Een zilveren kidoesjbeker

NK 3519 (foto: RCE)

Advies inzake het verzoek van M. K. tot teruggave van een zilveren kidoesjbeker (NK 3519)

Dossiernummer: 
1.30
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
3 april 2006
Periode bezitsverlies: 
1940-1945
Oorspronkelijke eigenaar: 
Particulier
Plaats bezitsverlies: 
In Nederland

Bij brief van 2 mei 2005 verzocht de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de staatssecretaris) de Restitutiecommissie om advies over een verzoek van de heer M. K. tot teruggave van een zilveren kidoesjbeker met Hebreeuwse inscriptie, die onder inventarisnummer NK 3519 deel uitmaakt van de Rijkscollectie.

De procedure

Op 6 april 2005 diende de heer M. K. te H. zijn restitutieverzoek in bij de staatssecretaris naar aanleiding van een brief van 13 december 2004 van Bureau Herkomst Gezocht, waarin de heer K. en andere leden van zijn familie op de hoogte werden gesteld van de aanwezigheid van de kidoesjbeker in de NK-collectie, die volgens recent onderzoek mogelijk had toebehoord aan de overgrootvader van verzoeker.

Naar aanleiding van de adviesaanvraag van de staatssecretaris van 2 mei 2005 stelde de Restitutiecommissie een onderzoek naar de feiten in, waarbij zij zich kon baseren op de onderzoeksresultaten naar de herkomst van de beker van Bureau Herkomst Gezocht en op het onderzoek dat werd uitgevoerd door J. Kröger, medewerker van het Joods Historisch Museum. De onderzoeksresultaten van de commissie, samengevat in een conceptrapportage, zijn op 14 februari 2006 ter commentaar voorgelegd aan verzoeker. De uiteindelijke rapportage werd op 3 april 2006 door de commissie vastgesteld. Dit rapport wordt geacht deel uit te maken van dit advies.

De Restitutiecommissie heeft het onderhavige restitutieverzoek in verband met de leeftijd van betrokkene met voorrang behandeld. Desondanks is gebleken dat het voor dit advies noodzakelijke onderzoek geruime tijd in beslag heeft genomen.

Algemene overwegingen

a) De commissie laat zich bij haar advisering leiden door de beleidslijnen terzake van de Commissie Ekkart als overgenomen door de regering.

b) De commissie heeft zich de vraag gesteld of een uit te brengen advies invloed mag ondervinden van mogelijke consequenties in latere zaken. De commissie beantwoordt die vraag, behoudens onder bijzondere omstandigheden, ontkennend omdat een dergelijke invloed bezwaarlijk kan worden tegengeworpen aan de betrokken verzoeker.

c) De commissie heeft zich voorts afgevraagd op welke wijze moet worden omgegaan met het gegeven dat bepaalde feiten niet meer te achterhalen zijn, dat bepaalde gegevens verloren zijn gegaan of niet zijn teruggevonden of anderszins bewijzen niet meer zijn bij te brengen. De commissie is daaromtrent van mening dat, indien het tijdsverloop (mede) oorzaak is van de ontstane problemen, het risico daarvoor, behoudens onder bijzondere omstandigheden, behoort te liggen bij de overheid.

d) De commissie is van mening dat inzichten en omstandigheden die naar algemene maatschappelijke opvattingen sinds de Tweede Wereldoorlog klaarblijkelijk zijn veranderd, gelijk mogen worden gesteld aan nova (nieuwe feiten).

e) Onder onvrijwillig bezitsverlies wordt ook verstaan verkopen zonder instemming van de kunsthandelaar door Verwalters of andere niet door de eigenaar aangestelde beheerders uit de onder hun beheer gestelde oude handelsvoorraad, voor zover de oorspronkelijke eigenaar of zijn erven niet het volledige profijt van de transactie heeft genoten of voor zover de eigenaar niet na de oorlog uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van rechten.

Bijzondere overwegingen:

  1. De heer M. K. verzoekt teruggave van de kidoesjbeker (NK 3519) namens zichzelf en namens vier andere nakomelingen van zijn overgrootvader Hartog Koopman sr., geboren in 1809 of 1810 en gestorven in 1892 te Oud-Beijerland, te weten A.E.L. D.-S. te Z., F.R. H.-C. (zich noemende K.) te A., Nieuw Zeeland, M.I.C. M.-M. te H. en J.E. S. te A. De heer M. K. (hierna: verzoeker) gaf daarbij aan:

    Ik heb contact gehad met bovengenoemden en wij zijn het erover eens dat een verzoek tot teruggave moet worden gedaan, wat ik bij deze doe. Na teruggave zullen wij overleggen wat met de beker moet gebeuren.

    In dit kader heeft de commissie kennis genomen van een tweetal verklaringen van erfrecht, opgesteld door notaris C. Scheltema Beduin te Amsterdam, waaruit blijkt dat verzoeker en zijn zuster, F.R. H.-C., tot de erfgenamen behoren van twee van de zoons van Hartog Koopman sr., te weten de oudoom van verzoeker Abraham Koopman en grootvader van verzoeker Hartog Koopman jr. Tevens heeft de commissie kennis genomen van onderzoek van het Centraal Bureau voor Genealogie, waaruit blijkt dat Hartog Koopman sr. met zijn vrouw Saartje van den Berg twaalf kinderen kreeg.

  2. Het verzoek betreft een zilveren kidoesjbeker met een Hebreeuwse inscriptie, die sinds 1946 deel uitmaakt van de Rijkscollectie. Met het woord kidoesj, dat letterlijk heiliging betekent, wordt in de joodse traditie de zegening aangeduid die wordt uitgesproken over een glas of beker wijn ter gelegenheid van het begin en de afsluiting van de sjabbat en bij andere feestdagen en plechtigheden. Tot voor kort was de herkomst van de kidoesjbeker (NK 3519) en de betekenis van de Hebreeuwse inscriptie onbekend. J. Kröger, medewerker van het Joods Historisch Museum te Amsterdam en specialist op het gebied van Hebreeuwse teksten, verrichtte eind 2004 onderzoek naar de kidoesjbeker en de inscriptie. De vertaling van deze inscriptie luidt als volgt:

    ---- De heilige gemeente Oud-Beijerland
    Aan de geliefde Heer Zwi, zoon van van de heer Uri
    ---Toen hij tachtig werd
    ----Niesan [5]649 (=1889)

    Daarnaast kwam J. Kröger tot de volgende constateringen. In joodse kring wordt de naam Zwi ook wel als Hartog weergegeven en staat de naam Uri gelijk aan Philip. Hartog Koopman sr. was een zoon van Philip Koopman en vierde in april 1889 zijn tachtigste verjaardag. Hij was een prominent lid van de Israëlitische Gemeente van Oud-Beijerland en was in het dorp tevens een bekend middenstander. Ook had hij de Israëlitische Gemeente enkele synagogale objecten geschonken. Hoogstwaarschijnlijk is Hartog Koopman sr. degene die door de joodse gemeenschap van Oud-Beijerland werd aangeduid als Zwi, zoon van Uri en het geclaimde voorwerp in april 1889 van de Israëlitische Gemeente van Oud-Beijerland ontving als blijk van waardering. De commissie neemt deze conclusie over en merkt Hartog Koopman sr. aan als eerste eigenaar van de kidoesjbeker in de Rijkscollectie (NK 3519), waarvan nu teruggave wordt verzocht.

  3. De vraag die vervolgens aan de orde komt is die naar de eigendomssituatie rond 1940. De commissie dient de staatssecretaris immers te adviseren over het bezitsverlies ten tijde van het naziregime, waarvoor de eigendomssituatie rond 1940 als uitgangspunt zal moeten gelden. Verzoeker stelt hieromtrent dat het waarschijnlijk is dat de beker door vererving eigendom is geworden van Meier Koopman, een van de zonen van Hartog Koopman sr. Naar beste weten van verzoeker was Meier Koopman de enige mannelijke erfgenaam die ten tijde van het overlijden van Hartog Koopman sr. in 1892 een zoon had. Deze kleinzoon van Hartog Koopman sr., Hartog Koopman jr. geheten, werd in 1889 te Oud-Beijerland geboren en zou de beker van zijn vader Meier hebben geërfd en deze tijdens de oorlog als gevolg van het nazibewind zijn verloren. Hartog Koopman jr. was de oom van verzoeker. Ten aanzien hiervan heeft het onderzoek uitgewezen dat Hartog Koopman jr., die met zijn vrouw en drie kinderen op 9 juli 1943 te Sobibor om het leven is gebracht, gedurende de oorlog door toedoen van het naziregime op diverse manieren werd beroofd van zijn bezittingen. Daarnaast heeft het onderzoek aangetoond dat de kidoesjbeker na de oorlog deel uitmaakte van een zending naar Nederland gerecupereerde sieraden, effecten en andere waardeobjecten, waarvan bekend was dat deze tijdens de oorlog waren geroofd van in Nederland gevangen genomen personen, voornamelijk joden. Onder deze zending van gerecupereerde voorwerpen bevonden zich trouwringen en andere sieraden die vermoedelijk hebben toebehoord aan een persoon met de naam ‘Koopman’. Of dit Hartog Koopman jr. betrof blijkt echter niet meer te achterhalen: de bewuste sieraden zijn in de naoorlogse jaren, evenals andere sieraden waarvan de oorspronkelijke eigenaren niet konden worden getraceerd, omgesmolten of verkocht en daardoor niet meer beschikbaar voor nadere inspectie. Nader onderzoek van de commissie naar eventuele gewoontes binnen de joodse traditie, die aanwijzingen zouden kunnen opleveren met betrekking tot de vraag wie van de vele (klein)kinderen van Hartog Koopman sr. in aanmerking kwam als nieuwe bezitter, heeft geen resultaat opgeleverd. Wel is uit dit onderzoek naar voren gekomen dat kidoesjbekers als familiestuk gelden en dan ook gewoonlijk binnen de familie zullen worden doorgegeven. Verder zou het, in het geval van schenking aan een derde, bijvoorbeeld aan een synagoge, in de lijn der verwachting liggen dat een (tweede) inscriptie in de beker van een dergelijke schenking zou getuigen. Van dit laatste is geen sprake.

  4. Op basis van de hiervoor beschreven feiten acht de commissie het voldoende aannemelijk dat de kidoesjbeker in 1940 eigendom was van een van de nakomelingen van Hartog Koopman sr. Voor zover nodig, verwijst de commissie daarbij naar haar algemene overweging onder c, op grond waarvan het risico voor het verloren gaan van bewijzen voor rekening van de overheid dient te komen. Een nader oordeel over de vraag welke van de (klein)kinderen van Hartog Koopman sr. in 1940 als eigenaar dient te worden aangemerkt, waarvoor eenduidige aanwijzingen ontbreken, acht de commissie niet noodzakelijk. Allereerst overweegt zij daarvoor dat verzoeker zijn claim indiende in overleg met, en mede namens, de op dit moment bekende nakomelingen van Hartog Koopman sr., en niet namens de erfgenamen van Hartog Koopman jr. Bij dit oordeel neemt zij tevens de bijzondere (ceremoniële) betekenis van de beker voor alle nakomelingen van Hartog Koopman sr. in aanmerking. Onder verwijzing naar het feit dat de kidoesjbeker in 1946 deel uitmaakte van een zending gerecupereerde goederen die werd omschreven als 'van Nederlandse gevangenen geroofde goederen' concludeert de commissie dat het bezitsverlies van de kidoesjbeker een onvrijwillig karakter had, namelijk als gevolg van vervolging door het naziregime. Aangezien er in dit geval geen sprake is van een eerder teruggaveverzoek, is het huidige verzoek naar het oordeel van de commissie dan ook ontvankelijk en toewijsbaar.

Conclusie

De commissie adviseert de staatssecretaris het verzoek tot teruggave van de zilveren kidoesjbeker, bekend als NK 3519, te honoreren en tot teruggave over te gaan aan verzoeker en aan degenen namens wie de claim werd ingediend, ten behoeve van de erven van Hartog Koopman sr.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 3 april 2006,

B.J. Asscher (voorzitter)
J.Th.M. Bank
J.C.M. Leijten
P.J.N. van Os
E.J. van Straaten
H.M. Verrijn Stuart
I.C. van der Vlies

Samenvatting: