Een klapmutsschoteltje en het schilderij Moeder en kind bij de wieg van J.S.H. Kever

NK 2231 (foto: RCE)

Advies inzake het verzoek tot teruggave van een klapmutsschoteltje (NK 593) en het schilderij Moeder en kind bij wieg van J.S.H. Kever (NK 2231)

Dossiernummer: 
1.27
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
12 maart 2007
Periode bezitsverlies: 
1940-1945
Plaats bezitsverlies: 
In Nederland

Bij brief van 7 februari 2005 verzocht A.A. de Restitutiecommissie tot teruggave van de kunstwerken uit de Nederlands-Kunstbezit collectie die hadden toebehoord aan zijn oom, de joodse kunsthandelaar Marcus Frederik de Vries. Naar aanleiding hiervan verzocht de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) de Restitutiecommissie bij brief van 28 februari 2005 om advies aangaande negen kunstwerken (NK 1756, NK 2727, NK 3303, NK 1018, NK 2047, NK 2059, NK 1930, NK 593 en NK 2231). Na het overlijden van A.A. op 28 december 2005 is zijn dochter B.B. in de plaats van haar vader getreden als verzoekende partij. B.B. (hierna: verzoekster) heeft het restitutieverzoek vervolgens gewijzigd en beperkt tot een klapmutsschoteltje van geglazuurd porselein met blauwwit decor met florale motieven (NK 593) en het schilderij Moeder en kind bij wieg van de kunstenaar J.S.H. Kever (NK 2231) om redenen die hieronder worden toegelicht. Het klapmutsschoteltje bevindt zich momenteel in het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen; het schilderij in de Nederlandse ambassade te Ankara.

De procedure

Naar aanleiding van het oorspronkelijke restitutieverzoek van A.A. heeft de Restitutiecommissie een onderzoek naar de herkomstgeschiedenis van de negen genoemde NK-werken uitgevoerd. De resultaten zijn neergelegd in een conceptrapport dat op 16 januari 2006 aan de erven van A.A. is toegezonden voor commentaar. Diens neef, M.M., heeft op verzoek van de erven bij brief van 28 maart 2006 gereageerd. Gedurende het onderzoek kwam vast te staan dat A.A. geen erfgenaam was van M.F. de Vries. Na het overlijden van haar vader heeft verzoekster de commissie daarom in een telefonisch onderhoud van 31 oktober 2006 meegedeeld het restitutieverzoek in te trekken voorzover het de voorwerpen betrof uit het voormalig bezit van M.F. de Vries, en in stand te laten met betrekking tot de voorwerpen NK 593 en NK 2231, die mogelijk afkomstig waren uit de handelsvoorraad van de kunsthandel van haar grootvader (Galerie Lemaire).[1] De commissie heeft dit bevestigd bij brief van 7 november 2006. De commissie heeft naar aanleiding van de gewijzigde claim een nieuw conceptrapport opgesteld dat op 7 november 2006 voor commentaar aan verzoekster is verzonden. Daarbij werd verzoekster tevens gevraagd om aanvullende informatie met betrekking tot de geclaimde voorwerpen. Bij brief van 2 januari 2007 heeft verzoekster laten weten dat zij in de archieven van Galerie Lemaire geen verdere informatie had aangetroffen. Het conceptrapport is tevens voorgelegd aan de Minister van OCW, die de commissie heeft laten weten geen feitelijke aanvullingen te hebben.

Het rapport is vervolgens vastgesteld op 12 maart 2007. Voor de feiten in deze zaak verwijst de commissie naar het onderzoeksrapport, dat geacht wordt deel uit te maken van dit advies.

Algemene overwegingen

a) De commissie laat zich bij haar advisering leiden door de beleidslijnen terzake van de Commissie Ekkart als overgenomen door de regering.

b) De commissie heeft zich de vraag gesteld of een uit te brengen advies invloed mag ondervinden van mogelijke consequenties in latere zaken. De commissie beantwoordt die vraag, behoudens onder bijzondere omstandigheden ontkennend omdat een dergelijke invloed bezwaarlijk kan worden tegengeworpen aan de betrokken verzoeker.

c) De commissie heeft zich voorts afgevraagd op welke wijze moet worden omgegaan met het gegeven dat bepaalde feiten niet meer te achterhalen zijn, dat bepaalde gegevens verloren zijn gegaan of niet zijn teruggevonden of anderszins bewijzen niet meer zijn bij te brengen. De commissie is daaromtrent van mening dat, indien het tijdsverloop (mede) oorzaak is van de ontstane problemen, het risico daarvoor, behoudens onder bijzondere omstandigheden, behoort te liggen bij de overheid.

d) De commissie is van mening dat inzichten en omstandigheden die naar algemene maatschappelijke opvattingen sinds de Tweede Wereldoorlog klaarblijkelijk zijn veranderd, gelijk mogen worden gesteld aan nova (nieuwe feiten).

e) Onder onvrijwillig bezitsverlies wordt ook verstaan verkopen zonder instemming van de kunsthandelaar door Verwalters of andere niet door de eigenaar aangestelde beheerders uit de onder hun beheer gestelde oude handelsvoorraad, voor zover de oorspronkelijke eigenaar of zijn erven niet het volledige profijt van de transactie heeft genoten of voor zover de eigenaar niet na de oorlog uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van rechten.

Bijzondere overwegingen:

  1. Verzoekster vraagt restitutie van het klapmutsschoteltje (NK 593) en het schilderij Moeder en kind bij wieg van J.S.H. Kever (NK 2231) in hoedanigheid van erfgename van haar vader A.A. Zij geeft aan mede op te treden namens de overige erfgenamen.

  2. Uit het feitenonderzoek is het volgende naar voren gekomen. De grootvader van verzoekster, Matthias Ludovicus Joannes Lemaire (1891-1979) richtte in de jaren twintig van de vorige eeuw een kunsthandel op, Galerie Lemaire, gespecialiseerd in etnografische kunst. Tijdens de oorlog was de galerie gevestigd aan de Leidsestraat te Amsterdam. Zijn echtgenote Mietje de Vries was van joodse afkomst; Lemaire zelf niet. Het echtpaar had twee kinderen, A.A. (oorspronkelijk verzoeker) en T.F.L. Het gezin hield zich tijdens de bezetting bezig met verzetswerk, zoals het verspreiden van het Parool en hulp aan joodse onderduikers, maar kwam de oorlog uiteindelijk veilig door. De broer van Mietje de Vries, kunsthandelaar Marcus Frederik de Vries, overleefde de oorlog niet. Hij kwam op 18 juli 1942 in Auschwitz om het leven. De moeder van Mietje de Vries, overgrootmoeder van verzoekster, kwam op 2 juli 1943 om het leven in Sobibor, ondanks een poging van M.L.J. Lemaire een uitreisvisum voor zijn schoonmoeder te verkrijgen door op 30 juni 1943 een bedrag van NLG 30.000 te betalen. De helft van dit bedrag was afkomstig van geld dat hij van zijn (toen reeds overleden) zwager M.F. de Vries in bewaring had. Verzoekster heeft aangegeven dat de verkoop van het geclaimde schilderij van Kever diende ter financiering van deze poging tot vrijkoop.

  3. Er zijn weinig details bekend over de handel van Galerie Lemaire gedurende de bezettingsjaren. Aangezien M.L.J. Lemaire niet joods was, is de kunsthandel niet onder beheer gesteld van een Verwalter. Uit het beschikbare archiefmateriaal is niet gebleken dat Lemaire na de oorlog pogingen heeft gedaan om onvrijwillig verloren kunstwerken terug te krijgen. In de archieven van de Stichting Nederlands Kunstbezit zijn geen dossiers inzake Galerie Lemaire aangetroffen.

  4. Ingevolge het geldende rijksbeleid met betrekking tot de restitutie van cultuurgoederen kan tot teruggave worden geadviseerd indien in hoge mate aannemelijk is dat de geclaimde voorwerpen oorspronkelijk eigendom waren van (de kunsthandel van) M.L.J. Lemaire en indien er sprake is geweest van onvrijwillig bezitsverlies door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime. Het toepasselijke rijksbeleid voor de restitutie van kunstwerken van kunsthandelaren is nader uitgewerkt in de ‘Aanbevelingen restitutie kunstwerken van kunsthandelaren’ van de Commissie Ekkart (januari 2003). Hoewel deze aanbevelingen met name betrekking hebben op joodse kunsthandels, is de toepasselijkheid daartoe niet beperkt. Van belang is dat ingevolge de aanbevelingen de onvrijwilligheid van bezitsverlies bij verkopen door (joodse en niet-joodse) kunsthandelaren van kunstwerken gedurende de oorlogsjaren – anders dan bij verkopen door joodse particulieren – niet wordt verondersteld, aangezien ‘een belangrijk deel van de verrichte transacties, ook bij joodse kunsthandels, in principe gewone verkoop was’. Derhalve dient aannemelijk te worden gemaakt dat Lemaire het bezit van de geclaimde voorwerpen onvrijwillig heeft verloren.

  5. Met betrekking tot de klapmutsschotel heeft het onderzoek uitgewezen dat het voorwerp in 1943 deel uitmaakte van de handelsvoorraad van Galerie Lemaire en in 1943 of 1944 in bezit is gekomen van het Thaulow Museum te Kiel, dat in datzelfde jaar meerdere voorwerpen van toegepaste kunst van Galerie Lemaire verwierf. Uit het onderzoek zijn echter geen aanwijzingen naar voren gekomen waaruit blijkt dat er sprake is geweest van onvrijwillige verkoop door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime. Zoals gesteld, was de kunsthandel niet onder beheer gesteld van een Verwalter, zodat uit dien hoofde geen onvrijwillige verkopen hebben plaatsgevonden. Uit de archieven van de Stichting Nederlands Kunstbezit blijkt verder dat Lemaire geen aangifte heeft gedaan van vermissing van dit voorwerp, noch dat hij heeft gecorrespondeerd over teruggave. Ook het feit dat de schotel is verkocht aan een Duits museum duidt niet direct op onvrijwilligheid, anders dan bij verkoop aan een nazi-kunstinkoper mogelijk het geval zou zijn. Tenslotte zijn er geen aanwijzingen dat de schotel is verkocht ter financiering van de poging tot vrijkoop van de schoonmoeder van M.L.J. Lemaire in 1943, of direct verband hield met de financiering van verzetsactiviteiten. De commissie gaat daarom uit van vrijwillige verkoop en adviseert het verzoek tot teruggave van dit voorwerp af te wijzen.

  6. Met betrekking tot de eigendom van het geclaimde schilderij NK 2231 overweegt de commissie het volgende. Uit de archieven van veilinghuis Mak van Waay te Amsterdam is gebleken dat Galerie Lemaire het schilderij op 22 december 1942 inbracht ter veiling, waar het werd gekocht door kunsthandel Oncken te Oldenburg. Op basis van informatie van de oorspronkelijk verzoeker, A.A., acht de commissie echter aannemelijk dat het werk in eigendom toebehoorde aan kunsthandelaar Marcus Frederik de Vries, die het, tezamen met zeven andere schilderijen, liet opslaan in de kunsthandel van zijn zwager Lemaire. De commissie acht aannemelijk dat Lemaire het schilderij NK 2231 na de dood van De Vries ten behoeve van diens weduwe, de ondergedoken joodse Solvejg Fuchs, heeft laten veilen. De commissie leidt dit af uit een aantekening die A.A. bij een foto van het schilderij heeft gemaakt:

    “Dit schilderij “Moeder bij wieg” is door mijn vader Lemaire verkocht op een veiling Voor Solvejg-Fuchs. Dit schilderij is bezorgd door Marcus [Frederik de Vries, RC] met nog zeven andere schilderijen, [...]. Al deze zeven schilderijen waren opgeslagen bij mijn vader Leidschestraat no 29 te Amsterdam. In de jaren van de oorlog verkocht door Solvejg of mijn vader Lemaire.”

  7. Nu niet aannemelijk is dat het schilderij NK 2231 eigendom was van (Galerie) Lemaire kan verzoekster naar het oordeel van de commissie geen aanspraak maken op teruggave van het werk. Op grond van het voorgaande acht de commissie het verzoek tot teruggave van het klapmutsschoteltje (NK 593) en het schilderij Moeder en kind bij wieg (NK 2231) niet toewijsbaar.

Conclusie

De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het verzoek van B.B. af te wijzen.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 12 maart 2007,

B.J. Asscher (voorzitter)
J.Th.M. Bank
J.C.M. Leijten
P.J.N. van Os
E.J. van Straaten
H.M. Verrijn Stuart
I.C. van der Vlies

----------------------- 
[1] Deze kunsthandel is later voortgezet door de vader van verzoekster en wordt thans geleid door verzoekster zelf.