Hakker/Anholt

NK 1821 (foto: RCE)

Advies inzake het verzoek tot teruggave van vier zeventiende-eeuwse Hollandse meesters uit het bezit van de families Hakker/Anholt

Dossiernummer: 
1.42
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
12 maart 2007
Periode bezitsverlies: 
1940-1945
Oorspronkelijke eigenaar: 
Particulier
Plaats bezitsverlies: 
In Nederland

Bij brief van 28 maart 2006 verzocht de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) de Restitutiecommissie om advies over de te nemen beslissing op het verzoek van R.M. S.-L.C. en R.J. (voorheen S.J.) A. (hierna ook: verzoekers), tot teruggave van vier schilderijen uit voormalig familiebezit. De betreffende vier schilderijen zijn na hun recuperatie naar Nederland na de Tweede Wereldoorlog opgenomen in de Rijkscollectie. De werken bevinden zich thans in de collecties van het Bonnefantenmuseum te Maastricht (NK 1821), het Limburgs Museum te Venlo (NK 2256) en Museum Het Catharijneconvent te Utrecht (NK 2786). Het werk van Van Breen (NK 2178) bevindt zich in depot bij het Instituut Collectie Nederland te Rijswijk.

De procedure

De aanleiding voor het restitutieverzoek was een briefwisseling met Bureau Herkomst Gezocht (hierna: BHG) waarbij verzoekers in oktober 2004 op de hoogte werden gesteld dat de genoemde kunstwerken mogelijk afkomstig waren uit het bezit van drie van hun verwanten. In reactie hierop lieten verzoekers BHG weten dat zij zich de vier schilderijen herinnerden, waarna zij op 28 februari 2006 een restitutieverzoek indienden bij de Staatssecretaris van OCW. Deze legde het verzoek bij brief van 28 maart 2006 voor aan de Restitutiecommissie.

De commissie heeft allereerst geconstateerd dat het restitutieverzoek betrekking heeft op vier schilderijen uit het bezit van drie eigenaren, te weten Jesaia Hakker, Levie Hakker en Salomon Anholt. In verband met de specifieke familieverhoudingen heeft de commissie geoordeeld dat dit verzoek, in aansluiting op de adviesaanvraag van de Minister, in één advies kan worden afgehandeld. In het hiernavolgende zal voor zover nodig een onderverdeling worden aangebracht en voor het overige worden de voormalige eigenaren gezamenlijk aangeduid als Hakker/Anholt.

Naar aanleiding van het adviesverzoek heeft de commissie een onderzoek naar de feiten uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een conceptrapport van 25 september 2006. Dit conceptrapport is voorgelegd aan verzoekers, waarna zij bij brief van 4 december 2006 van hun vertegenwoordiger inhoudelijk op dit rapport reageerden. Het conceptrapport is tevens voorgelegd aan de Minister van OCW, die de commissie heeft laten weten geen feitelijke aanvullingen te hebben. Het onderzoeksrapport, dat geacht wordt deel uit te maken van het advies en waarnaar de commissie verwijst voor wat betreft de feiten, is vastgesteld in de vergadering van de commissie van 12 maart 2007.

Verzoekers hebben zich tijdens de procedure voor de Restitutiecommmissie laten vertegenwoordigen door mr. P.W.L. Russell, advocaat te Amsterdam.

Bij het teruggaveverzoek van het schilderij IJsgezicht met schaatsers bij een dorp van F. de Momper (NK 2256) doet zich ten slotte de bijzonderheid voor dat sprake is van een tegenstrijdige claim van de heer AA. inzake De Vries (RC 1.50). De commissie zal beide claims op NK 2256 hierna (zie onder iii) tegen elkaar afwegen.

Algemene overwegingen

a) De commissie laat zich bij haar advisering leiden door de beleidslijnen terzake van de Commissie Ekkart als overgenomen door de regering.

b) De commissie heeft zich de vraag gesteld of een uit te brengen advies invloed mag ondervinden van mogelijke consequenties in latere zaken. De commissie beantwoordt die vraag, behoudens onder bijzondere omstandigheden ontkennend omdat een dergelijke invloed bezwaarlijk kan worden tegengeworpen aan de betrokken verzoeker.

c) De commissie heeft zich voorts afgevraagd op welke wijze moet worden omgegaan met het gegeven dat bepaalde feiten niet meer te achterhalen zijn, dat bepaalde gegevens verloren zijn gegaan of niet zijn teruggevonden of anderszins bewijzen niet meer zijn bij te brengen. De commissie is daaromtrent van mening dat, indien het tijdsverloop (mede) oorzaak is van de ontstane problemen, het risico daarvoor, behoudens onder bijzondere omstandigheden, behoort te liggen bij de overheid.

d) De commissie is van mening dat inzichten en omstandigheden die naar algemene maatschappelijke opvattingen sinds de Tweede Wereldoorlog klaarblijkelijk zijn veranderd, gelijk mogen worden gesteld aan nova (nieuwe feiten).

e) Onder onvrijwillig bezitsverlies wordt ook verstaan verkopen zonder instemming van de kunsthandelaar door Verwalters of andere niet door de eigenaar aangestelde beheerders uit de onder hun beheer gestelde oude handelsvoorraad, voor zover de oorspronkelijke eigenaar of zijn erven niet het volledige profijt van de transactie heeft genoten of voor zover de eigenaar niet na de oorlog uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van rechten.

Bijzondere overwegingen:

  1. Verzoekers vragen teruggave van vier zeventiende-eeuwse schilderijen uit de rijkscollectie, te weten Winterlandschap met reizigers op een brug van J. de Momper II (NK 1821), Winterlandschap met schaatsers van A. van Breen (NK 2178), IJsgezicht met schaatsers bij een dorp van F. de Momper (NK 2256), en St. Paulus en St. Barnabas te Lystra van W. de Poorter (NK 2786) uit voormalig familiebezit. Deze werken behoorden volgens verzoekers toe aan respectievelijk hun grootvader Jesaia Hakker (NK 2256, NK 2786), hun oudoom Levie Hakker (NK 2178) en hun vader c.q. oom Salomon Anholt (NK 1821). Verzoekers, beiden geboren in het jaar 1923 en woonachtig in de Verenigde Staten van Amerika, staan in relatie tot elkaar van neef tot nicht. Verzoekster R.S heeft verklaard dat zij en haar medeverzoeker R.J. A. (voorheen: S.J. A.) de enige twee kleinkinderen zijn van Jesaia Hakker en daardoor de enige erfgenamen van Jesaia Hakker, Levie Hakker en Salomon Anholt. Verzoeker R.J. A. heeft verklaard het enige kind te zijn van Salomon Anholt en een van de twee kleinkinderen van Jesaia Hakker. De commissie heeft in dit kader kennis genomen van een verklaring van erfrecht betreffende Jesaia Hakker, op 24 mei 1947 opgemaakt door notaris J.D. Overberg te Amsterdam, welke verklaring als de enige kinderen en – impliciet – als de enige erfgenamen van Jesaia Hakker aanwijst: Judith Hakker, gehuwd met Jacques Lopes Cardozo, en Frederika Hakker, gehuwd met Salomon Anholt. Verzoekers zijn beiden kleinkinderen van Jesaia Hakker en uit dien hoofde ook diens erfgenamen, ten minste voor hun wettelijk erfdeel. Nu uit het huwelijk van Frederika Hakker en Salomon Anholt althans één kind is geboren, de verzoeker R.J. A. moet het er voor gehouden worden dat laatstgenoemde – behoudens de aanwezigheid van uiterste wilsbeschikkingen die hem onterven in welke onterving hij berust zou hebben, waarvan echter niets is gebleken – erfgenaam is van Salomon Anholt en waarschijnlijk de enige. Hoewel Levie Hakker bij testament anders zou hebben kunnen beschikken kan, aannemende dat hij geen nakomelingen heeft achtergelaten, als zeer waarschijnlijk worden beschouwd dat overeenkomstig de daarvoor geldende wettelijke regels de beide verzoekers door erfopvolging tot zijn vermogen gerechtigd zijn geworden. Aldus bestaat voor de commissie voldoende grondslag om tot advisering over te gaan. De Commissie heeft in dit geval een voorlopig nader onderzoek naar mogelijke erfgenamen gedaan uitsluitend met het oog op de ontvankelijkheid en dus om tot advisering te kunnen overgaan. Bepaling van wie precies erfgenaam is behoort niet tot de taak van de Commissie en is pas bij de uitvoering van het advies aan de orde.

  2. Uit het onderzoeksrapport blijkt dat de joodse diamantairsfamilie Hakker/Anholt ten tijde van het uitbreken van de oorlog aan de Apollolaan te Amsterdam woonde en kunst verzamelde. Aan het hoofd van de familie stond de grootvader van verzoekers, Jesaia Hakker (1882-1946), die met zijn broer Levie Hakker (1887-1960) de diamantairsfirma Gebroeders Hakker te Amsterdam leidde waar ook zijn beide schoonzonen Jacques Lopes Cardozo en Salomon Anholt werkzaam waren. Naar mededeling van verzoekster R.M. S. reisde haar oom Salomon Anholt met zijn echtgenote en zoon (verzoeker) door Frankrijk toen het Duitse leger in mei 1940 Nederland binnenviel. Het gezin Anholt is niet meer teruggekeerd naar Nederland en wist vanuit Frankrijk naar de Verenigde Staten te ontkomen. In de Verenigde Staten maakte Salomon Anholt gelden vrij om zijn in Nederland achtergebleven familieleden in veiligheid te brengen. De opzet slaagde en in januari 1942 wisten Levie en Jesaia Hakker en Jacques Lopes Cardozo met hun gezinnen Nederland te verlaten. Bij hun vlucht legde de bezetter de hand op een groot deel van de familiebezittingen. In de naoorlogse documentatie wordt vermeld dat de kunstwerken van Salomon Anholt door de “Sammelverwaltung feindlicher Hausgeräte” in beslag waren genomen, terwijl de schilderijen van Levie en Jesaia Hakker terecht waren gekomen bij Lippmann, Rosenthal Sarphatistraat. Uit het onderzoek is gebleken dat ook op andere wijzen kunstwerken uit het bezit van de familie Hakker/Anholt kunnen zijn geraakt. Na de oorlog heeft de familie Hakker/Anholt getracht het verloren kunstbezit terug te verkrijgen maar dit heeft slechts in een enkel geval geleid tot restitutie.

    Hieronder volgen de overwegingen per schilderij.

    i) NK 1821 uit het bezit van Salomon Anholt:

  3. Van Winterlandschap met reizigers op een brug van J. de Momper II (NK 1821) staat vast dat het in 1936 in eigendom was van Salomon Anholt. Het onderzoek naar NK 1821 heeft echter geen concrete aanwijzingen opgeleverd over de eigendomssituatie in de jaren tussen 1936 en 1944, en over de vraag of NK 1821 ook in 1940 nog in bezit was van Salomon Anholt. Het werk was in 1944 in handen van kunsthandelaar Jan Dik jr., die het datzelfde jaar (door)verkocht aan veilinghuis Dorotheum te Wenen waarna het in de collectie van Hitlers te Linz op te richten Führermuseum terechtkwam. Zoals hiervoor onder 2 vermeld, zijn de kunstwerken die zich op het moment van vertrek van Salomon Anholt in 1940 uit Nederland in zijn woonhuis te Amsterdam bevonden, door de roofinstelling Sammelverwaltung feindlicher Hausgeräte geconfisqueerd. Een inventarisatie van deze kunstwerken is niet meer voorhanden, en het blijft daardoor onzeker of NK 1821 zich onder deze geroofde werken bevond. Van de Sammelverwaltung feindlicher Hausgeräte is bekend dat deze veelvuldig geroofd joods bezit op de kunstmarkt bracht, en daarnaast is bekend dat de kunsthandelaar Jan Dik jr. tijdens de oorlog op grote schaal met Duitsers handelde, onder meer in voormalig joods kunstbezit.

  4. Verzoekers, die de periode van het begin van de bezetting bewust hebben meegemaakt, verklaarden dat het schilderij van De Momper zich bij het vertrek van het gezin Anholt uit Nederland nog in het huis van Salomon Anholt bevond. Verzoekster S. meldt in haar verklaring van 18 oktober 2005: My cousin R. A. and his parents Salomon and Frederika Anholt were travelling in France when the Germans invaded Holland in may 1940. At that moment the painting ‘Winter landscape with travellers crossing a bridge’ by J. de Momper was still in their house. R. A. stelt in een verklaring van 19 oktober 2005: The painting ‘Winter landscape with travellers crossing a bridge’ was hanging in my parents house when the war started in the Netherlands on May 10, 1940. I was not in the Netherlands at that time but I remember the painting was still in our home when I left the Netherlands with my parents and went travelling through France some weeks before the war started.

  5. Gezien het bovenstaande acht de commissie het in hoge mate aannemelijk dat Winterlandschap met reizigers op een brug van J. de Momper II (NK 1821) tot het geroofde kunstbezit van Salomon Anholt behoorde. Hierbij wijst zij er nog op dat enige indicatie ontbreekt dat Anholt, een particuliere kunstverzamelaar, het schilderij in de periode tussen 1936 en 1940 zou hebben verkocht.

  6. Aangezien er geen sprake is van een eerdere afhandeling, is het huidige verzoek tot teruggave van NK 1821 aan de erven van Salomon Anholt naar het oordeel van de commissie toewijsbaar.

    ii) NK 2178 uit het bezit van Levie Hakker

  7. NK 2178 betreft een winterlandschap met schaatsers van de schilder A. van Breen, in het verleden toegeschreven aan E. van de Velde. Uit het onderzoeksrapport blijkt dat het schilderij in 1941 of 1942 door de roofbank Lippman, Rosenthal & Co. (hierna: Liro-bank) in beslag is genomen uit het bezit van Levie Hakker. Daarnaast is bekend dat 'L. Hakker' het werk in 1937 aankocht bij kunsthandel P. de Boer te Amsterdam. Verzoekers herkenden het schilderij van Van Breen op basis van de in 2004 door BHG toegezonden foto's, en hun verklaringen bevestigen dat dit schilderij toebehoorde aan hun oudoom Levie Hakker en bij aanvang van de oorlog nog in zijn bezit was. De commissie acht hiermee aangetoond dat NK 2178 afkomstig is uit het bezit van Levie Hakker en onvrijwillig, als een direct gevolg van het naziregime, is verloren.

  8. Na de oorlog heeft de familie Hakker over dit werk contact opgenomen met de Stichting Nederlands Kunstbezit (hierna: SNK), de instelling die het schilderij van Van Breen inmiddels had gerecupereerd naar Nederland. Ondanks pogingen van de familie zelf en een bemiddelende poging van kunsthandelaar P. de Boer om het gerecupereerde werk (NK 2178) te identificeren als afkomstig uit het bezit van de familie Hakker, heeft de SNK destijds niet onderkend dat NK 2178 het bij de Liro-bank ingeleverde schilderij van Levie Hakker betrof. Van de behandeling van een eerder restitutieverzoek is het dan ook nooit gekomen.

  9. Onder de gegeven omstandigheden is naar het oordeel van de commissie aan de voorwaarden voor teruggave van NK 2178 aan de erven van Levie Hakker voldaan.

    iii) NK 2786 en NK 2256 uit het bezit van Jesaia Hakker

    - St. Paulus en St. Barnabas te Lystra van W. de Poorter (NK 2786)

  10. Van het schilderij van De Poorter is bekend dat het op onbekend tijdstip vóór april 1942 door de Liro-bank is geconfisqueerd uit het bezit van Jesaia Hakker. De Liro-bank heeft dit schilderij vervolgens op 14 april 1942 voor NLG 3100,- geveild bij de firma Mak van Waay te Amsterdam, waarna het uiteindelijk bij het Kunsthistorisch Museum te Wenen terecht is gekomen. Bijzonderheden over de vooroorlogse eigendomssituatie zijn niet bekend, anders dan dat NK 2786 in 1938 tot de handelsvoorraad behoorde van Kunsthandel Wolff te Amsterdam. Verzoekster S. verklaarde daarnaast dat Jesaia Hakker het schilderij van De Poorter in zijn bezit had bij het uitbreken van de oorlog. De commissie acht hiermee voldoende aangetoond dat NK 2786 afkomstig is uit het bezit van Jesaia Hakker en onvrijwillig, als een direct gevolg van het naziregime, is verloren.

  11. Pas in 1951 hebben de Nederlandse autoriteiten het schilderij van De Poorter gerecupereerd naar Nederland in verband met het aanvankelijke voornemen het werk als ruilobject te gebruiken voor kunstwerken uit het Weense museum. Na terugkomst in Nederland is het werk evenwel alsnog aangeboden aan de vertegenwoordiger van de familie Hakker, onder de voorwaarde dat ‘de vordering ad. f. 3100,- op de Liquidatie van Verwaltung Sarphatistraat aan mijn Bureau [nl. Bureau Hergo, RC] wordt gecedeerd en tevens een nog nader vast te stellen bedrag voor kosten van terugvoering en beheer en voor zegel- en registratiekosten aan mijn Bureau wordt vergoed’. Op 11 december 1951 antwoordde de vertegenwoordiger van de familie Hakker dat deze het schilderij onder de gestelde voorwaarden niet wenste terug te ontvangen. Verzoekster S. geeft hiervoor de volgende verklaring:

    I know that fleeing to the US caused us all financial hardship. Both my grandparents had died by 1951, Mr. Anholt had a severe heart condition, and my father, who had been part of the Oranje Brigade and participated in the invasion from 1943 till well after the end of the war, had lost two brothers in Nazi concentration camps and was himself a prisoner in one of the early razzia’s in Amsterdam, did not feel able to deal with matters including the return of paintings. Most likely my uncle, L. Hakker, who had no children, and was close to seventy years of age, turned down the unacceptable and vague terms offered relative to the return of the painting. The painting simply had to be returned to the rightful owner being Jesaia Hakker.

  12. De commissie is van mening dat deze eerdere afhandeling onder de gegeven omstandigheden geen gevolgen heeft voor de ontvankelijkheid van verzoekers in hun huidige verzoek. De opvattingen over de financiële voorwaarden zoals deze destijds de familie Hakker werden opgelegd, zijn inmiddels aanzienlijk veranderd en de commissie oordeelt dan ook dat hier sprake is van een novum in de zin van het restitutiebeleid. De Commissie verwijst hiervoor naar de tweede aanbeveling van de Commmissie Ekkart uit 2001, waarin geadviseerd wordt 'het begrip nova een ruimere interpretatie te geven dan tot nu toe in het beleid gebruikelijk is en daaronder ook te rekenen (...) de resultaten van veranderd (historisch) inzicht ten aanzien van de rechtvaardigheid en consequentie van het toen gevoerde beleid.'

  13. De commissie acht het verzoek tot teruggave van NK 2786 uit bezit van Jesaia Hakker toewijsbaar aan de erven van Jesaia Hakker.

    - IJsgezicht met schaatsers bij een dorp van F. de Momper (NK 2256)

  14. Op het schilderij van De Momper (NK 2256) dat door verzoekers inzake Hakker/Anholt wordt teruggevraagd, rust tevens een claim van de heer AA. tot teruggave van kunstwerken uit het bezit van zijn vader, de kunsthandelaar Marcus de Vries (RC 1.50). De commissie zal beide claims hieronder aan de orde laten komen.

  15. De onderzoeksgegevens van het werk van De Momper (NK 2256) tonen aan dat dit schilderij in 1936 is aangekocht door een persoon met de naam 'Hakker'. Verzoekster S. verklaarde bij brief van 18 oktober 2005 dat het schilderij toebehoorde aan haar grootvader Jesaia Hakker: ‘I know that Jesaia Hakker still possessed the [painting] Ice-skating in a village by F. de Momper […] when the war started’. Aangezien er geen aanwijzingen zijn dat het werk van De Momper aan een ander lid van de familie Hakker toebehoorde, kan Jesaia Hakker naar het oordeel van de commissie worden aangemerkt als voormalige eigenaar van IJsgezicht met schaatsers bij een dorp van F. de Momper. Aangezien aanwijzingen van het tegendeel ontbreken, acht de commissie tevens voldoende aannemelijk dat NK 2256 bij aanvang van de bezetting in Nederland nog in zijn bezit was, en dat hij het onder onduidelijke omstandigheden verloor. Het is mogelijk dat het werk in beslag werd genomen maar het is eveneens mogelijk dat Jesaia Hakker het schilderij van De Momper nog voor zijn vlucht in januari 1942 verkocht. In beide gevallen oordeelt de commissie dat sprake is van onvrijwillig bezitsverlies als direct gevolg van het naziregime. Hiervoor verwijst zij naar de derde aanbeveling van de Commissie Ekkart uit 2001 op grond waarvan verkoop van kunstwerken door joodse particulieren in Nederland vanaf 10 mei 1940 als onvrijwillige verkoop dient te worden aangemerkt, behoudens aanwijzingen van het tegendeel.

  16. AA., verzoeker inzake De Vries (RC 1.50), baseert zich in zijn aanspraak op verklaringen van familieleden waaruit blijkt dat Marcus de Vries, een Amsterdamse joodse kunsthandelaar, het schilderij van De Momper in 1941 aankocht bij de Nederlandse kunsthandelaar Schretlen. De commissie constateert dat deze verklaring niet in tegenspraak is met de overige onderzoeksgegevens, en zij gaat er dan ook van uit dat Marcus de Vries NK 2256 in 1941 bij kunsthandel Schretlen heeft verworven en eveneens onder onduidelijke omstandigheden verloor. Volgens AA. is NK 2256 in juli 1942, na de arrestatie van Marcus De Vries en zijn deportatie naar vernietigingskamp Auschwitz, uit zijn huis gestolen. Ook hier zou aldus sprake kunnen zijn van onvrijwillig bezitsverlies.

  17. Verder blijkt uit het onderzoek dat NK 2256 op onbekend tijdstip en onbekende wijze in bezit is gekomen van kunsthandelaar Jan Dik Jr., die het werk in augustus 1944 verkocht ten behoeve van het in Linz te verrijzen Führermuseum. Tezamen met een schilderij van J. v.d. Capelle ontving Dik Jr. bij deze transactie een bedrag van NLG 155.000,-.

  18. De commissie overweegt ten aanzien van de beide tegenstrijdige claims dat het huidige restitutiebeleid prioriteit toekent aan het eerste bezitsverlies. De Commissie Ekkart bepaalt immers in haar aanbevelingen uit 2004 dat in het geval van tegenstrijdige aanspraken op een kunstwerk het eerste bezitsverlies prevaleert, zij het dat de Restitutiecommissie ruimte wordt geboden om, afhankelijk van de specifieke omstandigheden, de onderlinge zwaarte van dergelijke tegenstrijdige claims af te wegen. De commissie ziet in de gegeven situatie echter geen bijzondere omstandigheden die een afwijking van de hoofdregel rechtvaardigen en concludeert dan ook dat het bezitsverlies van Jesaia Hakker prioriteit toekomt.

  19. Nu geen sprake is van een eerder verzoek tot restitutie is naar het oordeel van de commissie de claim van verzoekers S. en A. tot teruggave van NK 2256 aan de erven van Jesaia Hakker toewijsbaar en dient het verzoek van de heer AA. ( RC 1.50) te worden afgewezen voor zover dit betreft NK 2256.

  20. Ten slotte dient nog aan de orde te komen de vraag of tegenover restitutie van NK 2256 een betalingsveplichting zou moeten worden gesteld in verband met een bij een eventuele verkoop van het werk ontvangen tegenprestatie. Hieromtrent overweegt de commissie allereerst dat het onzeker is of Jesaia Hakker het werk van De Momper heeft verkocht, en er zijn dan ook geen bijzonderheden over deze verkoop bekend zoals de hoogte van de verkoopsom. Volgens het geldende restitutiebeleid komt verzoekers alleen al daarom het voordeel van de twijfel toe. Ten overvloede voegt de commissie daar dan nog aan toe dat, zou Jesaia Hakker in 1940 of 1941 het werk hebben verkocht, de daarbij ontvangen tegenprestatie ongetwijfeld zal zijn aangewend voor de vlucht van de familie uit Nederland kort daarna. Van een ter vrije beschikking van de eigenaar gekomen tegenprestatie, in de zin van het huidige beleid, is in dat geval geen sprake.

Conclusie

De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om

a) Winterlandschap met reizigers op een brug van J. de Momper II (NK 1821) te restitueren aan de erven van Salomon Anholt;
b) Winterlandschap met schaatsers van A. van Breen (NK 2178) te restitueren aan de erven van Levie Hakker, en
c) IJsgezicht met schaatsers bij een dorp van F. de Momper (NK 2256) en St. Paulus en St. Barnabas te Lystra van W. de Poorter (NK 2786) te restitueren aan de erven van Jesaia Hakker.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 12 maart 2007,

B.J. Asscher (voorzitter)
J.Th.M. Bank
J.C.M. Leijten
P.J.N. van Os
E.J. van Straaten
H.M. Verrijn Stuart
I.C. van der Vlies