Liggend naakt van J.C.B. Sluijters

NK 3392 (foto: RCE)

Advies inzake het verzoek tot teruggave van Liggend naakt van J.C.B. Sluijters (NK 3392)

Dossiernummer: 
1.55
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
11 juni 2007
Periode bezitsverlies: 
1940-1945
Oorspronkelijke eigenaar: 
Particulier

Bij brief van 1 november 2006 verzocht de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) de Restitutiecommissie om advies over de te nemen beslissing op het verzoek van 7 september 2006 van S.M.C. (hierna: verzoekster) tot teruggave van het schilderij Liggend naakt van J.C.B. Sluijters (NK 3392). Het geclaimde schilderij maakt deel uit van de Nederlands Kunstbezit-collectie in beheer van het rijk en bevindt zich momenteel in langdurige bruikleen van het Instituut Collectie Nederland in het Stedelijk Museum te Schiedam.

De procedure

Aanleiding voor het restitutieverzoek vormde een informatieverzoek van Bureau Herkomst Gezocht (BHG) van 23 februari 2005 aan verzoekster met betrekking tot het schilderij NK 3392, dat volgens BHG aan haar vader C. ter Laare had toebehoord. Naar aanleiding van het vervolgens ingediende restitutieverzoek heeft de commissie een onderzoek naar de feiten uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een conceptrapport van [27 november 2006. Het conceptrapport is voorgelegd aan verzoekster, waarbij haar in het bijzonder werd gevraagd om nadere gegevens te verstrekken met betrekking tot de onvrijwilligheid van het bezitsverlies en het verband met het naziregime. Verzoekster heeft hierop op 23 december 2006 gereageerd, maar heeft op dit punt geen nadere informatie kunnen verschaffen. Het rapport is vervolgens vastgesteld op 11 juni 2007. Voor de feiten in deze zaak verwijst de commissie naar het onderzoeksrapport, dat geacht wordt deel uit te maken van dit advies.

Algemene overwegingen

a) De commissie laat zich bij haar advisering leiden door de beleidslijnen terzake van de Commissie Ekkart als overgenomen door de regering.

b) De commissie heeft zich de vraag gesteld of een uit te brengen advies invloed mag ondervinden van mogelijke consequenties in latere zaken. De commissie beantwoordt die vraag, behoudens onder bijzondere omstandigheden ontkennend omdat een dergelijke invloed bezwaarlijk kan worden tegengeworpen aan de betrokken verzoeker.

c) De commissie heeft zich voorts afgevraagd op welke wijze moet worden omgegaan met het gegeven dat bepaalde feiten niet meer te achterhalen zijn, dat bepaalde gegevens verloren zijn gegaan of niet zijn teruggevonden of anderszins bewijzen niet meer zijn bij te brengen. De commissie is daaromtrent van mening dat, indien het tijdsverloop (mede) oorzaak is van de ontstane problemen, het risico daarvoor, behoudens onder bijzondere omstandigheden, behoort te liggen bij de overheid.

d) De commissie is van mening dat inzichten en omstandigheden die naar algemene maatschappelijke opvattingen sinds de Tweede Wereldoorlog klaarblijkelijk zijn veranderd, gelijk mogen worden gesteld aan nova (nieuwe feiten).

e) Onder onvrijwillig bezitsverlies wordt ook verstaan verkopen zonder instemming van de kunsthandelaar door Verwalters of andere niet door de eigenaar aangestelde beheerders uit de onder hun beheer gestelde oude handelsvoorraad, voor zover de oorspronkelijke eigenaar of zijn erven niet het volledige profijt van de transactie heeft genoten of voor zover de eigenaar niet na de oorlog uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van rechten.

Bijzondere overwegingen:

  1. Verzoekster vraagt restitutie van het schilderij Liggend naakt van J.C.B. Sluijters in hoedanigheid van erfgename van haar vader Cornelis Maria Leonard ter Laare (1909-2006). De commissie heeft in dit kader kennis genomen van diens testament van 29 september 1992, zoals gewijzigd bij codicil van 23 april 1999.

  2. Cornelis Maria Leonard ter Laare was borduurder van beroep en van Nederlandse nationaliteit. In 1932 huwde hij Cornelia Elisabeth Haasma, uit welk huwelijk een zoon werd geboren, Rudolf Leonardus ter Laare. In 1939 werd dit huwelijk ontbonden en werd hij in tweede echt verbonden met Esther van der Goen, met wie hij twee dochters kreeg, J.C. (geb. 1943) en verzoekster S.M. (geb. 1947). Tijdens de oorlog woonde het gezin aan de Graaf Florisstraat te Amsterdam. Ter Laare was niet joods en behoorde, voorzover de commissie heeft kunnen achterhalen, ook niet tot een andere vervolgde bevolkingsgroep.

  3. Tijdens het onderzoek naar de herkomst van het geclaimde schilderij zijn geen bronnen aangetroffen op grond waarvan met zekerheid kon worden vastgesteld wanneer en van wie Ter Laare het geclaimde schilderij had verworven. Wel zijn in de archieven van de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK) enkele verklaringen van Ter Laare zelf aangetroffen met betrekking tot de eigendom en het bezitsverlies van het geclaimde werk. In een aangifteformulier van september 1945 en in zijn correspondentie met de SNK verklaarde Ter Laare het schilderij gedurende de oorlog gekocht te hebben van mevrouw De Barbanson en in 1944 te hebben verzonden naar een adres in Gelsenkirchen, Duitsland. Daar zou een persoon, de heer P. de Ree genaamd, het werk in zijn opdracht verkopen. Ter Laare verklaarde dat deze verkoop niet was doorgegaan, maar dat het schilderij niet aan hem was teruggezonden. Omdat zijn pogingen om het werk nadien terug te krijgen niet succesvol waren, verzocht hij de SNK na de oorlog het schilderij voor hem terug naar Nederland te voeren. Nader onderzoek door de commissie naar de verwerving van het schilderij door Ter Laare tijdens de oorlog en naar zijn bezitsverlies enige tijd later, heeft geen nadere informatie opgeleverd. Voor dit onderzoek heeft de commissie onder meer een Sluyters-expert geraadpleegd bij het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie en genealogisch onderzoek laten uitvoeren naar de eerdere eigenaar van het werk mevrouw De Barbanson.

  4. Uit het onderzoek is gebleken dat de SNK het kunstwerk in Duitsland heeft opgespoord en in mei 1948 naar Nederland heeft teruggevoerd. De commissie heeft kennis genomen van de bij het werk behorende inventariskaart, waarop is aangegeven dat het schilderij afkomstig was van Ter Laare en dat het was verkocht aan P. de Ree te Gelsenkirchen. Het is onbekend gebleven waarop deze informatie was gebaseerd. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat de SNK Ter Laare heeft ingelicht over de recuperatie van het schilderij. Voorzover kon worden nagegaan dateert het laatste contact tussen Ter Laare en de SNK met betrekking tot het schilderij van augustus 1947.

  5. Ingevolge het geldende restitutiebeleid kan de commissie slechts tot teruggave adviseren indien in hoge mate aannemelijk is dat het geclaimde werk als voormalig eigendom kan worden aangemerkt van Ter Laare en indien sprake is geweest van onvrijwillig bezitsverlies door omstandigheden die direct verband houden met het naziregime. Naar de mening van de commissie wordt niet aan deze voorwaarden voldaan. Zo de verklaringen van Ter Laare met betrekking tot de eigendom van het werk al als voldoende bewijs zouden worden aanvaard, blijft nog enig verband tussen het bezitsverlies en het naziregime ontbreken. Immers, noch uit de bewaard gebleven archiefmaterialen, noch uit verklaringen van Ter Laare zelf is gebleken dat Ter Laare door toedoen van de nazi’s gedwongen was het schilderij ter verkoop naar Gelsenkirchen te verzenden. Gezien het feit dat Ter Laare niet behoorde tot een vervolgde bevolkingsgroep is er naar de mening van de commissie ook geen reden om enige dwang te veronderstellen. Ook verzoekster heeft hieromtrent geen nadere informatie kunnen verstrekken. De commissie oordeelt derhalve dat er onvoldoende aanwijzingen zijn die duiden op onvrijwillig bezitsverlies gelieerd aan het nazi-regime.

Conclusie

De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om het restitutieverzoek met betrekking tot Liggend naakt van J.C.B. Sluijters (NK 3392) af te wijzen.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 11 juni 2007,

B.J. Asscher (voorzitter)
J.Th.M. Bank
J.C.M. Leijten P.J.N. van Os
E.J. van Straaten
H.M. Verrijn Stuart
I.C. van der Vlies