Kunsthandel Stodel (II)

NK 532 (foto: RCE)

Advies inzake Stodel II

Dossiernummer: 
1.49
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
7 april 2008
Periode bezitsverlies: 
1940-1945
Oorspronkelijke eigenaar: 
Kunsthandel
Plaats bezitsverlies: 
In Nederland

Bij brief van 18 oktober 2006 verzocht de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) de Restitutiecommissie om advies over de te nemen beslissing op het restitutieverzoek van 10 juli 2006 van S.L.-S. en J.S., bij monde van hun advocaat mr. R.W. Polak. Na het overlijden van J.S. op 18 maart 2007 wordt zijn dochter L.E.B.-S. in zijn plaats aangemerkt als verzoekster (tezamen met S.L.-S. hierna te noemen: verzoekers).

Het restitutieverzoek strekte aanvankelijk tot teruggave van de volgende objecten:

NK 205: kom;
NK 244: doos;
NK 251: commode;
NK 296: schotel;
NK 505: bord;
NK 508 A-B: twee bekervazen;
NK 510: vaas;
NK 511: kom;
NK 512: kannetje;
NK 530 A-B: tabakspot;
NK 532 A-B: twee dekselpotten;
NK 633: miniatuurkanon;
NK 652: armstoel;
NK 685: tapisserie;
NK 810 A-B: twee fauteuils;
NK 891: miniatuurkanon;
NK 1074: bordure van een tapisserie;
NK 1075: portière;
NK 1079: tapisserie;
NK 2131: G. de Witte, Italiaans landschap met veehoeder;
NK 2310: S.J. van Ruysdael, DuinlandItaliaans landschap met veehoederschap met reizigers bij Egmond aan Zee;
NK 2443: B.C. Koekkoek, Gezicht op de Rijn bij Xanten;
NK 3202: spiegel.

Deze objecten hebben volgens verzoekers behoord tot de voormalige handelsvoorraad van kunsthandel J. Stodel v.o.f., gevestigd te Amsterdam (hierna ook: Kunsthandel Stodel). De geclaimde objecten maken sinds hun recuperatie naar Nederland na de Tweede Wereldoorlog, onder bovengemelde inventarisnummers, deel uit van de Nederlands Kunstbezit-collectie (hierna: NK-collectie). Volgens gegevens van het Instituut Collectie Nederland te Rijswijk (hierna: ICN) bevindt het merendeel van deze objecten zich bij verschillende overheidsinstellingen en musea in binnen- en buitenland, alsmede in het depot van het ICN. Voorts heeft het ICN gemeld dat NK 510 en NK 633 zijn vermist en dat ook NK 3202 feitelijk niet meer in de NK-collectie aanwezig is.

De procedure

In deze zaak wijst de commissie allereerst op haar advies van 18 april 2005 inzake het verzoek van S.L.-S., namens Salomon Stodel Antiquités, tot teruggave van 15 NK-werken, afkomstig uit de handelsvoorraad van kunsthandel J. Stodel v.o.f. (RC 1.10), welke claim in 2004 werd teruggebracht tot 11 werken. De commissie heeft in gemeld advies geadviseerd tot teruggave van de objecten NK 2736, NK 1594, NK 1596, NK 2, NK 2240, NK 1790, NK 1863 en NK 1347 en tot afwijzing van de objecten NK 179, NK 2822 en NK 554, welk advies door staatssecretaris M.C. van der Laan is gevolgd op 22 april 2005. Het onderhavige restitutieverzoek is een vervolg op bovengenoemd verzoek.

Naar aanleiding van het onderhavige adviesverzoek heeft de commissie een onderzoek naar de feiten uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een conceptrapport van 14 mei 2007. Dit conceptrapport is voorgelegd aan verzoekers en ter feitelijke aanvulling aan de Minister van OCW. Verzoekers hebben inhoudelijk op het conceptrapport gereageerd bij brief van 22 juni 2007, waarbij zij aangaven dat zij afzien van hun aanspraken op NK 2310 en NK 2443. Ter aanvulling op het conceptrapport heeft het ICN op verzoek van de minister, bij brief van 11 februari 2008 nadere informatie verstrekt met betrekking tot de vermissing van NK 510, NK 633 en NK 3202. Bij brief van 12 november 2007 heeft de commissie verzoekers op de hoogte gesteld van de nieuwe redactie van de algemene overwegingen c en e en hen in de gelegenheid gesteld om hun reactie op het conceptonderzoeksrapport aan te passen, waarop verzoekers bij brief van 21 januari 2008 inhoudelijk hebben gereageerd en hun bezwaren kenbaar hebben gemaakt. Het rapport is vervolgens vastgesteld op 3 maart 2008. Voor de feiten in deze zaak verwijst de commissie naar het onderzoeksrapport, dat geacht wordt deel uit te maken van dit advies.

Algemene overwegingen

a) De commissie laat zich bij haar advisering leiden door de beleidslijnen terzake van de Commissie Ekkart als overgenomen door de regering.

b) De commissie heeft zich de vraag gesteld of een uit te brengen advies invloed mag ondervinden van mogelijke consequenties in latere zaken. De commissie beantwoordt die vraag, behoudens onder bijzondere omstandigheden ontkennend omdat een dergelijke invloed bezwaarlijk kan worden tegengeworpen aan de betrokken verzoeker.

c) De commissie heeft zich voorts afgevraagd op welke wijze moet worden omgegaan met het gegeven dat bepaalde feiten niet meer te achterhalen zijn, dat bepaalde gegevens verloren zijn gegaan of niet zijn teruggevonden of anderszins bewijzen niet meer zijn bij te brengen. De commissie is daaromtrent van mening dat, indien het tijdsverloop (mede) oorzaak is van de ontstane problemen, het risico daarvoor, indien het betreft particulier kunstbezit, behoudens onder bijzondere omstandigheden, behoort te liggen bij de overheid.

d) De commissie is van mening dat inzichten en omstandigheden die naar algemene maatschappelijke opvattingen sinds de Tweede Wereldoorlog klaarblijkelijk zijn veranderd, gelijk mogen worden gesteld aan nova (nieuwe feiten).

e) Onvrijwillig bezitsverlies is in hoge mate waarschijnlijk indien is verkocht zonder instemming van de kunsthandelaar door Verwalters of andere niet door de eigenaar aangestelde beheerders uit de onder hun beheer gestelde oude handelsvoorraad, voor zover de oorspronkelijke eigenaar of zijn erven niet het volledige profijt van de transactie heeft genoten of voor zover de eigenaar niet na de oorlog uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van rechten.

Toelichting met betrekking tot de algemene overwegingen c en e[1]

In lijn met de aanbevelingen inzake de kunsthandel en de toelichting daarop is de commissie tot het oordeel gekomen dat overweging c uitsluitend dient te gelden voor particulier kunstbezit. In diezelfde lijn heeft een aanpassing plaatsgevonden in overweging e en heeft voorts in verband met deze overweging te gelden dat uitsluitend objecten die zich daadwerkelijk in de oude handelsvoorraad hebben bevonden, voor restitutie in aanmerking kunnen komen.

Bijzondere overwegingen

  1. Het onderhavige advies heeft, na intrekking van het verzoek met betrekking tot NK 2310 en NK 2443, betrekking op de volgende eenentwintig objecten: NK 205, NK 244, NK 251, NK 296, NK 505, NK 508 A-B, NK 510, NK 511, NK 512, NK 530 A-B, NK 532 A-B, NK 633, NK 652, NK 685, NK 810 A-B, NK 891, NK 1074, NK 1075, NK 1079, NK 2131 en NK 3202.

  2. Verzoekers hebben gesteld de erfgenamen te zijn van Salomon Stodel. Deze was tijdens de Tweede Wereldoorlog samen met zijn broer Bernhard Stodel firmant van kunsthandel J. Stodel v.o.f.. Verzoekers hebben voorts gemeld dat zij de enige aandeelhouders zijn van Stodel Holding B.V., waarin Salomon Stodel Antiquités volgens verzoekers is ondergebracht. Laatstgenoemde onderneming is volgens verzoekers de voortzetting van kunsthandel J. Stodel v.o.f.. De overige relevante gegevens zijn in het onderzoeksrapport van 3 maart 2008 beschreven. Hier wordt volstaan met de volgende samenvatting. Kunsthandel Stodel werd in 1898 opgericht door de joodse kunsthandelaar Jacob Stodel (senior). Het bedrijf was aanvankelijk gevestigd aan de Nieuwe Hoogstraat 15 te Amsterdam. Na het overlijden van Jacob Stodel zetten zijn zonen Salomon en Bernhard Stodel de kunsthandel voort. Sinds 1936 was Kunsthandel Stodel gevestigd aan het Rokin 70 te Amsterdam.

  3. Gedurende de Tweede Wereldoorlog nam de Duitse bezetter in Nederland verschillende maatregelen om achtereenvolgens tot registratie, beheer en liquidatie van joodse bedrijven over te gaan. Op 12 maart 1941 werd Verordnung 48/1941 uitgevaardigd, de ‘verordening tot verwijdering van joden uit het bedrijfsleven’. Op grond van deze verordening werden bedrijven van joodse ondernemers onder beheer gesteld en vervolgens geliquideerd door een Liquidations-Treuhänder of gekocht dan wel blijvend beheerd door een Verwaltungs-Treuhänder (kortweg: Verwalter). Tot oktober 1941 echter werd Kunsthandel Stodel door de Duitse bezetter ongemoeid gelaten. De firmanten konden hun handel ongehinderd voortzetten en waren vrij om te reizen. In oktober 1941 kwam hieraan een einde toen de bezetter de kunsthandel sloot en verzegelde. Enkele weken nadien benaderde Bernhard Stodel, op advies van een collega-kunsthandelaar, Johan Peter Joseph Kalb met het verzoek als Verwalter over Kunsthandel Stodel op te treden. Kalb nam op 27 november of 1 december 1941 het beheer van Kunsthandel Stodel over. De firmanten verloren alle zeggenschap.

  4. Op 5 augustus 1942 kocht Kalb Kunsthandel Stodel voor NLG 46.765. De medewerkers van de kunsthandel die de waarde van de inventaris moesten bepalen, kregen van Kalb de opdracht de waarde van de objecten te stellen op eenderde van de inkoopprijs. Vergelijking van het inventarisboek en de inventarislijst bij de akte van overdracht wijst uit dat het verkoopbedrag ook nog eens veel lager was dan de som van de bedragen die in het inventarisboek waren opgenomen. De koopsom werd door Kalb betaald met een geldlening die naderhand is afgelost met gebruikmaking van inkomsten uit de kunsthandel. Kalb stortte de koopsom bij Handelmaatschappij H. Albert de Bary & Co N.V. te Amsterdam ten gunste van Salomon en Bernhard Stodel. De gebroeders Stodel hebben echter nooit over het geld kunnen beschikken. Uit de combinatie van deze feiten en uit de verschillende in het onderzoeksrapport aangehaalde getuigenverklaringen kan worden opgemaakt dat de verkoop aan Kalb niet vrijwillig geschiedde.

  5. Bernhard en Salomon Stodel overleefden de oorlog. Na de bevrijding bleek het pand van Kunsthandel Stodel aan het Rokin vrijwel geheel leeg te zijn. Op 5 augustus 1946 werd namens Kunsthandel Stodel een verzoekschrift ingediend bij de Afdeling Rechtspraak van de Raad voor het Rechtsherstel te Amsterdam, waarin de vordering op Kalb werd berekend op NLG 187.846,11. Op 10 juni 1947 verklaarde de Raad de verkoop van de kunsthandel nietig op grond van het Besluit herstel rechtsverkeer, KB E 100. De Raad is daarbij niet ingegaan op de gevraagde schadevergoeding. Kalb werd op 18 juni 1947 door het Tribunaal Amsterdam veroordeeld omdat hij had getracht voordeel te trekken uit de door de vijand genomen maatregelen door Verwalter te worden over Kunsthandel Stodel. Hieraan deed volgens het Tribunaal niet af dat de gebroeders Stodel zelf Kalb hadden benaderd om Verwalter te worden.

  6. In het archief van het Nederlandse Beheers Instituut (hierna: NBI) is een proces verbaal van zwarigheden van 19 maart 1951 aangetroffen, waarin uitvoerig wordt ingegaan op geschillen tussen Kunsthandel Stodel en Kalb. Weliswaar is hierin aangegeven dat men het stuk met instemming van beide partijen zou voorleggen aan de Raad voor het Rechtsherstel, maar uit het archief van de Raad blijkt niet dat deze zaak ook daadwerkelijk is voorgelegd. Aangezien in de beschikbare bronnen geen informatie over een definitieve afwikkeling is gevonden stelt de commissie vast dat het hier niet om een afgehandelde zaak gaat, zodat verzoekers in hun verzoek ontvankelijk zijn.

  7. Verzoekers vragen thans teruggave van objecten geregistreerd onder 21 NK-nummers. Zij stellen zich daarbij op het standpunt dat hun verzoek beoordeeld moet worden met inachtneming van de algemene overwegingen c en e, zoals die luidden tot 12 november 2007, nu zij hun verzoek op 10 juli 2006 hebben ingediend en zij reeds op 22 juni 2007 bij brief op het conceptrapport hebben gereageerd en voorts sprake zou zijn van "een beleidswijziging in een lopende zaak, waarin de commissie op onderdelen reeds anders heeft beslist". De commissie verwerpt dit standpunt, nu zij verzoekers in de gelegenheid heeft gesteld hun stellingen aan te passen aan de nieuwe redactie van de algemene overwegingen c en e en het hier een zelfstandig verzoek betreft dat op 10 juli 2006 is ingediend, dus na het eerder vermelde advies van 18 april 2005 (RC 1.10).

    Hieronder volgen de overwegingen per categorie.

  8. NK 685, NK 1079, NK 810 A-B en NK 205

    Met betrekking tot de eigendom van de objecten geregistreerd onder de bovengemelde vier NK-nummers heeft het onderzoek het volgende uitgewezen. Op basis van de herkomstreconstructie van BHG en de aangetroffen archiefstukken concludeert de commissie dat deze voorwerpen tijdens de oorlog door Kunsthandel Stodel werden verkocht. Vervolgens heeft de commissie onderzocht of deze werken tot de oude handelsvoorraad (ingekocht onder het beheer van de eigenaren) of de nieuwe handelsvoorraad (ingekocht onder het beheer van de Verwalter) hebben behoord. Uit dit onderzoek is gebleken dat NK 685 en NK 1079 in november 1940 werden verkocht aan de Münchener Kunsthandelsgesellschaft, dat NK 810 A-B op een onbekende datum in 1940 werd verkocht aan Kunsthandel v/h J. Goudstikker N.V. en dat NK 205 op 5 april 1941 werd verkocht aan het Historisches Museum te Frankfurt am Main. Hieruit concludeert de commissie dat deze vier werken vóór het aantreden van Verwalter Kalb zijn verkocht en dat deze derhalve tot de oude handelsvoorraad gerekend moeten worden.

    De commissie heeft voorts onderzocht of er aanwijzingen zijn die het in hoge mate waarschijnlijk maken dat hier sprake is van onvrijwillig bezitsverlies, als bedoeld in de Aanbevelingen voor de kunsthandel 4, 5 en 6 van de Commissie Ekkart. Bij het ontbreken van aangifteformulieren waarin onvrijwillig bezitsverlies is aangegeven, kan de vereiste hoge mate van waarschijnlijkheid ook worden aangenomen indien wordt aangetoond dat sprake is van diefstal, confiscatie of dwang. Verzoekers hebben gesteld dat er een reële kans bestaat dat onderhavige verkopen een onvrijwillig karakter droegen omdat de kopers een Duitse achtergrond hadden en de eerste twee nauwe banden met de nazi’s onderhielden. Verzoekers stellen zich daarbij op het standpunt dat zulks evenwel niet meer met zekerheid is vast te stellen, maar dat het risico voor deze onzekerheid bij de overheid behoort te liggen. De commissie volgt deze redenering echter niet, aangezien zij niet in overeenstemming is met de Aanbevelingen inzake de kunsthandel van de Commissie Ekkart. In de inleiding van bedoelde Aanbevelingen van de Commissie Ekkart is hieromtrent gesteld dat de aanbeveling om verkopen door particulieren vanaf het begin van de oorlog te beschouwen als gedwongen verkopen, tenzij nadrukkelijk anders blijkt, voor de kunsthandel niet ongewijzigd kan worden overgenomen. Dit heeft geresulteerd in de aangepaste formulering van de algemene overweging c, waaruit volgt dat de omgekeerde bewijslast niet van toepassing is op kunsthandelzaken. De commissie is van oordeel dat verzoekers niet hebben aangetoond dat hier sprake is van onvrijwillig bezitsverlies ten gevolge van omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime.

  9. NK 1074

    Met betrekking tot de eigendom van bovengenoemd object heeft het onderzoek het volgende uitgewezen. Op basis van de herkomstreconstructie van BHG en de aangetroffen archiefstukken concludeert de commissie dat dit voorwerp tijdens de oorlog door Kunsthandel Stodel is verkocht. Vervolgens heeft de commissie onderzocht of dit werk tot de oude handelsvoorraad (ingekocht onder het beheer van de eigenaren) of de nieuwe handelsvoorraad (ingekocht onder het beheer van de Verwalter) heeft behoord. Na bestudering van de inventaris van de handelsvoorraad van Kunsthandel Stodel, opgesteld op last van Verwalter Kalb, acht de commissie het in hoge mate waarschijnlijk dat dit object heeft behoord tot de oude handelsvoorraad van Kunsthandel Stodel.

    De commissie heeft voorts onderzocht of er aanwijzingen zijn die het in hoge mate waarschijnlijk maken dat hier sprake is van onvrijwillig bezitsverlies, als bedoeld in de Aanbevelingen voor de kunsthandel 4, 5 en 6 van de Commissie Ekkart. Door de commissie zijn in het SNK-archief aangifteformulieren aangetroffen met betrekking tot NK 1074. Op deze formulieren is namens Kunsthandel Stodel aangegeven dat dit werk vrijwillig is verkocht. Met het oog op de aldus door Kunsthandel Stodel gegeven kwalificatie van ‘vrijwillig’ met betrekking tot de verkoop verwijst de commissie naar kunsthandelaanbeveling 5 van de Commissie Ekkart. Daarin adviseert de Commissie Ekkart “om in alle gevallen waarin de kunsthandelaar zelf, zijn erven of zijn door hem of zijn erven benoemde directe vertegenwoordiger na de oorlog bij een aangifte “vrijwillige verkoop” heeft ingevuld, deze kwalificatie als bindend te beschouwen, tenzij zeer duidelijke aanwijzingen worden overlegd die het waarschijnlijk maken dat bij de invulling een fout is gemaakt of dat de invulling onder onevenredig bezwarende omstandigheden heeft plaats gevonden”. De commissie heeft geen aanwijzingen gevonden die het waarschijnlijk maken dat bij de invulling van het aangifteformulier een fout is gemaakt of dat de invulling onder onevenredig bezwarende omstandigheden heeft plaatsgevonden, zodat zij de kwalificatie ‘vrijwillig’ als bindend beschouwt.

  10. NK 244, NK 510, NK 512, NK 530 A-B, NK 532 A-B en NK 3202

    Met betrekking tot de eigendom van de objecten geregistreerd onder de bovengemelde zes NK-nummers heeft het onderzoek het volgende uitgewezen. Op basis van de herkomstreconstructie van BHG en de aangetroffen archiefstukken concludeert de commissie dat deze voorwerpen tijdens de oorlog door Kunsthandel Stodel werden verkocht. Vervolgens heeft de commissie onderzocht of deze werken tot de oude handelsvoorraad (ingekocht onder het beheer van de eigenaren) of de nieuwe handelsvoorraad (ingekocht onder het beheer van de Verwalter) hebben behoord. Na bestudering van de inventaris van de handelsvoorraad van Kunsthandel Stodel, opgesteld op last van Verwalter Kalb, acht de commissie het in hoge mate waarschijnlijk dat deze zes objecten hebben behoord tot de oude handelsvoorraad van Kunsthandel Stodel.

    De commissie heeft voorts onderzocht of er aanwijzingen zijn die het in hoge mate waarschijnlijk maken dat hier sprake is van onvrijwillig bezitsverlies, als bedoeld in de Aanbevelingen voor de kunsthandel 4, 5 en 6 van de Commissie Ekkart. Bij het ontbreken van aangifteformulieren waarin onvrijwillig bezitsverlies is aangegeven, kan de vereiste hoge mate van waarschijnlijkheid ook worden aangenomen indien wordt aangetoond dat sprake is van verkoop door een Verwalter, voorzover de oorspronkelijke eigenaars of hun erven niet het volledige profijt van de transactie hebben genoten of na de oorlog uitdrukkelijk afstand hebben gedaan van rechten. Verzoekers hebben gesteld dat deze werken tijdens het beheer van Verwalter Kalb zijn verkocht. Op basis van gegevens van voormelde inventaris is de commissie van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat de verkoop van deze zes objecten door de Verwalter heeft plaatsgevonden en dat derhalve sprake is van onvrijwillig bezitsverlies ten gevolge van omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime.

  11. NK 251, NK 296, NK 505, NK 508 A-B, NK 511, NK 633, NK 652, NK 891 en NK 1075

    Met betrekking tot de eigendom van de objecten geregistreerd onder de bovengemelde negen NK-nummers heeft het onderzoek het volgende uitgewezen. Op basis van de herkomstreconstructie van BHG en de aangetroffen archiefstukken concludeert de commissie dat deze voorwerpen tijdens de oorlog door Kunsthandel Stodel werden verkocht. Vervolgens heeft de commissie onderzocht of deze werken tot de oude handelsvoorraad (ingekocht onder het beheer van de eigenaren) of de nieuwe handelsvoorraad (ingekocht onder het beheer van de Verwalter) hebben behoord. De commissie is er echter niet in geslaagd op grond van de thans beschikbare gegevens vast te stellen wanneer deze objecten in de handelsvoorraad van Kunsthandel Stodel terecht zijn gekomen. Verzoekers hebben geen feiten aangedragen die erop zouden kunnen wijzen dat deze objecten tot de oude handelsvoorraad hebben behoord. Derhalve acht de commissie het niet in hoge mate waarschijnlijk dat de onderhavige objecten tot de oude handelsvoorraad van Kunsthandel Stodel hebben behoord.

    Verzoekers hebben voorts betoogd dat indien de geclaimde objecten, expliciet NK 633 en NK 891, niet tot de oude handelsvoorraad worden gerekend, deze stukken in ieder geval door de Verwalter zijn ingekocht en verkocht met gebruikmaking van goodwill, infrastructuur en kapitaal van Kunsthandel Stodel en dat deze objecten uit hoofde hiervan zouden moeten worden gerestitueerd. Onder verwijzing naar haar toelichting met betrekking tot de algemene overwegingen c en e, waarin onder meer is overwogen dat uitsluitend objecten die zich daadwerkelijk in de oude handelsvoorraad hebben bevonden, voor restitutie in aanmerking kunnen komen, en het onder 7 overwogene, verwerpt de commissie dit betoog.

  12. NK 2131

    Met betrekking tot de eigendom van bovengemeld object heeft het onderzoek het volgende uitgewezen. Op basis van de herkomstreconstructie van BHG en de aangetroffen archiefstukken concludeert de commissie dat de naam Stodel niet voorkomt in de herkomstgeschiedenis, maar dat het kunstwerk door Kalb werd gekocht bij veilinghuis Mak van Waay op 29 juni 1943.

    Verzoekers hebben gesteld dat Kalb, toen hij dit werk kocht, reeds Verwalter was over Kunsthandel Stodel en dat het derhalve aannemelijk is dat hij bij de aankoop van dit werk gebruik heeft gemaakt van goodwill, infrastructuur en kapitaal van Kunsthandel Stodel en dat dit schilderij uit hoofde hiervan zou moeten worden gerestitueerd. Onder verwijzing naar haar toelichting met betrekking tot de algemene overwegingen c en e, waarin onder meer is overwogen dat uitsluitend objecten die zich daadwerkelijk in de oude handelsvoorraad hebben bevonden, voor restitutie in aanmerking kunnen komen, en het onder 7 overwogene, verwerpt de commissie dit betoog.

  13. Nadere overweging met betrekking tot NK 510 en NK 3202

    Met betrekking tot NK 510 en NK 3202 doet zich een bijzonder probleem voor. Het ICN heeft laten weten dat NK 510 is vermist en NK 3202 niet meer bestaat. De consequentie hiervan is dat de commissie, hoezeer ook de restitutieverzoeken met betrekking tot deze twee werken toewijsbaar zijn, niet tot teruggave kan adviseren, maar zich moet beperken tot een advies waarbij de aanspraken van verzoekers zich oplossen in een verzoek om schadeloosstelling, zulks wat betreft NK 510 voor zover dit werk onvindbaar blijft.

Conclusie

De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de objecten NK 244, NK 512, NK 530 A-B en NK 532 A-B terug te geven aan de erven van Salomon Stodel en de erven van Bernhard Stodel, ten tijde van het bezitsverlies firmanten van kunsthandel J. Stodel v.o.f. en met betrekking tot NK 510 en NK 3202 over te gaan tot schadeloosstelling van bedoelde erven.

De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het verzoek tot teruggave van NK 205, NK 251, NK 296, NK 505, NK 508 A-B, NK 511, NK 633, NK 652, NK 685, NK 810 A-B, NK 891, NK 1075, NK 1079, NK 2131 en NK 1074 af te wijzen.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 7 april 2008 door R. Herrmann (voorzitter), J.Th.M. Bank, J.C.M. Leijten, P.J.N. van Os, E.J. van Straaten, H.M. Verrijn Stuart, I.C. van der Vlies (vice-voorzitter), en ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

(R. Herrmann, voorzitter) (E. Campfens, secretaris)

-----------------------

[1] Tot 12 november 2007 luidden de algemene overwegingen c en e: c) De commissie heeft zich voorts afgevraagd op welke wijze moet worden omgegaan met het gegeven dat bepaalde feiten niet meer te achterhalen zijn, dat bepaalde gegevens verloren zijn gegaan of niet zijn teruggevonden of anderszins bewijzen niet meer zijn bij te brengen. De commissie is daaromtrent van mening dat, indien het tijdsverloop (mede) oorzaak is van de ontstane problemen, het risico daarvoor, behoudens onder bijzondere omstandigheden, behoort te liggen bij de overheid. e) Onder onvrijwillig bezitsverlies wordt ook verstaan verkopen zonder instemming van de kunsthandelaar door Verwalters of andere niet door de eigenaar aangestelde beheerders uit de onder hun beheer gestelde oude handelsvoorraad, voor zover de oorspronkelijke eigenaar of zijn erven niet het volledige profijt van de transactie heeft genoten of voor zover de eigenaar niet na de oorlog uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van rechten.