Kunsthandel Mossel

NK 428 (foto: RCE)

Advies inzake kunsthandel Mossel

Dossiernummer: 
1.51
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
7 januari 2008
Periode bezitsverlies: 
1940-1945
Oorspronkelijke eigenaar: 
Kunsthandel
Plaats bezitsverlies: 
In Nederland

Bij brief van 23 oktober 2006 verzocht de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) de Restitutiecommissie om advies inzake de te nemen beslissing op het verzoek van mevrouw V. de J.-S. te S.-L.-W., België (hierna: verzoekster), tot teruggave van de volgende objecten:

NK 126: sculptuur, voorstellende Maria Magdalena;
NK 127: sculptuur, voorstellende Madonna met kind;
NK 183-A-B: ronde kom met deksel;
NK 253: porseleinkast;
NK 266: pilasterkast;
NK 319: Chinees bord;
NK 346A-B: twee dekselvazen;
NK 396: Afrikaanse jachthoorn;
NK 425A-E: kaststel;
NK 481 A-B: karaf met stop;
NK 482: duimglas;
NK 483A-B: bierpul met deksel;
NK 484: drinkuit;
NK 486: kom;
NK 552: renaissance beeldenkast;
NK 561: A. Planer, klok;
NK 691A-E, vijf stoelen;
NK 908: De Paauw, schotel;
NK 912A-G: zeven borden;
NK 931A-B: twee Chinese bekervazen;
NK 932A-B: Chinese dekselvaas;
NK 956A-F: zes plaquettes met Bijbelse voorstellingen;
NK 960: Lodewijk XVI tafel;
NK 2014: E.A. Haanen, Kinderen met hond in achtertuin;
NK 2015: E.A. Haanen, Kinderen met hond in interieur.

Deze objecten hebben volgens verzoekster behoord tot de voormalige handelsvoorraad van de kunsthandel Firma S.E. Mossel (hierna ook: Kunsthandel Mossel), gevestigd te Amsterdam. De geclaimde objecten maken sinds hun recuperatie naar Nederland na de Tweede Wereldoorlog, onder bovengemelde inventarisnummers, deel uit van de Nederlands Kunstbezit-collectie (hierna: NK-collectie) en bevinden zich bij diverse musea en overheidsinstellingen in binnen- en buitenland.

De procedure

De aanleiding voor het restitutieverzoek vormde een brief van 13 juli 2006, van Bureau Herkomst Gezocht (hierna BHG) aan verzoekster, betreffende de bovengemelde objecten die tijdens de Tweede Wereldoorlog mogelijk deel hebben uitgemaakt van de handelsvoorraad van Kunsthandel Mossel. Op grond hiervan verzocht verzoekster per brief van 31 augustus 2006 de minister om teruggave van de bovengenoemde kunstwerken. Naar aanleiding van het vervolgens aan haar voorgelegde adviesverzoek heeft de commissie een onderzoek naar de feiten uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het conceptonderzoeksrapport van 3 september 2007. Dit conceptonderzoeksrapport is voorgelegd aan verzoekster, waarop zij bij brief van 2 oktober 2007 heeft gereageerd en de commissie aanvullende informatie heeft verstrekt. Deze informatie is, tezamen met gegevens voortgekomen uit nader onderzoek, verwerkt in het onderzoeksrapport, dat is vastgesteld ter vergadering van 7 januari 2008. Voor wat betreft de feiten wordt verwezen naar het rapport, dat geacht wordt deel uit te maken van dit advies. Ten slotte doet zich de bijzonderheid voor dat bij het restitutieverzoek met betrekking tot het werk sculptuur, voorstellende Maria Magdalena (NK 126) sprake is van een tegenstrijdige claim van R. L., op welk verzoek de commissie op 6 augustus 2007 een afwijzend advies heeft uitgebracht aan de minister. Voorts is bij het restitutieverzoek inzake het object Afrikaanse jachthoorn (NK 396) sprake van een tegenstrijdige claim. Dit object is namelijk tevens geclaimd in de zaak RC 1.87, welk verzoek op dit moment bij de commissie in behandeling is.

Algemene overwegingen

a) De commissie laat zich bij haar advisering leiden door de beleidslijnen terzake van de Commissie Ekkart als overgenomen door de regering.

b) De commissie heeft zich de vraag gesteld of een uit te brengen advies invloed mag ondervinden van mogelijke consequenties in latere zaken. De commissie beantwoordt die vraag, behoudens onder bijzondere omstandigheden ontkennend omdat een dergelijke invloed bezwaarlijk kan worden tegengeworpen aan de betrokken verzoeker.

c) De commissie heeft zich voorts afgevraagd op welke wijze moet worden omgegaan met het gegeven dat bepaalde feiten niet meer te achterhalen zijn, dat bepaalde gegevens verloren zijn gegaan of niet zijn teruggevonden of anderszins bewijzen niet meer zijn bij te brengen. De commissie is daaromtrent van mening dat, indien het tijdsverloop (mede) oorzaak is van de ontstane problemen, het risico daarvoor, indien het betreft particulier kunstbezit, behoudens onder bijzondere omstandigheden, behoort te liggen bij de overheid.

d) De commissie is van mening dat inzichten en omstandigheden die naar algemene maatschappelijke opvattingen sinds de Tweede Wereldoorlog klaarblijkelijk zijn veranderd, gelijk mogen worden gesteld aan nova (nieuwe feiten).

e) Onvrijwillig bezitsverlies is in hoge mate waarschijnlijk indien is verkocht zonder instemming van de kunsthandelaar door Verwalters of andere niet door de eigenaar aangestelde beheerders uit de onder hun beheer gestelde oude handelsvoorraad, voor zover de oorspronkelijke eigenaar of zijn erven niet het volledige profijt van de transactie heeft genoten of voor zover de eigenaar niet na de oorlog uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van rechten.

Toelichting met betrekking tot de algemene overwegingen c en e[1]

In lijn met de aanbevelingen inzake de kunsthandel en de toelichting daarop is de commissie tot het oordeel gekomen dat overweging c uitsluitend dient te gelden voor particulier kunstbezit. In diezelfde lijn heeft een aanpassing plaatsgevonden in overweging e en heeft voorts in verband met deze overweging te gelden dat uitsluitend objecten die zich daadwerkelijk in de oude handelsvoorraad hebben bevonden, voor restitutie in aanmerking kunnen komen.

Bijzondere overwegingen:

  1. Verzoekster vraagt teruggave van de objecten: NK 126, NK 127, NK 183A-B, NK 253, NK 266, NK 319, NK 346A-B, NK 396, NK 425A-E, NK 481A-B, NK 482, NK 483A-B, NK 484, NK 486, NK 552, NK 561, NK 691A-E, NK 908, NK 912A-G, NK 931A-B, NK 932A-B, NK 956A-F, NK 960, NK 2014 en NK 2015. Verzoekster is een achternicht en pleegdochter van de inmiddels overleden Meier Mossel. Mossel was bij leven vennoot van Kunsthandel Mossel. Verzoekster heeft aangegeven bij haar restitutieverzoek op te treden namens de erfgenamen van Meier Mossel en zijn broers Elias Mossel en Simon Mossel, bij leven firmanten van Kunsthandel Mossel.

  2. De relevante feiten zijn in het onderzoeksrapport van 7 januari 2008 beschreven. Hier wordt volstaan met de volgende samenvatting. Kunsthandel Mossel werd opgericht door de heer Salomon Elias Mossel. Op 6 februari 1912 traden zijn zonen Elias Mossel en Meier Mossel toe tot de zaak. Blijkens het bedrijfsdossier, aangetroffen in het archief van het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Amsterdam (hierna: het Handelsregister), was de onderneming gevestigd aan het Rokin 120 te Amsterdam. Met ingang van 1 augustus 1920 trad een derde zoon, Simon Mossel, toe tot de firma. Na uittreding door Salomon Elias Mossel, die halverwege de jaren dertig overleed, werd de onderneming voortgezet door de drie broers.

  3. Gedurende de Tweede Wereldoorlog nam de Duitse bezetter in Nederland verschillende maatregelen om achtereenvolgens tot registratie, beheer en liquidatie van joodse bedrijven over te gaan. Op 12 maart 1941 werd Verordnung 48/1941 uitgevaardigd, de ‘Verordening tot verwijdering van joden uit het bedrijfsleven’. Op grond van deze verordening werden bedrijven van joodse ondernemers onder beheer gesteld en vervolgens geliquideerd door een Liquidations-Treuhänder of gekocht casu quo blijvend beheerd door een Verwaltungs-Treuhänder (kortweg: Verwalter). Ingevolge bovenstaande verordening werd Jacques Jansen op 27 november 1941 benoemd tot Verwalter van Kunsthandel Mossel. Naast Jansen werd de Niederländische Aktiengesellschaft für Abwicklung von Unternehmungen (NAGU) te Den Haag benoemd tot bewindvoerster, gerechtigd tot het vervreemden van de onderneming.

  4. Bij het archiefonderzoek door de commissie zijn gegevens gevonden met betrekking tot het reilen en zeilen van Kunsthandel Mossel tijdens de Tweede Wereldoorlog. Meier Mossel was de enige van de firmanten die de oorlog overleefde. In het Handelsregister staat aangegeven dat hij op 12 januari 1946 door het Nederlandse Beheersinstituut (hierna: NBI) werd benoemd tot bewindvoerder over het vermogen van Simon Mossel en Elias Mossel en als zodanig over de Kunsthandel Mossel. In het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging is een verklaring aangetroffen van een kantoorbediende die voor Verwalter Jansen had gewerkt. Deze persoon stelde dat er na de bevrijding praktisch geen goederen meer in de zaak waren. Meier Mossel zelf handelde na de oorlog verder onder de naam ‘M. Mossel’. Blijkens gegevens uit het Handelsregister werd deze kunsthandel op 14 september 1951 opgeheven wegens het overlijden van Meier Mossel op diezelfde datum.

  5. Na de oorlog werd namens Kunsthandel Mossel aangifte gedaan van de verkoop van diverse voorwerpen die tijdens de oorlog uit het bezit van de kunsthandel waren geraakt. De aangetroffen Aangifteformulieren zijn ondertekend met ‘S.E. Mossel’, hoogstwaarschijnlijk door Meier Mossel zelf. Op de aangetroffen Aangifteformulieren die Mossel ondertekende wordt zowel melding gemaakt van vrijwillige als onvrijwillige verkopen. Voor zover bekend heeft Mossel alle verkopen aan de Dienststelle Mühlmann op zijn aangiften gekwalificeerd als onvrijwillig. Op formulieren die geen verkopen aan Mühlmann betreffen is ingevuld dat sprake was van vrijwillige verkoop.

  6. Het onderhavige restitutieverzoek betreft diverse kunstvoorwerpen, die thans geregistreerd staan onder 25 NK-nummers. Met betrekking tot de eigendom van de geclaimde objecten volgt hieronder een behandeling van deze voorwerpen in drie categorieën.

    NK 396, NK 912A-G, NK 319, NK 2014, NK 2015, NK 481A-B
    Met betrekking tot de eigendom van de zes bovengemelde objecten heeft het onderzoek het volgende uitgewezen. Uit de herkomstreconstructie van BHG en de aangetroffen archiefstukken kan worden afgeleid dat de herkomstnaam S.E. Mossel onzeker is. Mogelijk is de naam S.E. Mossel bij een aantal van deze werken verward met de naam van een andere kunsthandel uit Amsterdam. Zo is NK 396 ook geclaimd in de zaak RC 1.87, welk verzoek thans bij de commissie in behandeling is. Verzoekster heeft de eigendom van de onderhavige objecten ook niet met verdere gegevens kunnen onderbouwen. De commissie heeft derhalve de conclusie moeten trekken dat de eigendom van de zes bovengemelde werken niet in hoge mate aannemelijk is gemaakt en zij adviseert daarom de claim met betrekking tot deze zes werken af te wijzen.

    NK 126, NK 127, NK 183, NK 253, NK 266, NK 346A-B, NK 425A-E, NK 482, NK 483A-B, NK 484, NK 486, NK 552, NK 561, NK 691A-E, NK 908, NK 960
    Met betrekking tot de eigendom van deze zestien voorwerpen heeft het onderzoek het volgende uitgewezen. Uit de herkomstreconstructie van BHG valt af te leiden dat de bovengemelde objecten tijdens de oorlog zijn verkocht door Kunsthandel Mossel. Vervolgens heeft de commissie getracht vast te stellen of de geclaimde objecten tot de oude handelsvoorraad (ingekocht door de eigenaar) of de nieuwe handelsvoorraad (ingekocht door de Verwalter) hebben behoord. Hierin is de commissie niet geslaagd, omdat op grond van de beschikbare gegevens niet meer is vast te stellen wanneer en van wie Kunsthandel Mossel de werken heeft gekocht. Verzoekster heeft in haar restitutieverzoek verklaard dat het gros van de geclaimde werken reeds voor 1940 eigendom was van Kunsthandel Mossel. Er zijn echter geen feiten of aanwijzingen aan het licht gekomen die deze verklaring onderbouwen en bovendien is niet duidelijk op welke van de onderhavige werken de verklaring van verzoekster precies betrekking heeft. Derhalve acht de commissie het niet in hoge mate waarschijnlijk dat de onderhavige werken tot de oude handelsvoorraad behoorden en zij adviseert daarom de claim met betrekking tot deze zestien werken af te wijzen.

    NK 931A-B, NK 932A-B, NK 956A-F
    Met betrekking tot de eigendom van de drie bovengemelde objecten heeft het onderzoek het volgende uitgewezen. Uit de herkomstreconstructie van BHG valt af te leiden dat deze voorwerpen tijdens de oorlog door Kunsthandel Mossel werden verkocht. Vervolgens heeft de commissie getracht vast te stellen of de geclaimde objecten tot de oude handelsvoorraad (ingekocht door de eigenaar) of de nieuwe handelsvoorraad (ingekocht door de Verwalter) hebben behoord. Uit archiefmateriaal is duidelijk geworden dat deze drie werken door Kunsthandel Mossel op 25 februari 1941 op de veiling van Frederik Muller werden aangekocht. Dat was vóórdat de kunsthandel op 27 november 1941 onder beheer van de Verwalter kwam te staan. Derhalve moeten deze drie objecten worden gerekend tot de oude handelsvoorraad. De commissie heeft zich vervolgens de vraag gesteld of er aanwijzingen zijn die het in hoge mate waarschijnlijk maken dat bij de verkoop van deze voorwerpen tijdens de oorlog sprake is geweest van onvrijwillig bezitsverlies door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime. Voor de beoordeling daarvan dient, overeenkomstig de Aanbevelingen inzake de kunsthandel 4 en 6 van de Commissie Ekkart (januari 2003), de verklaring die de kunsthandelaar na de oorlog bij aangifte heeft afgelegd als zodanig te worden geaccepteerd, tenzij er omstandigheden bekend zijn die deze verklaring tegenspreken. Derhalve heeft de commissie in de eerste plaats onderzocht of na de oorlog aangifte is gedaan door of namens een der firmanten met betrekking tot deze drie werken. Uit aangifteformulieren, opgesteld op 22 oktober 1945, is gebleken dat Meier Mossel met betrekking tot deze werken aangifte heeft gedaan van vrijwillige verkoop. Gezien deze verklaringen en gezien het feit dat er geen aanwijzingen zijn die wijzen op het tegendeel, acht de commissie het niet in hoge mate waarschijnlijk dat met betrekking tot de drie hier bedoelde NK-werken sprake is van onvrijwillig bezitsverlies en zij adviseert derhalve de claim met betrekking tot NK 931A-B, NK 932A-B en NK 956A-F, af te wijzen.

Conclusie

De Restitutiecommissie adviseert de minister het verzoek tot teruggave van de 25 onderhavige NK-werken af te wijzen.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 7 januari 2008,

R. Herrmann (voorzitter)
J.Th.M. Bank
J.C.M. Leijten
P.J.N. van Os
E.J. van Straaten
H.M. Verrijn Stuart
I.C. van der Vlies (vice-voorzitter)

-----------------------

[1] Tot 12 november 2007 luidden de algemene overwegingen c en e:
c) De commissie heeft zich voorts afgevraagd op welke wijze moet worden omgegaan met het gegeven dat bepaalde feiten niet meer te achterhalen zijn, dat bepaalde gegevens verloren zijn gegaan of niet zijn teruggevonden of anderszins bewijzen niet meer zijn bij te brengen. De commissie is daaromtrent van mening dat, indien het tijdsverloop (mede) oorzaak is van de ontstane problemen, het risico daarvoor, behoudens onder bijzondere omstandigheden, behoort te liggen bij de overheid.
e) Onder onvrijwillig bezitsverlies wordt ook verstaan verkopen zonder instemming van de kunsthandelaar door Verwalters of andere niet door de eigenaar aangestelde beheerders uit de onder hun beheer gestelde oude handelsvoorraad, voor zover de oorspronkelijke eigenaar of zijn erven niet het volledige profijt van de transactie heeft genoten of voor zover de eigenaar niet na de oorlog uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van rechten.