Von Marx-May

NK 2896 (foto: RCE)

Advies inzake het verzoek tot teruggave van vijf schilderijen uit de NK-collectie uit voormalig bezit van de familie Von Marx-May

Dossiernummer: 
1.39
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
25 juni 2007
Periode bezitsverlies: 
1940-1945
Oorspronkelijke eigenaar: 
Particulier
Plaats bezitsverlies: 
In Nederland

Bij brief van 19 september 2005 verzocht de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) de Restitutiecommissie om advies over de te nemen beslissing op het verzoek van 2 september 2005 van R.v.M. (hierna: verzoeker) tot teruggave van zes werken uit de collectie Nederlands Kunstbezit, te weten NK 1959, NK 2132, NK 2421, NK 2717, NK 2896 en NK 2558 uit voormalig bezit van de familie Von Marx-May. Het schilderij NK 1959 (N. de Largillière, Portret van een vrouw) bevindt zich momenteel in bruikleen in het Museum Boijmans Van Beuningen te Rotterdam; het werk NK 2717 (J. Van Walscappelle, Stilleven met druiven, mispel en muis) is in bruikleen gegeven aan het Dordrechts Museum en het schilderij NK 2896 (J. Snellinck II, Stilleven met bloemen en fruit) bevindt zich in bruikleen bij Museum Het Prinsenhof te Delft. De schilderijen NK 2132 (J. De Wit, Vanitas), NK 2558 (Wieringa, Portret van een man) en NK 2421 (Q.G. van Brekelenkam, Interieur met vrouw en kinderen) zijn opgeslagen in het depot van het Instituut Collectie Nederland (ICN) te Rijswijk. Het laatstgenoemde schilderij (NK 2421) wordt vanwege onherstelbare brandschade door het ICN als ‘total loss’ aangemerkt.

De procedure

Aanleiding voor het restitutieverzoek vormde een informatieverzoek van Bureau Herkomst Gezocht (BHG) van 12 november 2004 aan verzoeker met betrekking tot genoemde werken.

Naar aanleiding van het vervolgens ingediende restitutieverzoek heeft de Restitutiecommissie een onderzoek naar de feiten uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een conceptrapport van 15 januari 2007. Het conceptrapport is vervolgens voor commentaar voorgelegd aan verzoeker en aan de Minister van OCW op 14 februari 2007. Omdat uit het onderzoek was gebleken dat het werk NK 2558 oorspronkelijk eigendom was van een oudoom van verzoeker, Robert May, en verzoeker niet in een erfrechtelijke relatie tot hem staat, heeft verzoeker bij brief van 20 maart 2007 aangegeven de claim op dat werk niet te handhaven. Het restitutieverzoek is daarmee tot vijf NK-werken teruggebracht. Het onderzoeksrapport is vervolgens vastgesteld op 25 juni 2007. Voor de feiten in deze zaak verwijst de commissie naar het onderzoeksrapport, dat geacht wordt deel uit te maken van dit advies.

Algemene overwegingen

a) De commissie laat zich bij haar advisering leiden door de beleidslijnen terzake van de Commissie Ekkart als overgenomen door de regering.

b) De commissie heeft zich de vraag gesteld of een uit te brengen advies invloed mag ondervinden van mogelijke consequenties in latere zaken. De commissie beantwoordt die vraag, behoudens onder bijzondere omstandigheden ontkennend omdat een dergelijke invloed bezwaarlijk kan worden tegengeworpen aan de betrokken verzoeker.

c) De commissie heeft zich voorts afgevraagd op welke wijze moet worden omgegaan met het gegeven dat bepaalde feiten niet meer te achterhalen zijn, dat bepaalde gegevens verloren zijn gegaan of niet zijn teruggevonden of anderszins bewijzen niet meer zijn bij te brengen. De commissie is daaromtrent van mening dat, indien het tijdsverloop (mede) oorzaak is van de ontstane problemen, het risico daarvoor, behoudens onder bijzondere omstandigheden, behoort te liggen bij de overheid.

d) De commissie is van mening dat inzichten en omstandigheden die naar algemene maatschappelijke opvattingen sinds de Tweede Wereldoorlog klaarblijkelijk zijn veranderd, gelijk mogen worden gesteld aan nova (nieuwe feiten).

e) Onder onvrijwillig bezitsverlies wordt ook verstaan verkopen zonder instemming van de kunsthandelaar door Verwalters of andere niet door de eigenaar aangestelde beheerders uit de onder hun beheer gestelde oude handelsvoorraad, voor zover de oorspronkelijke eigenaar of zijn erven niet het volledige profijt van de transactie heeft genoten of voor zover de eigenaar niet na de oorlog uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van rechten.

Bijzondere overwegingen:

  1. Verzoeker vraagt restitutie van vijf NK-werken. De schilderijen NK 2132 en NK 2717 behoorden mogelijk toe aan zijn grootouders, Siegfried Paul Daniel May en Rosine Mariane May-Fuld. De overige geclaimde werken, NK 1959, NK 2421 en NK 2896, waren mogelijk afkomstig uit het bezit van zijn ouders, Ellen van Marx-May (1897-1970) en Alexander van Marx (1895-1980).[1] In dit advies worden de aanspraken op NK-werken uit bezit van het echtpaar May-Fuld en die van het echtpaar Van Marx-May afzonderlijk behandeld.

  2. Verzoeker vraagt restitutie van de schilderijen in de hoedanigheid van erfgenaam van zijn ouders en grootouders. Hij heeft aangegeven op te treden namens de gezamenlijke erfgenamen, volgens verzoeker zijn zuster V.M.-V.M. en hijzelf. De commissie heeft in dit kader kennis genomen van een verklaring van erfrecht uit 1947, waarin Ellen van Marx-May als enig erfgename van haar ouders, Siegfried Paul Daniel May en Rosine Mariane Fuld wordt aangewezen.

  3. De grootouders van verzoeker, Siegfried Paul Daniel May (hierna: Paul May) en Rosine Mariane May-Fuld (hierna: Rosine Fuld) waren van joodse afkomst en woonden bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in Zeist. Paul May was medevennoot van de bank Lippmann, Rosenthal en Co aan de Spiegelstraat te Amsterdam (hierna: Liro-Spiegelstraat).[2] Het echtpaar pleegde op 15 mei 1940 zelfmoord. Hun enige dochter, Ellen May, was rond 14 mei 1940 naar de Verenigde Staten gevlucht met haar echtgenoot, Alexander van Marx, en hun drie kinderen (onder wie verzoeker). De bank Liro-Spiegelstraat werd als vijandelijk vermogen aangemerkt en onder bewind gesteld van een Duitse Verwalter, A. Flesche.

  4. Herkomst May-Fuld

  5. Ten aanzien van de geclaimde werken uit voormalig bezit van Paul May en Rosine Fuld heeft het onderzoek het volgende uitgewezen. Een broer van Paul May, Robert May, eveneens vennoot van de bank Liro-Spiegelstraat, werd kort na de dood van het echtpaar aangesteld als curator over de nalatenschappen van Paul May en Rosine Fuld. Op aanwijzing van Verwalter Flesche gaf Robert May op 27 februari 1941 beide nalatenschappen aan als vijandelijk vermogen bij de Deutsche Revisions- und Treuhand A.G., (hierna: DRT). Reden daarvoor was gelegen in het feit dat erfgename Ellen van Marx-May zich (tijdelijk) op vijandelijk grondgebied bevond of had bevonden. In maart 1941 stelde de bezettingsautoriteit een Duitse bewindvoerder aan over de nalatenschappen van Paul May en zijn echtgenote. In diens opdracht werd in de periode 14-17 oktober 1941 en 2-5 december 1941 een deel van de boedel geveild bij veilinghuis Frederik Muller & Co te Amsterdam. De veilingen brachten ongeveer NLG 450.000 op, waarvan in april 1942 NLG 441.000 werd overgemaakt op rekening van de DRT.

  6. Uit verschillende archiefstukken is gebleken dat Ellen van Marx-May, als enig erfgename, na de oorlog verschillende rechtszaken heeft gevoerd met betrekking tot de verkochte inboedel van haar ouders en de veilingopbrengst. In een uitspraak van 29 december 1947 betreffende een voorwerp uit de verkochte inboedel oordeelde de Raad voor het Rechtsherstel, Afdeling Rechtspraak te Amsterdam, dat sprake was geweest van een verkoop ‘tegen den wil der rechthebbende (verzoekster) en waarvan de opbrengst niet te hare bate is gekomen’. Ook de commissie merkt de verkoop van de inboedel van het echtpaar May-Fuld door de Duitse bewindvoerder aan als een gedwongen verkoop. Vermoedelijk is uiteindelijk ten minste een deel van de veilingopbrengst aan Ellen van Marx-May uitgekeerd. Het valt echter niet meer te achterhalen welk bedrag daarmee was gemoeid.

  7. Met betrekking tot het geclaimde schilderij NK 2132 (Jacob de Wit, Vanitas) heeft het onderzoek uitgewezen dat het werk op de genoemde veiling van 17 oktober 1941 is gekocht door Kunsthandel Voorheen J. Goudstikker N.V., die toen onder leiding stond van de Duitser Alois Miedl. Uit de bewaard gebleven veilingcatalogus blijkt dat het schilderij afkomstig was uit de nalatenschappen van het echtpaar May-Fuld. Verder is komen vast te staan dat Miedl het schilderij in 1943 heeft verkocht aan een koper in Duitsland. Na de oorlog werd het schilderij gerecupereerd, maar er zijn geen aanwijzingen dat de nabestaanden van het echtpaar May-Fuld hiervan door de Nederlandse autoriteiten op de hoogte zijn gesteld.

  8. Nu geen sprake is van een in het verleden afgehandelde zaak acht de commissie het verzoek tot teruggave van dit werk ontvankelijk. Voorts oordeelt de commissie dat aan de vereisten voor teruggave is voldaan. Het onderzoek heeft immers duidelijk gemaakt dat het werk oorspronkelijk toebehoorde aan het echtpaar May-Fuld en dat het bezit ervan onvrijwillig is verloren. De commissie adviseert het verzoek tot restitutie van NK 2132 dan ook toe te wijzen.

  9. Ten aanzien van het geclaimde werk NK 2717 (J.A. van Walscappelle, Stilleven met druiven, mispel en muis) heeft het onderzoek geen sluitende herkomstgegevens kunnen verschaffen. Wel is uit het onderzoek gebleken dat Paul May het werk vermoedelijk in of na 1917 kocht van Kunsthandel J. Goudstikker. Daarnaast blijkt uit archiefstukken van de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK) dat het werk in 1944 is verkocht door de Amsterdamse kunsthandelaar Jan Dik jr. en uiteindelijk werd aangekocht ten behoeve van het op te richten Führermuseum te Linz. Het is niet duidelijk geworden wanneer en van wie Jan Dik jr. het werk verwierf. Ook is niet meer te achterhalen of het werk aan het begin van de oorlog nog in bezit was van Paul May en of er sprake is geweest van onvrijwillig bezitsverlies.

  10. Ingevolge het rijksbeleid voor restitutie van kunstwerken kan slechts tot teruggave worden geadviseerd indien in hoge mate aannemelijk is dat het geclaimde werk eigendom was van Paul May of diens echtgenote, en indien het kunstwerk onvrijwillig is verloren door omstandigheden die direct verband houden met het naziregime. Gezien het ontbreken van gegevens gedurende de periode 1917-1944, acht de commissie het weliswaar mogelijk maar niet in hoge mate aannemelijk dat het werk aan het begin van de oorlog nog aan het echtpaar May-Fuld toebehoorde. Een aanwijzing dat het werk niet meer tot hun bezit behoorde ligt besloten in het feit dat het schilderij NK 2717 niet is opgenomen in de veilingcatalogus van Frederik Muller & Co aangaande de verkoop van de gehele inboedel van het echtpaar in 1941. Onder de huidige stand van het onderzoek ziet de commissie derhalve onvoldoende grondslag voor toewijzing van het verzoek tot teruggave van dit schilderij en adviseert zij het verzoek af te wijzen.

  11. Herkomst Van Marx-May

  12. Met betrekking tot de geclaimde schilderijen uit het bezit van het echtpaar Van Marx-May (NK 1959, NK 2421 en NK 2896) heeft het onderzoek het volgende opgeleverd. Uit naoorlogse correspondentie tussen Robert May en de SNK is duidelijk geworden dat de gehele inboedel van het echtpaar, enkele jaren na hun vlucht naar de Verenigde Staten, in opdracht van Verwalter Flesche in de periode 18-21 juli 1944 is geveild bij veilinghuis Frederik Muller & Co. Uit meerdere bronnen is gebleken dat daarbij ook de werken NK 1959, NK 2421 en NK 2896 zijn verkocht. De commissie heeft onder meer kennis genomen van de veilingcatalogus van het veilinghuis en van stukken uit het SNK-archief, waarin bevestigd wordt dat deze schilderijen oorspronkelijk eigendom waren van het echtpaar Van Marx-May. De drie geclaimde werken zijn na de veiling uiteindelijk in Duitsland beland. Er zijn aanwijzingen dat de netto-opbrengst van de veiling is gestort op rekening van de Liro-Spiegelstraat ten name van Ellen van Marx-May. Er zijn geen gegevens aangetroffen waaruit afgeleid kan worden dat de opbrengsten daadwerkelijk door haar zijn ontvangen.

  13. Na de oorlog zijn genoemde kunstwerken uit Duitsland gerecupereerd. Met betrekking tot NK 1959 heeft de SNK in september 1950 gecorrespondeerd met een vertegenwoordiger van Liro-Spiegelstraat, die daarbij optrad voor Ellen van Marx-May. Hoewel uit deze briefwisseling valt af te leiden dat Ellen van Marx-May geen belangstelling toonde voor teruggave, kan dit naar de mening van de commissie geen gevolgen hebben voor de ontvankelijkheid van het huidige restitutieverzoek. De zaak is destijds immers niet uitgemond in een vonnis van een bevoegde instantie inzake rechtsherstel of in een formele schikking, zodat op grond van het geldende restitutiebeleid, zoals verwoord in de eerste aanbeveling uit 2001 van de Commissie Ekkart, van een in het verleden afgehandelde zaak geen sprake is. Met betrekking tot de beide andere geclaimde NK-werken is geen bewijs aangetroffen dat de SNK contact heeft gehad met het echtpaar Van Marx-May, zodat ook hier geen beletselen aanwezig zijn het verzoek in behandeling te nemen.

  14. Naar de mening van de commissie komen de schilderijen NK 1959, 2421 en 2896 in aanmerking voor restitutie, nu is komen vast te staan dat de werken tot het moment van de veiling toebehoorden aan het echtpaar en zonder hun toestemming zijn verkocht.

  15. De commissie ziet geen redenen aanwezig om aan de restitutie van NK 2132, NK 1959, NK 2421 en NK 2896 een voorwaarde te verbinden tot betaling van een tegenprestatie. Hoewel aannemelijk is dat het echtpaar Van Marx-May een deel van de verschillende veilingopbrengsten heeft ontvangen, is niet meer te achterhalen welke bedragen daarmee gemoeid waren. Bovendien is ingevolge de vierde aanbeveling van de Commissie Ekkart van april 2001 terugbetaling van verkregen gelden slechts aan de orde indien de gelden ter vrije beschikking hebben gestaan van de oorspronkelijke eigenaar of diens erven, waarbij in het geval van twijfel verzoeker het voordeel van deze twijfel zal worden gegund. De commissie is van mening dat deze beleidsregel aldus geïnterpreteerd dient te worden dat verzoekers bij teruggave niet ongegrond zullen worden verrijkt. In casu oordeelt de commissie dat van ongegronde verrijking geen sprake is. Te dien aanzien overweegt zij dat het zeer waarschijnlijk is dat de collecties kunstwerken en antiquiteiten van de echtparen May-Fuld en Van Marx-May als gevolg van het nazibewind voor een groot deel verloren zijn gegaan voor de familie, terwijl het aannemelijk is dat na de oorlog slechts een deel van de verkoopopbrengsten aan het echtpaar Van Marx-May ten goede is gekomen. Bovendien wijst de commissie er nog op dat NK 2421 door brand onherstelbaar is beschadigd en als ‘total loss’ wordt aangemerkt.

Conclusie

De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om de werken NK 2132, 1959, 2421 en 2896 te restitueren aan de erven van Alexander Van Marx en Ellen van Marx-May.

De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om het restitutieverzoek met betrekking tot het werk NK 2717 af te wijzen.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 25 juni 2007,

I.C. van der Vlies (plv. voorzitter)
J.Th.M. Bank
J.C.M. Leijten
P.J.N. van Os
E.J. van Straaten
H.M. Verrijn Stuart

-----------------------

[1]De oorspronkelijke naam van het gezin was Von Marx. Bij de verkrijging van de Amerikaanse nationaliteit werd de naam gewijzigd in Van Marx.
[2] De term Liro-Spiegelstraat wordt gebruikt ter onderscheiding van de Duitse roofinstantie Lippmann, Rosenthal & Co aan de Sarphatistraat.