Vier miskelken en een bisschopsstaf uit de 15e eeuw

NK 498-B (foto: RCE)

Advies inzake het verzoek tot teruggave van vier miskelken van verguld zilver (NK 498 A-D) en een zilveren bisschopsstaf (NK 738)

Dossiernummer: 
1.47
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
14 mei 2007
Periode bezitsverlies: 
1940-1945
Oorspronkelijke eigenaar: 
Particulier
Plaats bezitsverlies: 
In Nederland

Bij brief van 12 juli 2006 verzocht de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) de Restitutiecommissie om advies over de te nemen beslissing op het verzoek van 6 juni 2006 van H.G.S. (hierna: verzoeker) tot teruggave van vier miskelken van verguld zilver en een zilveren bisschopsstaf uit de vijftiende eeuw. De geclaimde objecten maken deel uit van de Nederlands Kunstbezit-collectie in beheer van het rijk en zijn geregistreerd onder de nummers NK 498 A-D en NK 738. De miskelken bevinden zich in langdurige bruikleen in het Bonnefantenmuseum te Maastricht, de bisschopsstaf bevindt zich in het Limburgs museum te Venlo.

De procedure

Aanleiding voor indiening van het restitutieverzoek vormde een brief van Bureau Herkomst Gezocht (BHG) van 11 mei 2006, waarin verzoeker werd gevraagd om informatie met betrekking tot genoemde voorwerpen. Volgens BHG hadden de voorwerpen toebehoord aan de moeder van verzoeker, K.H.A.A. Carstens en had zij ze tijdens de oorlog verkocht. Naar aanleiding van de adviesaanvraag heeft de commissie een onderzoek naar de feiten uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een conceptrapport van 6 november 2006. Het rapport is voorgelegd aan verzoeker, die vervolgens op 4 december 2006 telefonisch heeft gereageerd. Ook heeft verzoeker nadere gegevens met betrekking tot de erfrechtelijke positie van verzoekers verstrekt. Het rapport is vervolgens vastgesteld op 14 mei 2007. Voor de feiten in deze zaak verwijst de commissie naar het onderzoeksrapport, dat geacht wordt deel uit te maken van dit advies. Gezien de leeftijd van verzoeker is het restitutieverzoek met voorrang behandeld.

Algemene overwegingen

a) De commissie laat zich bij haar advisering leiden door de beleidslijnen terzake van de Commissie Ekkart als overgenomen door de regering.

b) De commissie heeft zich de vraag gesteld of een uit te brengen advies invloed mag ondervinden van mogelijke consequenties in latere zaken. De commissie beantwoordt die vraag, behoudens onder bijzondere omstandigheden ontkennend omdat een dergelijke invloed bezwaarlijk kan worden tegengeworpen aan de betrokken verzoeker.

c) De commissie heeft zich voorts afgevraagd op welke wijze moet worden omgegaan met het gegeven dat bepaalde feiten niet meer te achterhalen zijn, dat bepaalde gegevens verloren zijn gegaan of niet zijn teruggevonden of anderszins bewijzen niet meer zijn bij te brengen. De commissie is daaromtrent van mening dat, indien het tijdsverloop (mede) oorzaak is van de ontstane problemen, het risico daarvoor, behoudens onder bijzondere omstandigheden, behoort te liggen bij de overheid.

d) De commissie is van mening dat inzichten en omstandigheden die naar algemene maatschappelijke opvattingen sinds de Tweede Wereldoorlog klaarblijkelijk zijn veranderd, gelijk mogen worden gesteld aan nova (nieuwe feiten).

e) Onder onvrijwillig bezitsverlies wordt ook verstaan verkopen zonder instemming van de kunsthandelaar door Verwalters of andere niet door de eigenaar aangestelde beheerders uit de onder hun beheer gestelde oude handelsvoorraad, voor zover de oorspronkelijke eigenaar of zijn erven niet het volledige profijt van de transactie heeft genoten of voor zover de eigenaar niet na de oorlog uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van rechten.

Bijzondere overwegingen:

  1. Verzoeker vraagt restitutie van vier miskelken van verguld zilver en een zilveren bisschopsstaf uit de vijftiende eeuw als erfgenaam van zijn ouders, Leopold Salomon (1875-1935) en Kätchen Henny Alma Auguste Carstens (1892-1976). Volgens verzoeker heeft zijn moeder de voorwerpen gedurende de Tweede Wereldoorlog onvrijwillig verkocht. Verzoeker heeft aangegeven mede op te treden namens de overige erfgenamen. De commissie heeft kennis genomen van een aantal documenten met betrekking tot de erfrechtelijke positie van verzoeker.

  2. Uit het onderzoek is gebleken dat de geclaimde voorwerpen oorspronkelijk in bezit waren van het Domkapittel Lübeck, Duitsland. De voorwerpen kwamen vervolgens in bezit van een lid van het Huis van Oldenburg, dat deze hoogstwaarschijnlijk in de jaren 1930-1932 heeft verkocht aan Leopold Salomon. Salomon was sinds 1914 gehuwd met Carstens, de dochter van de slotvoogd van Slot Eutin, residentie van de hertogen van Oldenburg. De commissie gaat er van uit dat Carstens bij de koop wellicht een bemiddelende rol heeft gespeeld. Salomon, die van joodse afkomst was, was een vermogend advocaat en zoon van een kunsthandelaar uit Dresden. Hij zou de voorwerpen volgens verzoeker hebben gekocht ter voorbereiding op een vertrek van het gezin uit nazi-Duitsland naar Nederland, toen het meenemen van geld naar het buitenland al aan banden was gelegd. Uit het onderzoek is gebleken dat bedoelde Reichsfluchtsteuer inderdaad reeds vanaf maart 1931 gelding kreeg. De commissie heeft kennis genomen van een verklaring van de toenmalige directeur van het St. Annen Museum te Lübeck uit 1946, waarin deze herkomstgegevens bevestigd worden. De commissie acht derhalve bewezen dat de geclaimde voorwerpen vanaf de jaren ’30-’32 van de vorige eeuw hebben toebehoord aan Salomon.

  3. Het gezin vestigde zich rond 1933 in Nederland. Na het overlijden van Salomon in 1935 zijn de voorwerpen door vererving de eigendom geworden van Carstens en haar vier kinderen, onder wie verzoeker. Tijdens de Tweede Wereldoorlog, eind 1941, heeft Carstens naar eigen zeggen de voorwerpen verkocht voor een bedrag van FL 42.500 aan dr. Hans Posse, de kunstinkoper van Hitler. Deze verkoop van de voorwerpen aan Posse wordt ook in andere onderzoeksbronnen bevestigd. Over de aard van dit bezitsverlies verklaarde Carstens na de oorlog: ‘[...] Kort na de bezetting werd ik door Duitse leden van de ‘Höhere SS’ opgezocht en deelde men mij mede, dat deze stukken weer naar Duitsland terug moesten, daar zij onder ‘Museumschutz’ stonden. Tegelijkertijd werd er bij de Rotterdamsche Bank, Kneuterdijk, waar deze stukken zich in afwachting van het proces bevonden, beslag gelegd. Daarna werd ik nog verscheidene malen naar het Plein gesommeerd en heb na met onteigening bedreigd te zijn uiteindelijk aan prof. Posse verkocht. [...]’.

  4. Na de oorlog werden de voorwerpen gerecupereerd uit Duitsland. In een poging de stukken terug te krijgen van de Nederlandse overheid heeft Carstens in 1949 bij de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK) aangegeven dat de verkoop aan Posse onder dwang had plaatsgevonden. Omdat de SNK als voorwaarde voor restitutie terugbetaling van de koopsom eiste, en Carstens destijds niet over voldoende financiële middelen beschikte, is de procedure vermoedelijk gestaakt. Verzoeker verklaarde hieromtrent dat de tijdens de oorlog verkregen verkoopprijs na de oorlog niet meer beschikbaar was en dat dit mede in verband stond met een direct na de oorlog te betalen belastingaanslag over de ontvangen verkoopprijs. De commissie constateert dat er geen sprake is van een in het verleden afgehandelde zaak en acht verzoeker ontvankelijk in zijn claim.

  5. Op grond van het geldende restitutiebeleid kan tot teruggave worden overgegaan indien de geclaimde voorwerpen onvrijwillig zijn verkocht, door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime. Ingevolge de derde aanbeveling van de Commissie Ekkart van april 2001 wordt een verkoop door een joodse particulier, of lid van een andere vervolgde bevolkingsgroep, in Nederland vanaf 10 mei 1940 beschouwd als een gedwongen verkoop, tenzij nadrukkelijk anders blijkt. De commissie is van mening dat Carstens, hoewel zelf niet joods, zich in een dusdanig kwetsbare positie bevond dat zij gelijk kan worden gesteld met een lid van een vervolgde bevolkingsgroep. Daarbij wijst de commissie erop dat haar kinderen gedeeltelijk joods waren en het gezin zich daarom onder voortdurende dreiging bevond. Verzoeker verklaarde in dit kader bijvoorbeeld dat hij en zijn broer tijdens de oorlog niet in hun woonhuis te Den Haag konden verblijven maar elders in het land onderdak moesten vinden. In dit verband is tevens van belang dat Carstens hulp verleende aan joodse kennissen, waarvoor zij vanaf het najaar 1942 tot het voorjaar 1943 gevangen heeft gezeten in Scheveningen. De commissie overweegt derhalve dat deze verkoop door Carstens onder de werking van de hierboven aangehaalde aanbeveling van de Commissie Ekkart valt, zodat de verkoop van de geclaimde voorwerpen aan Posse zonder meer als een gedwongen verkoop dient te worden aangemerkt. De voorwerpen komen daarom op grond van het rijksbeleid in aanmerking voor restitutie.

  6. De vraag die vervolgens beantwoord dient te worden is of bij restitutie betaling van een geldbedrag geboden is. Ingevolge de vierde aanbeveling van de Commissie Ekkart van april 2001, is terugbetaling van verkregen koopsommen slechts aan de orde ‘indien de toenmalige verkoper of diens erven daadwerkelijk die opbrengsten ter vrije besteding hebben gekregen.’ Bij twijfel of men de opbrengsten werkelijk heeft genoten, dient aan de rechthebbenden het voordeel van de twijfel te worden gegund, zo wordt in de zesde aanbeveling opgemerkt.

  7. De commissie is van mening dat, gezien de kwetsbare positie waarin het gezin zich tijdens de oorlog bevond zoals hierboven onder 5 beschreven, aannemelijk is dat Carstens en haar kinderen de verkregen koopsom van circa Fl 42.500 destijds niet vrijelijk hebben kunnen besteden maar heeft moeten aanwenden voor de bescherming van haar gezin en mogelijk ter financiering van haar hulp aan joodse kennissen. In het bijzonder wijst de commissie daarbij op de positie van haar vier half-joodse kinderen en op de gevangenschap van Carstens zelf. Daarnaast heeft het onderzoek uitgewezen dat Carstens na de oorlog een aanslag kreeg opgelegd terzake van de in 1941 verkregen verkoopsom op grond van de Vermogensaanwasbelasting. Deze belasting kon variëren van 50 % tot 90 % van de tijdens de bezetting verkregen vermogensaanwas. Uit de archiefstukken valt niet meer te achterhalen hoeveel Carstens heeft moeten afdragen; wel is aannemelijk dat zij een substantieel bedrag van de ontvangen verkoopprijs heeft moeten terugbetalen aan de Nederlandse Staat. De commissie gaat er op grond van het voorgaande vanuit dat geen sprake is geweest van een vrije besteding van de destijds verkregen koopsom en dat daarnaast tevens sprake is geweest van een naoorlogse afdracht van een aanzienlijk deel van de verkoopsom aan de Nederlandse overheid. Zij adviseert derhalve geen voorwaarde op te leggen tot terugbetaling van verkregen gelden.

Conclusie

De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om de vier miskelken (NK 498 A-D) en de bisschopsstaf (NK 738) te restitueren aan de erven van Kätchen Henny Alma Auguste Carstens.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 14 mei 2007,

B.J. Asscher (voorzitter)
J.Th.M. Bank
J.C.M. Leijten
P.J.N. van Os
E.J. van Straaten
H.M. Verrijn Stuart
I.C. van der Vlies