Een pijlenkoker van bamboe en een eikenhouten driedeurs melkkast

NK 957 (foto: RCE)

Advies inzake het verzoek tot teruggave van een pijlenkoker van bamboe (NK 957) en een eikenhouten driedeurs melkkast (NK 966)

Dossiernummer: 
1.56
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
12 maart 2007
Periode bezitsverlies: 
1940-1945
Oorspronkelijke eigenaar: 
Particulier
Plaats bezitsverlies: 
In Nederland

Bij brief van 1 december 2006 verzocht de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) de Restitutiecommissie om advies over de te nemen beslissing op het verzoek van 7 november 2006 van N.P. (hierna: verzoeker) tot teruggave van een pijlenkoker van bamboe met deksel, afkomstig van de Apokajan Dajaks te Borneo, Indonesië en een 17e- eeuwse eikenhouten driedeurs melkkast. De voorwerpen maken deel uit van de collectie Nederlands Kunstbezit en zijn geregistreerd onder de nummers NK 957 respectievelijk NK 966. De pijlenkoker bevindt zich in bruikleen in het Tropenmuseum te Amsterdam; de melkkast in het Museum Tongerlohuys te Roosendaal.

De procedure

De aanleiding voor het restitutieverzoek vormde een brief van het Bureau Herkomst Gezocht (BHG) van 26 oktober 2006, waarin verzoeker werd verzocht om nadere informatie met betrekking tot de geclaimde voorwerpen. Daarbij werd aangegeven dat de pijlenkoker en melkkast wellicht hadden toebehoord aan de vader van verzoeker, Abraham P. Naar aanleiding van het vervolgens ingediende restitutieverzoek heeft de commissie een onderzoek naar de feiten uitgevoerd. Gezien de leeftijd van verzoeker is het restitutieverzoek met voorrang behandeld. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een conceptrapport van 12 februari 2007 dat is voorgelegd aan verzoeker. Het conceptrapport is tevens voorgelegd aan de Minister van OCW, die de commissie heeft laten weten geen feitelijke aanvullingen te hebben. Vervolgens is het rapport vastgesteld op 12 maart 2007. Voor de feiten in deze zaak verwijst de commissie naar het onderzoeksrapport, dat geacht wordt deel uit te maken van dit advies.

Algemene overwegingen

a) De commissie laat zich bij haar advisering leiden door de beleidslijnen terzake van de Commissie Ekkart als overgenomen door de regering.

b) De commissie heeft zich de vraag gesteld of een uit te brengen advies invloed mag ondervinden van mogelijke consequenties in latere zaken. De commissie beantwoordt die vraag, behoudens onder bijzondere omstandigheden ontkennend omdat een dergelijke invloed bezwaarlijk kan worden tegengeworpen aan de betrokken verzoeker.

c) De commissie heeft zich voorts afgevraagd op welke wijze moet worden omgegaan met het gegeven dat bepaalde feiten niet meer te achterhalen zijn, dat bepaalde gegevens verloren zijn gegaan of niet zijn teruggevonden of anderszins bewijzen niet meer zijn bij te brengen. De commissie is daaromtrent van mening dat, indien het tijdsverloop (mede) oorzaak is van de ontstane problemen, het risico daarvoor, behoudens onder bijzondere omstandigheden, behoort te liggen bij de overheid.

d) De commissie is van mening dat inzichten en omstandigheden die naar algemene maatschappelijke opvattingen sinds de Tweede Wereldoorlog klaarblijkelijk zijn veranderd, gelijk mogen worden gesteld aan nova (nieuwe feiten).

e) Onder onvrijwillig bezitsverlies wordt ook verstaan verkopen zonder instemming van de kunsthandelaar door Verwalters of andere niet door de eigenaar aangestelde beheerders uit de onder hun beheer gestelde oude handelsvoorraad, voor zover de oorspronkelijke eigenaar of zijn erven niet het volledige profijt van de transactie heeft genoten of voor zover de eigenaar niet na de oorlog uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van rechten.

Bijzondere overwegingen:

  1. Verzoeker vraagt restitutie van een pijlenkoker (NK 957) en een melkkast (NK 966) in de hoedanigheid van erfgenaam van zijn vader, Abraham P. (1877–1957). Verzoeker geeft aan mede op te treden namens de overige erfgenamen. De commissie heeft kennis genomen van een verklaring van erfrecht van 19 maart 1957, waarin wordt verklaard dat Abraham P. zijn echtgenote Ida Annette Sequeira en zijn drie kinderen tot erfgenamen heeft benoemd.

  2. Over het leven van Abraham P. is het volgende bekend. P. werd geboren op 27 juli 1877 en was van joodse afkomst. Vanaf 5 oktober 1901 was P. in dienst van het Koninklijk Nederlandsch-Indische Leger en uit dien hoofde vanaf 1902 op verschillende plaatsen in het voormalige Nederlands-Indië gelegerd. In 1915 werd hij overgeplaatst naar het Garnizoens Bataljon van de Zuid Ooster afdeling van Borneo, waar hij tot februari 1921 belast werd met het civiel bestuur van het Apokajan en Poedjoengan gebied. In 1929 keerde hij met vrouw en drie kinderen terug naar Nederland. Volgens verzoeker nam hij daarbij zijn verzameling etnografische voorwerpen mee. Vanaf 1935 woonde het gezin aan de Nicolaas Maesstraat te Amsterdam. In maart 1943 werd de familie P. opgepakt en via Westerbork naar Theresienstadt afgevoerd. De familie overleefde de oorlog.

  3. Verzoeker heeft verklaard dat de inboedel van het huis aan de Nicolaas Maesstraat bij de arrestatie in 1943 werd geconfisqueerd. Ditzelfde blijkt uit de dossiers van de Stichting Joodse Kerkgenootschappen en Sociale Organisaties voor Schadevergoedingsaangelegenheden (JOKOS), waarin een aangifteformulier uit 1958 is aangetroffen van de weduwe P.-Sequeira wegens roof van huisraad.

  4. Ingevolge het geldende rijksbeleid met betrekking tot de restitutie van cultuurgoederen, kan tot teruggave worden geadviseerd indien in hoge mate aannemelijk is dat de geclaimde voorwerpen oorspronkelijk eigendom waren van Abraham P. en indien er sprake is geweest van onvrijwillig bezitsverlies door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime.

  5. De commissie heeft op basis van het onderzoek verschillende aanwijzingen die erop duiden dat de geclaimde pijlenkoker (NK 957) tot het moment van inbeslagname in 1943 aan P. heeft toebehoord. P. heeft kort na de oorlog, op 14 maart 1946, aangifte gedaan bij de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK) van het verlies door confiscatie van een pijlenkoker, afkomstig uit het Apokajan gebied (Centraal Borneo). Hij omschreef de pijlenkoker als: ‘gemaakt van groote bamboes; bewerkt met fraaie figuren, daarin gesneden met het mandaumesje’ en verwees naar een afbeelding van een vergelijkbare koker in een boek onder de titel Apo-Kajan, een filmreis naar en door Centraal-Borneo, van H.F. Tillema uit 1933. De commissie heeft op basis van deze bronnen kunnen constateren dat de uiterlijke kenmerken van de door P. verloren pijlenkoker overeenkomen met die van de thans geclaimde pijlenkoker NK 957. Bovendien heeft P. in maart 1950 de pijlenkoker NK 957, die in september 1947 vanuit een Duits museum naar Nederland was gerecupereerd, op een claimtentoonstelling van de SNK in het Rijksmuseum te Amsterdam herkend en geclaimd. In de daaropvolgende periode heeft de directeur van het Bureau Herstelbetaling- en Recuperatiegoederen (Hergo), één van de taakopvolgers van de SNK, hem verzocht te bewijzen dat de pijlenkoker zijn eigendom was. Een door P. aangedragen getuige was echter verhinderd wegens ziekte, waarna de procedure is gestrand en Hergo de claim terzijde heeft gelegd. De commissie gaat er overigens van uit dat de vermelding van kunsthandel Aalderink als vermoedelijk eigenaar op enkele SNK-archiefdocumenten op een vergissing berust. Aalderink heeft in augustus 1950 na bezichtiging van de pijlenkoker namelijk verklaard het voorwerp niet te herkennen.

  6. Op basis van het voorgaande acht de commissie voldoende aannemelijk dat de geclaimde pijlenkoker tot maart 1943 in bezit is geweest van Abraham P., in welke mening zij wordt gesterkt door het feit dat ook verzoeker het voorwerp op een foto heeft herkend als voormalig eigendom van zijn vader en daaromtrent in oktober 2006 een gedetailleerde verklaring heeft afgelegd. Ten overvloede wijst de commissie er nog op dat P. in de jaren twintig van de 20ste eeuw gelegerd was in het gebied Apokajan te Borneo, waaruit de pijlenkoker NK 957 afkomstig is en waar hij, naar zeggen van verzoeker, in bezit was van een verzameling etnografische voorwerpen, die mee naar Nederland is genomen.

  7. Met betrekking tot de geclaimde melkkast (NK 966) is op basis van de bestaande archiefmaterialen niet met zekerheid vast te stellen wie voor of tijdens de oorlog eigenaar was. Desondanks heeft de commissie reden om aan te nemen dat de melkkast tot de datum van arrestatie in 1943 in bezit is geweest van de familie P. Op genoemde claimtentoonstelling in 1950 heeft de echtgenote van P. de melkkast namelijk herkend, waarna P. een claim bij de SNK heeft ingediend. Evenals bij de pijlenkoker vormde de getuigenis van de gezinsleden zelf voor de SNK c.q. Hergo echter geen onomstotelijk bewijs van eigendom en is de procedure gestrand toen de beoogde getuige verhinderd was te verschijnen.

  8. Aangezien ook verzoeker de melkkast heeft herkend op een foto en zich nog wist te herinneren waar deze vroeger in de woning was geplaatst, acht de commissie naar de maatstaven van het huidige restitutiebeleid voldoende aannemelijk dat het voorwerp eigendom is geweest van P. Voorzover nodig wijst de commissie op haar algemene overweging onder c, waarin het risico van door tijdsverloop verloren gegaan bewijs bij de overheid wordt gelegd.

  9. De commissie overweegt ten slotte dat met de inbeslagname van de inboedel in 1943 aannemelijk is dat P. de pijlenkoker en melkkast onvrijwillig heeft verloren door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime.

  10. Gezien het voorgaande is de commissie van mening dat aan de voorwaarden voor restitutie is voldaan. Van een in het verleden afgehandelde zaak is geen sprake, zodat er ook verder geen beletselen zijn voor toewijzing van het restitutieverzoek.

Conclusie

De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om de pijlenkoker (NK 957) en melkkast (NK 966) te restitueren aan de erven van Abraham P.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 12 maart 2007,

B.J. Asscher (voorzitter)
J.Th.M. Bank
J.C.M. Leijten
P.J.N. van Os
E.J. van Straaten
H.M. Verrijn Stuart
I.C. van der Vlies