Drie mannen in een boot op wild water van A.H. Lier en Berglandschap met kasteel van T. le Feubure

NK 3229 (foto: RCE)

Advies inzake het verzoek tot teruggave van Drie mannen in een boot op wild water van A.H. Lier (NK 3228) en Berglandschap met kasteel van T. le Feubure (NK 3229)

Dossiernummer: 
1.29
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
12 juli 2006
Periode bezitsverlies: 
1940-1945
Oorspronkelijke eigenaar: 
Particulier
Plaats bezitsverlies: 
In Nederland

Bij brief van 12 april 2005 verzocht de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de Restitutiecommissie om advies over de te nemen beslissing op het verzoek van 3 februari 2005 van R.A., P.E. en M.A.-H. (hierna: verzoekers) tot teruggave van het schilderij Drie mannen in een boot op wild water van A.H. Lier (NK 3228) en de aquarel Berglandschap met kasteel van T. le Feubure (NK 3229). Verzoekers worden vertegenwoordigd door I. Gielen, advocate te Berlijn.

De procedure

De aanleiding voor het restitutieverzoek vormde een brief van Bureau Herkomst Gezocht (BHG) van 1 december 2004 aan verzoekers met een verzoek om informatie betreffende bovengenoemde kunstwerken, die zich momenteel in depot van het Instituut Collectie Nederland bevinden. In deze brief werd aangegeven dat de werken waarschijnlijk in bezit waren geweest van de heer Martin Israel Aufhäuser, die deze in 1941 had verkocht aan de Duitse kunsthandelaar Alois Miedl te Amsterdam. BHG maakte verzoekers daarbij attent op de mogelijkheid een restitutieverzoek in te dienen indien sprake was geweest van onvrijwillige verkoop.

In reactie hierop heeft verzoeker R.A., zoon van de oorspronkelijke eigenaar van de werken, nadere gegevens omtrent de geschiedenis van zijn ouders verstrekt. Vervolgens hebben verzoekers in februari 2005 een restitutieverzoek bij de staatssecretaris ingediend. Naar aanleiding daarvan heeft de commissie een onderzoek naar de feiten laten uitvoeren, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een conceptrapport van 24 maart 2006. Het rapport is voorgelegd aan de vertegenwoordiger van verzoekers, waarna het is vastgesteld op 12 juni 2006. Voor wat betreft de feiten in deze zaak verwijst de commissie naar het onderzoeksrapport, dat geacht wordt deel uit te maken van dit advies.

Algemene overwegingen

a) De commissie laat zich bij haar advisering leiden door de beleidslijnen terzake van de Commissie Ekkart als overgenomen door de regering.

b) De commissie heeft zich de vraag gesteld of een uit te brengen advies invloed mag ondervinden van mogelijke consequenties in latere zaken. De commissie beantwoordt die vraag, behoudens onder bijzondere omstandigheden ontkennend omdat een dergelijke invloed bezwaarlijk kan worden tegengeworpen aan de betrokken verzoeker.

c) De commissie heeft zich voorts afgevraagd op welke wijze moet worden omgegaan met het gegeven dat bepaalde feiten niet meer te achterhalen zijn, dat bepaalde gegevens verloren zijn gegaan of niet zijn teruggevonden of anderszins bewijzen niet meer zijn bij te brengen. De commissie is daaromtrent van mening dat, indien het tijdsverloop (mede) oorzaak is van de ontstane problemen, het risico daarvoor, behoudens onder bijzondere omstandigheden, behoort te liggen bij de overheid.

d) De commissie is van mening dat inzichten en omstandigheden die naar algemene maatschappelijke opvattingen sinds de Tweede Wereldoorlog klaarblijkelijk zijn veranderd, gelijk mogen worden gesteld aan nova (nieuwe feiten).

e) Onder onvrijwillig bezitsverlies wordt ook verstaan verkopen zonder instemming van de kunsthandelaar door Verwalters of andere niet door de eigenaar aangestelde beheerders uit de onder hun beheer gestelde oude handelsvoorraad, voor zover de oorspronkelijke eigenaar of zijn erven niet het volledige profijt van de transactie heeft genoten of voor zover de eigenaar niet na de oorlog uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van rechten.

Bijzondere overwegingen:

  1. Verzoekers vragen restitutie van het schilderij Drie mannen in een boot op wild water van A.H. Lier (NK 3228) en de aquarel Berglandschap met kasteel van T. le Feubure (NK 3229) als erfgenamen van Martin Aufhäuser, die in 1944 in de Verenigde Staten is overleden. Martin Aufhäuser was gehuwd met Auguste Sara Aufhäuser-Ortlieb; zij is in 1961 overleden. Het echtpaar had drie kinderen, D., W. en R. (thans verzoeker). Verzoekster M.A.-H. was gehuwd met W.A., die in 1980 is overleden. Verzoeker P.E. is de enige zoon van - de eveneens overleden – D.E.-A.

    Ten aanzien van het bezitsverlies van de kunstwerken hebben verzoekers aangevoerd dat Martin Aufhäuser gedwongen was beide kunstwerken te verkopen ‘in order to support his survival and the costs for his emigration to the United States’. De commissie acht dit zeer aannemelijk en is dan ook van mening dat onder het huidige rijksbeleid de verkoop van beide kunstwerken als onvrijwillig, als gevolg van omstandigheden die direct verband houden met het naziregime, dient te worden aangemerkt. In dit verband neemt de commissie tevens in aanmerking een naoorlogse verklaring van Auguste Aufhäuser-Ortlieb, waarin wordt aangegeven dat zij en haar echtgenoot gedurende hun verblijf in Nederland ter bekostiging van hun levensonderhoud voortdurend voorwerpen uit de verhuisboedel verkochten.

  2. Verzoekers hebben een korte beschrijving gegeven van de levensloop van Martin Aufhäuser en zijn echtgenote vanaf de jaren ’20 van de twintigste eeuw. Daaruit blijkt dat Martin Aufhäuser, geboren op 26 juni 1875 en van joodse afkomst, bankier en grootaandeelhouder was van de bank H. Aufhäuser te München. Gedurende de vooroorlogse periode zou hij een aanzienlijke collectie schilderijen en prenten hebben verzameld. In de Kristallnacht van 8/9 november 1938 werd hij in het concentratiekamp Dachau geïnterneerd, terwijl de Gestapo het huis van het echtpaar leegroofde. De bank werd ‘geariseerd’ en voortgezet onder een andere naam. Na zijn vrijlating kregen Martin Aufhäuser en zijn echtgenote in maart 1939 toestemming van de Duitse autoriteiten om naar Nederland te vertrekken. Volgens verzoekers waren zij in staat enkele stukken uit de kunstcollectie mee te nemen, waaronder de thans geclaimde werken. In mei 1941 kreeg het echtpaar toestemming om naar de Verenigde Staten te reizen, in ruil voor de verkoop van een schilderij waar Göring belangstelling voor had.

  3. Het onderzoek heeft uitgewezen dat beide werken door ‘M. Aufhauser’ op 23 april 1941 te Amsterdam zijn verkocht aan de Duitse kunsthandelaar Alois Miedl van de Kunsthandel Voorheen J. Goudstikker NV, tezamen met een hoeveelheid andere schilderijen en voorwerpen van toegepaste kunst. Een en ander blijkt uit de inkoopfactuur die in de archieven van de kunsthandel is teruggevonden. Het schilderij van A.H. Lier en de aquarel van T. le Feubure zijn vervolgens naar een depot te München gezonden en na de oorlog uit Duitsland naar Nederland teruggevoerd.

  4. Eind 1952 heeft het Bureau Herstelbetalings- en Recuperatiegoederen de advocaat van de familie Aufhäuser schriftelijk op de hoogte gesteld van het feit dat de werken van Lier en Le Feubure gerecupereerd waren en in aanmerking konden komen voor teruggave, mits de eigendom werd bewezen en de destijds ontvangen koopsom zou worden afgedragen. In de documentatie is geen reactie van de familie Aufhäuser aangetroffen. De commissie overweegt dan ook dat geen sprake is van een in het verleden afgehandelde zaak en acht het verzoek ontvankelijk.

  5. Ingevolge het geldende rijksbeleid met betrekking tot de restitutie van kunstwerken, dient de commissie zich de vraag te stellen of aannemelijk is dat de geclaimde werken oorspronkelijk eigendom waren van Martin Aufhäuser, en of de werken onvrijwillig uit zijn bezit zijn geraakt door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime.

  6. Met betrekking tot de eigendomsvraag acht de commissie de lezing van verzoekers overtuigend dat Martin Aufhäuser in 1939 eigenaar was van de thans geclaimde kunstwerken en de werken heeft kunnen meenemen naar Nederland. In ieder geval staat vast dat de kunstwerken in april 1941 toebehoorden aan Martin Aufhäuser, aangezien hij de werken toen verkocht.

  7. Gezien het voorgaande acht de commissie het verzoek tot teruggave van de werken Drie mannen in een boot op wild water van A.H. Lier (NK 3228) en de aquarel Berglandschap met kasteel van T. le Feubure (NK 3229) toewijsbaar. De commissie is van mening dat daaraan geen voorwaarde tot afdracht van de destijds ontvangen koopsommen dient te worden verbonden, aangezien Martin Aufhäuser deze gelden zeer waarschijnlijk heeft aangewend voor zijn emigratie en dus niet ter vrije beschikking heeft gekregen. Hiervoor verwijst de commissie naar de toelichting van de Commissie Ekkart op haar aanbevelingen van 26 april 2001, waarin het volgende wordt gesteld: ‘In alle gevallen waarin betaling ontvangen is waarvan het waarschijnlijk is dat die uitsluitend besteed is aan al dan niet geslaagde pogingen het land te verlaten of onder te duiken, is er geen reden tot terugbetaling’.

Conclusie

De Restitutiecommissie adviseert de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om de werken Drie mannen in een boot op wild water van A.H. Lier (NK 3228) en de aquarel Berglandschap met kasteel van T. le Feubure (NK 3229) te restitueren aan de erven van Martin Aufhäuser.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 12 juni 2006,

B.J. Asscher (voorzitter)
J.Th.M. Bank
J.C.M. Leijten
P.J.N. van Os
E.J. van Straaten
H.M. Verrijn Stuart
I.C. van der Vlies

Samenvatting: