Kunsthandel Mozes Mogrobi

NK 411 (foto: RCE)

Advies inzake het verzoek tot teruggave van vijftien voorwerpen van toegepaste kunst uit de handelsvoorraad van Kunsthandel Mozes Mogrobi

Dossiernummer: 
1.37
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
12 februari 2007
Periode bezitsverlies: 
1940-1945
Oorspronkelijke eigenaar: 
Kunsthandel
Plaats bezitsverlies: 
In Nederland

Bij brief van 14 juli 2005 verzocht de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) de Restitutiecommissie om advies over de te nemen beslissing op het verzoek van A.M. J. te A., mede namens zijn zusters R.S. J., J.M. J. en E.H. J. (hierna: verzoekers), tot teruggave van vijftien voorwerpen van toegepaste kunst uit de voormalige handelsvoorraad van Kunsthandel Mozes Mogrobi, de kunsthandel van de grootvader van verzoekers (hierna: Kunsthandel Mogrobi). De vijftien voorwerpen maken sinds hun recuperatie naar Nederland na de Tweede Wereldoorlog deel uit van de Nederlands Kunstbezit-collectie (hierna: NK-collectie) en zijn geregistreerd onder veertien inventarisnummers, te weten NK 170, NK 186 A-B, NK 219, NK 347, NK 348, NK 350, NK 353, NK 356, NK 361, NK 411, NK 414, NK 419, NK 464 en NK 595.

De procedure

De aanleiding voor het restitutieverzoek vormde de publicatie van Deelrapportage VI van Bureau Herkomst Gezocht (hierna: BHG) waarin enkele kunstvoorwerpen werden genoemd die volgens BHG tot op verschillende momenten tijdens de Tweede Wereldoorlog deel uitmaakten van de handelsvoorraad van Kunsthandel Mogrobi. In vervolg op deze publicatie correspondeerde verzoeker A.M. J. met het ministerie van OCW, waarna hij op 23 juni 2005 een restitutieverzoek indiende. Naar aanleiding van het vervolgens aan de Restitutiecommissie voorgelegde adviesverzoek heeft de commissie een onderzoek naar de feiten uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een conceptrapport van 25 september 2006. Dit conceptrapport is voorgelegd aan verzoekers, waarop zij bij monde van A.M.J. telefonisch hebben gemeld geen opmerkingen te hebben. Het rapport, dat geacht wordt deel uit te maken van het advies en waarnaar wordt verwezen voor wat betreft de feiten, is vastgesteld in de vergadering van de commissie van 12 februari 2007.

In verband met een aangekondigde tegenstrijdige claim op één van de vijftien teruggevraagde kunstvoorwerpen - een negentiende-eeuws bronzen beeld van C.E. Meunier (NK 414) - heeft de commissie tijdens haar vergadering van 12 februari 2007 besloten de advisering over NK 414 aan te houden en in te schrijven als zaaknummer RC 1.60..... Het onderhavige advies heeft derhalve geen betrekking op NK 414 en in het hiernavolgende wordt dan ook uitgegaan van een verzoek tot teruggave van veertien voorwerpen van toegepaste kunst (dertien NK-nummers, zie bijlage 1 bij dit advies).

Algemene overwegingen

a) De commissie laat zich bij haar advisering leiden door de beleidslijnen terzake van de Commissie Ekkart als overgenomen door de regering.

b) De commissie heeft zich de vraag gesteld of een uit te brengen advies invloed mag ondervinden van mogelijke consequenties in latere zaken. De commissie beantwoordt die vraag, behoudens onder bijzondere omstandigheden ontkennend omdat een dergelijke invloed bezwaarlijk kan worden tegengeworpen aan de betrokken verzoeker.

c) De commissie heeft zich voorts afgevraagd op welke wijze moet worden omgegaan met het gegeven dat bepaalde feiten niet meer te achterhalen zijn, dat bepaalde gegevens verloren zijn gegaan of niet zijn teruggevonden of anderszins bewijzen niet meer zijn bij te brengen. De commissie is daaromtrent van mening dat, indien het tijdsverloop (mede) oorzaak is van de ontstane problemen, het risico daarvoor, behoudens onder bijzondere omstandigheden, behoort te liggen bij de overheid.

d) De commissie is van mening dat inzichten en omstandigheden die naar algemene maatschappelijke opvattingen sinds de Tweede Wereldoorlog klaarblijkelijk zijn veranderd, gelijk mogen worden gesteld aan nova (nieuwe feiten).

e) Onder onvrijwillig bezitsverlies wordt ook verstaan verkopen zonder instemming van de kunsthandelaar door Verwalters of andere niet door de eigenaar aangestelde beheerders uit de onder hun beheer gestelde oude handelsvoorraad, voor zover de oorspronkelijke eigenaar of zijn erven niet het volledige profijt van de transactie heeft genoten of voor zover de eigenaar niet na de oorlog uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van rechten.

Bijzondere overwegingen:

  1. Verzoekers vragen teruggave van veertien voorwerpen van toegepaste kunst uit de NK-collectie (dertien NK-nummers, bijlage 1), die volgens de onderzoeksgegevens van BHG afkomstig zijn uit de handelsvoorraad van Kunsthandel Mogrobi, de zaak waarvan hun grootvader, en na de Tweede Wereldoorlog hun grootmoeder, enige eigenaar was. Verzoekers treden bij het restitutieverzoek op in hun hoedanigheid van erfgenamen van Mozes Mogrobi (1898-1944) en zijn weduwe Zilia Mogrobi-Jacobi (1897-1971). Laatstgenoemde zette na de bevrijding de zaak van haar omgekomen echtgenoot tot 1 oktober 1956 als enige eigenaar voort. Kunsthandel Mogrobi is in 1956 in liquidatie getreden en met ingang van 1 oktober 1956 opgeheven. De commissie heeft kennis genomen van verschillende verklaringen van erfrecht, respectievelijk opgesteld door Theodoor Heimans en Redmer Bouwman, beiden notaris te Amsterdam.

  2. De relevante feiten zijn in het voormelde onderzoeksrapport van 12 februari 2007 in den brede beschreven. Hier wordt volstaan met de volgende samenvatting. Mozes Mogrobi werd op 10 februari 1898 geboren te Alexandrië, Egypte. Mozes Mogrobi was van joodse afkomst en bezat na zijn geboorte de Ottomaanse nationaliteit, die hij op onbekend tijdstip verloor. In 1921 trad hij in Nederland in het huwelijk met Zilia Jacobi, die de Nederlandse nationaliteit bezat en eveneens van joodse afkomst was. Uit het onderzoek blijkt dat Mozes Mogrobi ten tijde van de huwelijksvoltrekking statenloos was en een zogenaamd gunstpaspoort bezat. Het echtpaar Mogrobi-Jacobi kreeg twee kinderen, te weten Alfred Mogrobi (1921-1944) en Sonja Mogrobi (1923-1987). Vanaf 1 mei 1921 dreef Mozes Mogrobi als enige eigenaar een kunst- en antiekhandel in Amsterdam, genaamd Kunsthandel Mozes Mogrobi. De kunsthandel was vanaf 1933 gevestigd op Spiegelgracht 11, tevens het woonadres van het gezin Mogrobi.

  3. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Kunsthandel Mogrobi op een onbekend moment na de uitvaardiging van de verordening tot verwijdering van joden uit het bedrijfsleven (12 maart 1941) door de Duitse bezetter verzegeld. Uit de geraadpleegde kunsthistorische archieven blijkt dat Mozes Mogrobi in ieder geval op 24 juni 1941 nog als koper op de kunstmarkt actief was, maar na deze datum niet meer als koper voorkomt. Mozes Mogrobi en zijn echtgenote doken op onbekende datum onder. In juli 1944 werd het gezin Mogrobi gearresteerd en gedeporteerd naar kamp Auschwitz, waar Mozes Mogrobi in september 1944 om het leven kwam. Zijn zoon Alfred Mogrobi overleed in december 1944 in kamp Buchenwald. Zilia Mogrobi-Jacobi en haar dochter Sonja Mogrobi overleefden de oorlog.

  4. Met zekerheid zijn in de periode die volgde op de gebeurtenissen in 1941 tot aan juli 1944 kunstwerken uit de handelsvoorraad van Kunsthandel Mogrobi vervreemd. Uit het onderzoek is gebleken dat de meeste van de thans geclaimde kunstvoorwerpen, die hieronder nader aan de orde zullen komen, in deze periode zijn verworven door Duitse kopers. Daarnaast is vast komen te staan dat in juli 1944 kunstvoorwerpen, die op dat moment nog aanwezig waren op Spiegelgracht 11 – het adres van de kunsthandel en tevens het privéadres van het gezin Mogrobi – op last van de Duitse instelling Omnia Treuhandgesellschaft mbH zijn geconfisqueerd en op 25 juli 1944 geveild bij het veilinghuis Mak van Waay te Amsterdam. Van laatstgenoemde veiling is een catalogus opgemaakt, waaruit blijkt dat geen van de geclaimde kunstvoorwerpen hier zijn ingebracht.

  5. Na de bevrijding zette Zilia Mogrobi-Jacobi de zaak van haar overleden echtgenoot voort tot 1 oktober 1956. Met betrekking tot de gebeurtenissen tijdens de oorlog en de geleden financiële schade verklaarde Zilia Mogrobi-Jacobi in 1947 het volgende:

    ‘De totaalschade, welke wij gedurende de bezettingstijd door diefstal uit onze zaak enz. enz. geleden hebben, bedraagt circa 50.000 gulden. Verder is onze privé-boedel in veiling gebracht bij de Fa. S. Mak van Waay, hetgeen ongeveer 58.000 gulden heeft opgebracht’.

    Met betrekking tot de geleden financiële schade diende zij na de bevrijding bij verschillende instanties vorderingen tot compensatie in. Of en in hoeverre deze vorderingen zijn toegekend is niet bekend, maar voor zover de commissie heeft kunnen nagaan heeft geen van deze vorderingen betrekking op de in het onderhavige restitutieverzoek teruggevraagde kunstvoorwerpen. Evenmin is na de oorlog sprake geweest van enig contact tussen de Nederlandse rechtsherstelautoriteiten en Zilia Mogrobi-Jacobi over de thans geclaimde kunstwerken. Van een eerder afgehandelde zaak is dan ook geen sprake.

  6. Het onderzoek naar de veertien kunstvoorwerpen die onder het huidige teruggaveverzoek vallen, wijst uit dat het merendeel, namelijk twaalf NK-nummers, tijdens de oorlog tot de handelsvoorraad behoorde van Kunsthandel Mogrobi. Uit archiefonderzoek is allereerst gebleken dat NK 170 in juli 1942 door Kunsthandel Mogrobi is verkocht aan het St. Annen Museum te Lübeck. Vervolgens heeft het onderzoek uitgewezen dat de kunstvoorwerpen geregistreerd onder de inventarisnummers NK 186 A-B, NK 347, NK 348, NK 350, NK 353, NK 361 en NK 595 in het jaar 1942 bij Kunsthandel Mogrobi werden aangekocht door de Kunstsammlungen der Stadt Düsseldorf. Dezelfde Duitse instelling verwierf het huidige NK 356 in het jaar 1943 bij de kunsthandel. Omtrent NK 419 en NK 464 is in de bronnen vermeld dat Kunsthandel Mogrobi deze voorwerpen in 1943 of 1944 aan het Thaulow Museum te Kiel verkocht. Tot slot staat met betrekking tot NK 411 vast dat het kunstvoorwerp op onbekend moment tijdens de Tweede Wereldoorlog door dr. Valentin te Stuttgart is gekocht bij Kunsthandel Mogrobi. Meer informatie over de omstandigheden waaronder de verkopen plaatsvonden, alsmede gegevens over de bij de transacties betrokken personen, heeft het onderzoek niet opgeleverd.

  7. Ingevolge het geldende restitutiebeleid dient de commissie zich de vraag te stellen of het in hoge mate aannemelijk is dat de kunstvoorwerpen in eigendom toebehoorden aan Kunsthandel Mogrobi en onvrijwillig zijn verloren, door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime. Dat de hiervoor genoemde NK-nummers in eigendom toebehoorden aan Kunsthandel Mogrobi en tijdens de oorlog zijn vervreemd, is aangetoond door het onderzoek zoals hiervoor onder 6 beschreven. De vraag of het bezitsverlies van deze kunstvoorwerpen als onvrijwillig dient te worden aangemerkt, beantwoordt de commissie eveneens bevestigend. Hierbij overweegt de commissie dat deze kunstvoorwerpen, met uitzondering van NK 411 (zie overweging 8), in de periode vanaf 1942 zijn verworven door Duitse kopers, een periode waarin Mozes Mogrobi niet geacht kan worden in vrijheid te hebben kunnen handelen gezien de hierboven onder 3 en 4 beschreven omstandigheden. Daarbij wijst de commissie met name op de verzegeling van de kunsthandel door de bezetter en de vervolging en onderduiking van het echtpaar Mogrobi, gebeurtenissen die naar de commissie aanneemt in dezelfde periode plaatsvonden. Ten overvloede wijst de commissie hierbij nog op de onder 5 geciteerde verklaring van Zilia Mogrobi-Jacobi, waaruit is op te maken dat zij, naast de confiscatie in 1944, schade had geleden door andere vormen van roof, zoals diefstal. Gezien het voorgaande acht de commissie het verzoek tot teruggave van NK 170, NK 186 A-B, NK 347, NK 348, NK 350, NK 353, NK 361, NK 595, NK 356, NK 419 en NK 464 toewijsbaar.

  8. Eén van de twaalf onder 6 genoemde NK-nummers, te weten NK 411, is op onbekend moment tijdens de Tweede Wereldoorlog aan een Duitse koper verkocht. Omdat informatie betreffende het tijdstip van deze transactie ontbreekt en het onbekend is of de verkoop met instemming van Mozes Mogrobi heeft plaatsgevonden, kan de vraag betreffende de onvrijwilligheid van het bezitsverlies niet met zekerheid worden beantwoord. Gezien de hiervoor beschreven omstandigheden waaruit blijkt dat Mozes Mogrobi vrij snel na de bezetting al enige zeggenschap over zijn kunsthandel moet hebben verloren, en voor zover nodig onder verwijzing naar de algemene overweging van de commissie onder c, waarin wordt gesteld dat het risico van het teloorgaan van gegegevens door het tijdsverloop bij de overheid dient te liggen, oordeelt de commissie dat ook voor wat betreft NK 411 de onvrijwilligheid van het bezitsverlies voldoende aannemelijk is. De commissie acht het teruggaveverzoek voor wat betreft NK 411 eveneens toewijsbaar.

  9. Van één van de dertien NK-nummers waarvan teruggave wordt verzocht, te weten NK 219, is niet vast komen te staan dat dit bij aanvang van de oorlog deel uitmaakte van de handelsvoorraad van Kunsthandel Mogrobi. Weliswaar is bekend dat dit voorwerp in 1931 toebehoorde aan Kunsthandel Mogrobi, maar informatie waaruit blijkt waar het voorwerp zich de tien daaropvolgende jaren bevond, is niet voorhanden. Het voorwerp werd in 1941 aangekocht door het Museum für Kunstgewerbe in Frankfurt am Main, maar het is onbekend van wie dit museum het voorwerp verwierf. Aangezien een kunsthandel het vervreemden van kunstwerken als doelstelling heeft, acht de commissie onvoldoende aannemelijk dat NK 219 bij aanvang van de bezetting nog deel uitmaakte van de handelsvoorraad van Kunsthandel Mogrobi. Onder verwijzing naar de aanbevelingen van de Commissie Ekkart hanteert de commissie hiervoor het criterium dat het eigendomsrecht in hoge mate aannemelijk dient te zijn. Op basis van de huidige informatie bestaat derhalve onvoldoende grondslag voor toewijzing van het restitutieverzoek van NK 219.

  10. Aangezien de commissie in deze zaak geen enkele aanwijzing heeft aangetroffen dat Kunsthandel Mogrobi voor de teruggevraagde kunstwerken ooit een tegenprestatie heeft ontvangen, kan van terugbetaling van een ontvangen tegenprestatie geen sprake zijn.

Conclusie

De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om de kunstvoorwerpen geregistreerd onder de inventarisnummers NK 170, NK 186 A-B, NK 347, NK 348, NK 350, NK 353, NK 356, NK 361, NK 411, NK 419, NK 464 en NK 595 te restitueren aan de erven van Mozes Mogrobi en Zilia Mogrobi-Jacobi, de opeenvolgende eigenaren van de in 1956 geliquideerde Kunsthandel Mozes Mogrobi.

De commissie adviseert de minister het verzoek tot teruggave van NK 219 af te wijzen.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 12 februari 2007,

B.J. Asscher (voorzitter)
J.Th.M. Bank
J.C.M. Leijten
P.J.N. van Os
E.J. van Straaten
H.M. Verrijn Stuart
I.C. van der Vlies