principe gewone verkoop was’, neemt de Restitutiecommissie aan dat de verkoop een vrijwillige handelstransactie betrof door A.V. in de hoedanigheid van kunsthandelaar bewerkstelligd. De Restitutiecommissie zal derhalve tot afwijzing van het verzoek adviseren.

    NK 210: Bord van Delfts geglazuurd aardewerk met blauwwit decor met op het plat de apostel Petrus met een engel

    Wegens de summiere beschrijvingen op de voormelde inventarislijst valt niet met zekerheid te zeggen of NK 210 behoorde tot de oude handelsvoorraad. Op die lijst komen onder nummer 548 ‘4 Delftsche bordjes’ voor. Het is mogelijk dat met één van deze borden NK 210 is bedoeld. Uit een lijst in het Bundesarchiv in Koblenz blijkt dat NK 210 in ‘1943 door kunsth. Brinckgreve, Amsterdam (früher V.)’ aan het Schlossmuseum in Berlijn is verkocht. Het is niet bekend of A.V. met die verkoop heeft ingestemd. Wel heeft hij op een naoorlogse ‘claimtentoonstelling’ het bord als zijn voormalig eigendom herkend. Het niet meer beschikbaar zijn van nadere gegevens behoort, gelet op de ‘Algemene Overweging’ onder c voor het risico van de overheid te worden gebracht. De Restitutiecommissie zal mitsdien adviseren tot toewijzing van het verzoek.

    NK 948 A-B, Dekselvaas van geglazuurd aardewerk en polychroom decor met florale motieven en landschap

    Vanwege de summiere beschrijvingen van de objecten op de voormelde inventarislijst kan niet met zekerheid worden vastgesteld of NK 948 A-B tot de oude handelsvoorraad van Kunstzalen A.V. heeft behoord. Op de bodem van de vaas staat het nummer ‘1942-57’. Dit nummer is aangetroffen op een lijst van aankopen gedaan door Kunstsammlungen der Stadt Düsseldorf. Volgens deze opgave is de vaas in 1942 aangekocht bij de kunsthandel van V. Gezien het jaar van deze transactie is aannemelijk dat deze is gesloten door één van de Verwalters. Enige bemoeienis daarmee van A.V. kan niet worden vastgesteld. V. heeft op een naoorlogse claimtentoonstelling de vaas als zijn voormalig eigendom herkend. Hij merkte daarbij op dat, indien de deksel modern is, de vaas zijn eigendom is. In het SNK-dossier bevindt zich een handgeschreven expertise, waaruit onder meer blijkt dat de deksel inderdaad nieuw is. De tussen V. en de SNK na de oorlog over deze vaas gevoerde correspondentie liep dood, omdat V. niet ten genoegen van de SNK zijn eigendomsrechten kon aantonen en evenmin kon bewijzen dat hij zijn eigendom onder dwang had verloren. Op grond van het vorenstaande acht de Restitutiecommissie de aanspraken van verzoekers op de vaas voldoende aannemelijk en zal zij tot toewijzing van het verzoek adviseren.

    NK 2102: C. Netscher, Portret van een vrouw en NK 2103: C. Netscher, Portret van een man

    Deze twee schilderijen van Contantijn Netscher komen niet voor op de voormelde inventarislijst. De veronderstelling van verzoeker C.V. dat de wél op de lijst voorkomende ‘2 schilderijen toegeschreven aan Van Dijk’ mogelijk de beide Netschers zouden kunnen zijn, hield bij onderzoek geen stand. Onderzoek in de fotodocumentatie van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie en bij het Iconografisch Bureau te Den Haag leverde geen relevante informatie op. Ook in een drietal tentoonstellingscatalogi van de kunsthandel van A.V., die van 1914, 1933 en 1935, kwamen de schilderijen van Netscher niet voor. Het blijft derhalve onduidelijk wanneer de beide schilderijen in het bezit van de kunsthandel zijn gekomen. De beide schilderijen zijn volgens de administratie van veilinghuis Mak van Waay door Kunstzalen A.V. ingebracht voor de veiling van 13 juni 1944. Daar werden ze gekocht door kunsthandel Bierich & Co te Hamburg. Ten tijde van de veiling was Brinkgreve eigenaar van Kunstzalen A.V. De Restitutiecommissie neemt aan dat de veilingverkoop geheel onder zijn verantwoordelijkheid heeft plaatsgevonden en dat beide schilderijen niet hebben behoord tot de oude handelsvoorraad van A.V. De Commissie wordt in die opvatting gesterkt door de omstandigheid dat de naam ‘V.’ in verband met deze schilderijen niet voorkomt in de documentatie van de SNK; voorts dat, voor zover kon worden achterhaald, A.V. geen aangifte heeft gedaan van de vermissing van de beide schilderijen en ten slotte, dat de SNK over deze schilderijen nimmer contact met A.V. heeft opgenomen. De Restitutiecommissie zal derhalve adviseren tot afwijzing van het verzoek.

  5. Tegen de achtergrond van het totale bedrag van de door verzoekers geleden schade heeft de Restitutiecommissie geen aanknopingspunten kunnen vinden voor de gedachte aan haar advies tot toewijzing van de ingediende verzoeken een verplichting tot betaling van enig bedrag te verbinden.

Conclusie

De Restitutiecommissie adviseert de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om de objecten NK 2145, NK 206, NK 2845, NK 210 en NK 948 A-B terug te geven aan de erven van A.V. De Restitutiecommissie adviseert de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het verzoek tot teruggave van NK 2702, NK 2161, NK 2102 en NK 2103 af te wijzen.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 7 maart 2005,

B.J. Asscher (voorzitter)
J.Th.M. Bank
J.C.M. Leijten
P.J.N. van Os
E.J. van Straaten
I.C. van der Vlies
H.M. Verrijn Stuart

Samenvatting: