Letowski

NK 2199 (foto: RCE)

Advies inzake Letowski

Dossiernummer: 
1.59
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
6 augustus 2007
Oorspronkelijke eigenaar: 
Particulier

Bij brief van 1 februari 2007 verzocht de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) de Restitutiecommissie om advies over de te nemen beslissing op het verzoek van 3 januari 2007 van de heer R. L. (hierna: verzoeker) tot teruggave van vijf kunstwerken uit de Rijkscollectie (NK 126, NK 1489, NK 1589, NK 2008 en NK 2199).

De procedure

Naar aanleiding van de adviesaanvraag heeft de Restitutiecommissie een onderzoek naar de feiten laten uitvoeren. Tijdens dit onderzoek heeft de commissie verzoeker om aanvullende informatie gevraagd bij brief van 19 maart 2007. Verzoeker heeft de commissie daarop bij ongedateerde brief, ontvangen op 2 mei 2007, laten weten dat hij geen nadere informatie heeft ter ondersteuning van zijn verzoek. De resultaten van het feitenonderzoek zijn neergelegd in een conceptrapport van 11 juni 2007 dat aan verzoeker is voorgelegd voor commentaar. Gezien het feit dat verzoeker niet op het conceptrapport heeft gereageerd, neemt de commissie aan dat verzoeker geen nadere informatie heeft. Het conceptrapport is tevens voorgelegd aan de Minister van OCW, die de commissie heeft laten weten geen feitelijke aanvullingen te hebben. Het rapport is vervolgens vastgesteld op 6 augustus 2007. Voor de feiten in deze zaak verwijst de commissie naar het onderzoeksrapport, dat geacht wordt deel uit te maken van dit advies. Twee van de door verzoeker teruggevraagde kunstwerken, te weten NK 126 en NK 1489, vallen tevens onder andere restitutieverzoeken die aan de Restitutiecommissie zijn voorgelegd, te weten RC 1.51 respectievelijk RC 1.15.

Algemene overwegingen

a) De commissie laat zich bij haar advisering leiden door de beleidslijnen terzake van de Commissie Ekkart als overgenomen door de regering.

b) De commissie heeft zich de vraag gesteld of een uit te brengen advies invloed mag ondervinden van mogelijke consequenties in latere zaken. De commissie beantwoordt die vraag, behoudens onder bijzondere omstandigheden ontkennend omdat een dergelijke invloed bezwaarlijk kan worden tegengeworpen aan de betrokken verzoeker.

c) De commissie heeft zich voorts afgevraagd op welke wijze moet worden omgegaan met het gegeven dat bepaalde feiten niet meer te achterhalen zijn, dat bepaalde gegevens verloren zijn gegaan of niet zijn teruggevonden of anderszins bewijzen niet meer zijn bij te brengen. De commissie is daaromtrent van mening dat, indien het tijdsverloop (mede) oorzaak is van de ontstane problemen, het risico daarvoor, behoudens onder bijzondere omstandigheden, behoort te liggen bij de overheid.

d) De commissie is van mening dat inzichten en omstandigheden die naar algemene maatschappelijke opvattingen sinds de Tweede Wereldoorlog klaarblijkelijk zijn veranderd, gelijk mogen worden gesteld aan nova (nieuwe feiten).

e) Onder onvrijwillig bezitsverlies wordt ook verstaan verkopen zonder instemming van de kunsthandelaar door Verwalters of andere niet door de eigenaar aangestelde beheerders uit de onder hun beheer gestelde oude handelsvoorraad, voor zover de oorspronkelijke eigenaar of zijn erven niet het volledige profijt van de transactie heeft genoten of voor zover de eigenaar niet na de oorlog uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van rechten.

Bijzondere overwegingen:

  1. Verzoeker vraagt restitutie van drie kunstwerken (NK 2008, NK 2199 en NK 126) in zijn hoedanigheid van erfgenaam van zijn grootvader Franciszek Letowski (1880-1940), en restitutie van twee kunstwerken (NK 1589 en NK 1489) in zijn hoedanigheid van erfgenaam van zijn vader Czeslaw Letowski (1904 –1965). Verzoeker geeft aan hierbij mede op te treden namens zijn zuster, H. L.-A.

  2. Aan dit verzoek liggen de volgende door verzoeker beschreven feiten ten grondslag. In juni 1935 vertrokken de (joodse) vader en grootvader van verzoeker uit Polen om in Parijs, Frankrijk een bedrijf te beginnen. Toen zij in juli 1939 voor een familiebezoek in Polen verbleven, bleek het door de oorlogsdreiging niet meer mogelijk om terug te keren naar Parijs en bleven zij noodgedwongen in Polen met achterlating van hun bezittingen in Parijs. Na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog is vervolgens het hele familiebezit, zowel in Polen als in Frankrijk, door de bezetter geroofd. Franciszek Letowski, de grootvader van verzoeker, is door de bezetter naar een kamp in Polen gevoerd en is tijdens een vluchtpoging doodgeschoten. De vader van verzoeker, Czeslaw Letowski, werd in 1940 door de nazi’s gearresteerd en naar een werkkamp gevoerd, maar overleefde de oorlog en stierf in 1965. Bij zijn arrestatie zouden de overige familieleden uit hun woning in Wadolki-Bucki (Lomza district, Polen) zijn verdreven waarna het huis werd geplunderd door de nazi’s. Een voormalige buurman van de familie Letowski in Polen bevestigt de plundering van het huis van de familie Letowski in een door verzoeker meegezonden verklaring van 17 augustus 2006: ‘The house was robbed of all the valuables, pieces of art and of anything that had some value’.

  3. Volgens mededeling van verzoeker bevonden zich onder de in Polen geroofde kunstwerken uit het bezit van zijn vader de twee schilderijen die thans onder nummers NK 1589 en NK 1489 deel uitmaken van de Rijkscollectie. ‘After five years of wandering during the occupation and return to our home town we found our house totally burnt down, and as I have mentioned above, robbed of those two paintings and all other valuables’. Onder de in Frankrijk geroofde kunstwerken uit het bezit van zijn grootvader bevonden zich volgens verzoeker de drie kunstwerken NK 126, NK 2008 en NK 2199. Franciszek Letowski, grootvader van verzoeker, zou deze werken voor de oorlog in Frankrijk hebben verworven. Desgevraagd meldde verzoeker aan de Restitutiecommissie dat hij de identificatie van deze kunstwerken als de door zijn familie verloren kunstwerken baseert op de mondelinge beschrijving van de kunstwerken door zijn vader voor diens overlijden in 1965. Over nadere informatie beschikt verzoeker niet.

  4. Uit de onderzoeksgegevens van Bureau Herkomst Gezocht blijkt dat de vijf kunstwerken tijdens de bezetting van Nederland op verschillende momenten in Nederlands bezit zijn geweest. Van één van de geclaimde werken, te weten een paneel van J.W. Bilders (NK 1489), heeft het onderzoek van de Restitutiecommissie daarnaast uitgewezen dat deze al in mei 1940 – en zeer waarschijnlijk reeds daarvoor - in Nederlands bezit was, te weten in bezit van kunsthandel J. Goudstikker N.V. te Amsterdam.

  5. Aangezien de wijze en het moment van verwerving van de geclaimde werken door de respectieve Nederlandse bezitters niet geheel bekend is, kan op grond van de beschikbare onderzoeksgegevens voor geen van de vijf geclaimde werken worden uitgesloten dat deze na juli 1939 respectievelijk 1940 – het moment van het geclaimde bezitsverlies door de familie van verzoeker – hun weg hebben gevonden vanuit Polen dan wel Parijs naar Nederland. Desalniettemin heeft nader onderzoek van de commissie, onder meer bestaande uit raadpleging van Poolse en Franse historische bronnen en nader kunsthistorisch onderzoek, geen enkele aanwijzing opgeleverd die duidt op een Poolse of Franse herkomst van de betreffende kunstwerken.

  6. Ingevolge het geldende rijksbeleid voor restitutie van kunstwerken, zoals vervat in de achtste aanbeveling van de Commissie Ekkart van april 2001, komt een kunstwerk slechts voor restitutie in aanmerking indien ‘het eigendomsrecht in hoge mate aannemelijk is gemaakt en er geen aanwijzingen zijn die dit tegenspreken’.

  7. Te dien aanzien overweegt de commissie dat de herinnering van verzoeker aan de mondelinge beschrijving van zijn in 1965 overleden vader het enige aanknopingspunt is voor identificatie van de werken als zijnde het geroofde kunstbezit van de familie Letowski. De commissie concludeert dat dit onder de gegeven omstandigheden onvoldoende grondslag biedt voor toewijzing van het verzoek. Zij neemt daarbij in aanmerking dat althans voor één geclaimd kunstwerk aanwijzingen zijn gevonden van het tegendeel.

Conclusie

De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om het verzoek van de heer R.L. tot teruggave van vijf kunstwerken uit de Rijkscollectie, te weten NK 126, NK 1489, NK 1589, NK 2008 en NK 2199, af te wijzen.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 6 augustus 2007,

I.C. van der Vlies (plv. voorzitter)
J.Th.M. Bank
J.C.M. Leijten
P.J.N. van Os
E.J. van Straaten
H.M. Verrijn Stuart