Van Messel

NK 355 (foto: RCE)

Advies inzake Van Messel

Dossiernummer: 
1.57
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
4 februari 2008
Oorspronkelijke eigenaar: 
Kunsthandel
Plaats bezitsverlies: 
In Nederland

Bij brief van 1 december 2006 verzocht de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) de Restitutiecommissie om advies over de te nemen beslissing op het verzoek van 12 november 2006 van E. W.-P. te B. (hierna: verzoekster 1). Bij brief van 23 maart 2007 verzocht de minister de Restitutiecommissie om advies over de te nemen beslissing op het verzoek van 13 februari 2007 van mr. D.J. D., als gevolmachtigde van zijn moeder H. D.-M., te A. (hierna: verzoekster 2). Beide verzoeken strekken tot teruggave van de volgende objecten:

- NK 352: bord
- NK 355: plaque.

Deze objecten hebben volgens verzoekster 1 behoord tot de voormalige handelsvoorraad van kunsthandel Firma S. van Messel te Amsterdam en volgens verzoekster 2 behoord tot de voormalige handelsvoorraad van kunsthandel J. van Messel te Amsterdam. De geclaimde objecten maken sinds hun recuperatie naar Nederland na de Tweede Wereldoorlog, onder bovengemelde inventarisnummers, deel uit van de Nederlands Kunstbezit-collectie (hierna: NK-collectie) en bevinden zich respectievelijk in het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen en in het Museum Lambert van Meerten te Delft.

De procedure

De aanleiding voor beide restitutieverzoeken vormde de correspondentie met Bureau Herkomst Gezocht (hierna BHG), betreffende bovengemelde objecten die tijdens de Tweede Wereldoorlog mogelijk deel hebben uitgemaakt van de handelsvoorraad van Firma S. van Messel, of kunsthandel J. van Messel. Naar aanleiding van de twee bovengenoemde restitutieverzoeken heeft de commissie een onderzoek naar de feiten uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een conceptrapport van 1 oktober 2007. Het conceptrapport is aan beide verzoeksters voorgelegd. Verzoekster 2 heeft bij brief van 15 november 2007 inhoudelijk op dit rapport gereageerd. Het rapport is vervolgens vastgesteld op 4 februari 2008. Voor de feiten in deze zaak verwijst de commissie naar het onderzoeksrapport, dat geacht wordt deel uit te maken van dit advies.

Algemene overwegingen

a) De commissie laat zich bij haar advisering leiden door de beleidslijnen terzake van de Commissie Ekkart als overgenomen door de regering.

b) De commissie heeft zich de vraag gesteld of een uit te brengen advies invloed mag ondervinden van mogelijke consequenties in latere zaken. De commissie beantwoordt die vraag, behoudens onder bijzondere omstandigheden ontkennend omdat een dergelijke invloed bezwaarlijk kan worden tegengeworpen aan de betrokken verzoeker.

c) De commissie heeft zich voorts afgevraagd op welke wijze moet worden omgegaan met het gegeven dat bepaalde feiten niet meer te achterhalen zijn, dat bepaalde gegevens verloren zijn gegaan of niet zijn teruggevonden of anderszins bewijzen niet meer zijn bij te brengen. De commissie is daaromtrent van mening dat, indien het tijdsverloop (mede) oorzaak is van de ontstane problemen, het risico daarvoor, indien het betreft particulier kunstbezit, behoudens onder bijzondere omstandigheden, behoort te liggen bij de overheid.

d) De commissie is van mening dat inzichten en omstandigheden die naar algemene maatschappelijke opvattingen sinds de Tweede Wereldoorlog klaarblijkelijk zijn veranderd, gelijk mogen worden gesteld aan nova (nieuwe feiten).

e) Onvrijwillig bezitsverlies is in hoge mate waarschijnlijk indien is verkocht zonder instemming van de kunsthandelaar door Verwalters of andere niet door de eigenaar aangestelde beheerders uit de onder hun beheer gestelde oude handelsvoorraad, voor zover de oorspronkelijke eigenaar of zijn erven niet het volledige profijt van de transactie heeft genoten of voor zover de eigenaar niet na de oorlog uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van rechten.

Toelichting met betrekking tot de algemene overwegingen c en e[1]

In lijn met de aanbevelingen inzake de kunsthandel en de toelichting daarop is de commissie tot het oordeel gekomen dat overweging c uitsluitend dient te gelden voor particulier kunstbezit. In diezelfde lijn heeft een aanpassing plaatsgevonden in overweging e en heeft voorts in verband met deze overweging te gelden dat uitsluitend objecten die zich daadwerkelijk in de oude handelsvoorraad hebben bevonden, voor restitutie in aanmerking kunnen komen.

Bijzondere overwegingen:

  1. Verzoeksters 1 en 2 vragen ieder voor zich teruggave van de objecten NK 352 en NK 355. Verzoekster 1 heeft verklaard een erfgename te zijn van A. van Messel. Zij treedt mede namens diens andere erfgenamen op. A. van Messel was bij leven vennoot van de Firma S. van Messel. Verzoekster 2 is een dochter van J.M., de broer van R.M., echtgenote van J. van Messel. Zij treedt alleen voor zichzelf op. J. van Messel was bij leven eigenaar van de kunsthandel J. van Messel. Beide kunsthandels werden tijdens de oorlog samengevoegd.

  2. De relevante gegevens zijn in het onderzoeksrapport van 4 februari 2008 beschreven. Hier wordt volstaan met de volgende samenvatting. In 1910 vestigde Samuel van Messel een antiekhandel te Leeuwarden. In 1921 opende hij een filiaal aan de Nieuwe Spiegelstraat 39 te Amsterdam onder de naam S. van Messel. Dit filiaal werd beheerd door zijn twee zonen, A. van Messel (1884-1955) en J. van Messel (1889-1944). In 1924 vestigde J. onder de naam J. van Messel zijn eigen kunsthandel aan de Van Woustraat te Amsterdam, terwijl A. vanaf 1925 de kunsthandel van zijn vader onder de naam Firma S. Van Messel voortzette. Hun jongere broer K. (1896-1966) werd procuratiehouder bij het bedrijf van A. In 1930 verhuisde de kunsthandel van J. naar de Spiegelgracht en vijf jaar later naar de Nieuwe Spiegelstraat 49 te Amsterdam. Derhalve waren de kunsthandels van A. en J. van Messel ten tijde van de Duitse inval in Nederland op een steenworp afstand van elkaar gevestigd.

  3. Gedurende de Tweede Wereldoorlog nam de Duitse bezetter in Nederland verschillende maatregelen om achtereenvolgens tot registratie, beheer en liquidatie van joodse bedrijven over te gaan. Op 12 maart 1941 werd Verordnung 48/1941 uitgevaardigd, de ‘verordening tot verwijdering van joden uit het bedrijfsleven’. Op grond van deze verordening werden bedrijven van joodse ondernemers onder beheer gesteld en vervolgens geliquideerd door een Liquidations-Treuhänder of gekocht casu quo blijvend beheerd door een Verwaltungs-Treuhänder (kortweg: Verwalter). Ingevolge bovenstaande verordening kwamen Firma S. van Messel en kunsthandel J. van Messel beide onder beheer te staan van Verwalter dr. Friedrich Hübner. Uit onderzoek in het handelsregister van de Kamer van Koophandel voor Amsterdam blijkt dat Hübner op 29 november 1941 werd benoemd als Verwalter over Firma S. van Messel. Het is niet duidelijk wanneer het beheer van Hübner over kunsthandel J. van Messel precies aanving.

  4. A. en K. van Messel overleefden beiden de oorlog. Op 4 september 1946 schreef K. in de hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van zijn broer J. en diens echtgenote R.M., die beiden in 1944 in Auschwitz om het leven waren gekomen, een brief aan het NBI. Uit deze brief blijkt dat de kunsthandel J. van Messel in november 1941 door de Duitsers werd gesloten. Toen de Duitse instelling Omnia Treuhandgesellschaft mbH (hierna: Omnia) in 1942 tot liquidatie wilde overgaan heeft Hübner dit weten te voorkomen door te bewerkstelligen dat kunsthandel J. van Messel onder zijn beheer werd samengevoegd met Firma S. van Messel. Dit kreeg op 18 augustus 1942 zijn beslag.

  5. Uit onderzoek blijkt dat er na de oorlog contact is geweest tussen de Stichting Nederlands Kunstbezit (hierna: SNK) en A. van Messel over kunstvoorwerpen die tijdens de bezetting in beslag waren genomen. In het SNK-archief bevinden zich aangifteformulieren met betrekking tot voorwerpen die tijdens de oorlog uit het bezit van de kunsthandel waren geraakt. De commissie heeft echter geen aangifteformulieren aangetroffen met betrekking tot de twee thans geclaimde objecten.

  6. Het onderhavige adviesverzoek betreft twee kunstvoorwerpen. Hieronder volgen de overwegingen per object.

    NK 352

    Met betrekking tot de eigendom van dit bord heeft het onderzoek het volgende uitgewezen. Op basis van de herkomstreconstructie van BHG en de aangetroffen archiefstukken concludeert de commissie dat dit voorwerp in 1942 werd verkocht door kunsthandel Firma S. van Messel aan de Kunstsammlungen der Stadt Düsseldorf, te Düsseldorf. Dit was nadat Hübner tot Verwalter was aangesteld. Het is echter niet bekend of de verkoop voor of na de samenvoeging met kunsthandel J. van Messel heeft plaatsgevonden. Vervolgens heeft de commissie getracht vast te stellen of dit geclaimde object tot de oude handelsvoorraad (ingekocht door de eigenaar) of de nieuwe handelsvoorraad (ingekocht door de Verwalter) heeft behoord. Hierin is de commissie echter niet geslaagd, omdat op grond van de thans beschikbare gegevens niet meer is vast te stellen wanneer dit bord in de handelsvoorraad van Firma S. van Messel terecht is gekomen. Geen van de verzoeksters heeft verklaringen afgelegd of feiten aangedragen die erop zouden kunnen wijzen dat het bord tot de oude handelsvoorraad heeft behoord. Derhalve acht de commissie het niet in hoge mate waarschijnlijk dat het onderhavige bord tot de oude handelsvoorraad van Firma S. van Messel behoorde, noch acht zij het in hoge mate waarschijnlijk dat dit bord tot de oude handelsvoorraad van kunsthandel J. van Messel behoorde. Op grond hiervan oordeelt de commissie de verzoeken tot teruggave van het bord (NK 352) niet toewijsbaar.

    NK 355

    Met betrekking tot de eigendom van deze plaque heeft het onderzoek het volgende uitgewezen. Op basis van de herkomstreconstructie van BHG en de aangetroffen archiefstukken concludeert de commissie dat dit object, evenals het hierboven genoemde bord, in 1942 werd verkocht door kunsthandel Firma S. van Messel aan de Kunstsammlungen der Stadt Düsseldorf, te Düsseldorf. Dit was eveneens nadat Hübner tot Verwalter was aangesteld. Ook ten aanzien van dit object is niet bekend of de verkoop voor of na de samenvoeging met kunsthandel J. van Messel heeft plaatsgevonden. Vervolgens heeft de commissie getracht vast te stellen of dit geclaimde object tot de oude handelsvoorraad (ingekocht door de eigenaar) of de nieuwe handelsvoorraad (ingekocht door de Verwalter) heeft behoord. De commissie is daarbij gestuit op dezelfde problemen als bij NK 352. Op grond van de thans beschikbare gegevens is niet meer vast te stellen wanneer en van wie Firma S. Van Messel dit object heeft gekocht. Geen van de verzoeksters heeft verklaringen afgelegd of feiten aangedragen die erop zouden kunnen wijzen dat dit object tot de oude handelsvoorraad heeft behoord. Derhalve acht de commissie het niet in hoge mate waarschijnlijk dat de onderhavige plaque tot de oude handelsvoorraad van Firma S. van Messel behoorde, noch acht zij het in hoge mate waarschijnlijk dat de plaque tot de oude handelsvoorraad van kunsthandel J. van Messel behoorde. Op grond hiervan oordeelt de commissie de verzoeken tot teruggave van de plaque (NK 355) niet toewijsbaar.

Conclusie

De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om de verzoeken tot teruggave van het bord (NK 352) en de plaque (NK 355) af te wijzen.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 4 februari 2008 door R. Herrmann (voorzitter), J.Th.M. Bank, J.C.M. Leijten, P.J.N. van Os, E.J. van Straaten, H.M. Verrijn Stuart, I.C. van der Vlies (vice-voorzitter), en ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

(R. Herrmann, voorzitter) (E. Campfens, secretaris)

-----------------------

[1] Tot 12 november 2007 luidden de algemene overwegingen c en e:
c) De commissie heeft zich voorts afgevraagd op welke wijze moet worden omgegaan met het gegeven dat bepaalde feiten niet meer te achterhalen zijn, dat bepaalde gegevens verloren zijn gegaan of niet zijn teruggevonden of anderszins bewijzen niet meer zijn bij te brengen. De commissie is daaromtrent van mening dat, indien het tijdsverloop (mede) oorzaak is van de ontstane problemen, het risico daarvoor, behoudens onder bijzondere omstandigheden, behoort te liggen bij de overheid.
e) Onder onvrijwillig bezitsverlies wordt ook verstaan verkopen zonder instemming van de kunsthandelaar door Verwalters of andere niet door de eigenaar aangestelde beheerders uit de onder hun beheer gestelde oude handelsvoorraad, voor zover de oorspronkelijke eigenaar of zijn erven niet het volledige profijt van de transactie heeft genoten of voor zover de eigenaar niet na de oorlog uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van rechten.