Arnhold (A)

NK 1532 (foto: RCE)

Advies inzake Arnhold (A)

Dossiernummer: 
1.61-A
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
21 november 2011
Periode bezitsverlies: 
onbekend
Oorspronkelijke eigenaar: 
Particulier

Bij brieven van 28 februari 2007 en 9 juni 2009 heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) de Restitutiecommissie (hierna: de commissie) om advies gevraagd inzake twee restitutieverzoeken van ‘die Erbengemeinschaft nach Adolf Arnhold’ met betrekking tot vier kunstwerken in de Nederlands Kunstbezit-collectie (hierna: NK-collectie). Dit deeladvies betreft drie schilderijen, te weten P. de Neyn, Boerderij aan het water (NK 1747), A. van Ostade, Een geleerde (NK 1532) en D. Teniers II, Rustende veehoeder met vee bij een taveerne (NK 1750). Tegenwoordig bevindt NK 1532 zich in depot bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE); de huidige verblijfplaats van NK 1747 is onbekend; NK 1750 bevindt zich als langdurig bruikleen bij het Limburgs Museum te Venlo.

DE PROCEDURE

Bij brieven van 4 december 2006 en 7 december 2007 heeft ‘die Erbengemeinschaft nach Adolf Arnhold’ (hierna: verzoekers) verzocht om teruggave van vier schilderijen die zouden hebben behoord tot het bezit van Adolf Arnhold. De betreffende werken zijn na de oorlog deel gaan uitmaken van de zogeheten NK-collectie in beheer van de Nederlandse Staat. Verzoekers hebben zich tijdens de procedure laten vertegenwoordigen door dr. S. Rudolph, advocaat te Dresden, Duitsland.
Het onderhavige deeladvies (RC 1.61-A) betreft drie schilderijen: P. de Neyn, Boerderij aan het water (NK 1747), A. van Ostade, Een geleerde (NK 1532) en D. Teniers II, Rustende veehoeder met vee bij een taveerne (NK 1750). De bijzondere situatie doet zich voor dat NK 1747 in 2009 is gestolen uit het Stadsmuseum te IJsselstein, waar het zich bevond als bruikleen van de Nederlandse Staat. Gezien het hierna volgende behoeft deze vermissing geen nadere bespreking.
De commissie heeft naar aanleiding van bovengenoemde adviesverzoeken onderzoek verricht naar de feiten. De voorlopige resultaten van het feitenonderzoek in het kader van de aanvankelijke claim (NK 1747, NK 2924) zijn neergelegd in een conceptrapport van 7 januari 2008. Dit concept is voorgelegd aan de minister en aan verzoekers, die bij e-mail van 7 februari 2008 (de minister) en bij brief van 20 maart 2008 (verzoekers) hebben gereageerd. De voorlopige resultaten van het onderzoek inzake de aanvullende claim (NK 1532, NK 1750) zijn met de eerdere onderzoeksresultaten en reacties gebundeld in een conceptrapport van 6 december 2010. Dit rapport is ter commentaar toegestuurd aan verzoekers, die inhoudelijk reactie hebben verschaft bij brief van 29 april 2011. De commissie heeft verzoekers daarna op hun verzoek in de gelegenheid gesteld om aanvullend herkomstonderzoek te verrichten met betrekking tot de geclaimde kunstwerken. Bij brief van 1 juli 2011 zijn verzoekers tevens geïnformeerd over enige aanvullende onderzoeksgegevens van de commissie. Op 14 oktober 2011 hebben verzoekers de commissie bericht dat het in hun opdracht verrichte herkomstonderzoek geen nieuwe gegevens had opgeleverd.
Drie van de vier geclaimde schilderijen, waaronder NK 2924, maken tevens deel uit van een restitutieverzoek inzake de kunsthandel Firma D. Katz te Dieren (RC 1.90-B). Mede in verband hiermee en vanwege nog lopend onderzoek heeft de commissie besloten advisering over NK 2924 aan te houden en de claim op dit werk onder te brengen in dossiernummer RC 1.61-B.
De feiten die ten grondslag liggen aan onderhavig advies, dat betrekking heeft op de drie overige kunstwerken, zijn omschreven in het afgesplitste onderzoeksrapport RC 1.61-A, dat is vastgesteld op 21 november 2011. Aan dit rapport is de reactie van verzoekers van 29 april 2011 als bijlage gehecht.

OVERWEGINGEN

  1. Verzoekers vragen teruggave van A. van Ostade, Een geleerde (NK 1532), P. de Neyn, Boerderij aan het water (NK 1747) en D. Teniers II, Rustende veehoeder met vee bij een taveerne (NK 1750). Verzoekers stellen dat de kunstwerken eigendom (zouden kunnen) zijn geweest van de joods-Duitse bankier Adolf Arnhold, die vennoot was van het bankhuis Gebr. Arnhold. Adolf Arnhold zou het bezit van de schilderijen hebben verloren als gevolg van anti-joodse maatregelen van het naziregime. Naar mededeling van verzoekers vormen zij ‘die Erbengemeinschaft nach Adolf Arnhold’, tijdens de procedure nader gepreciseerd als ‘die Firma xxx i.Abw.’, dat wil zeggen de firma xxx in liquidatie. Gezien het hiernavolgende acht de commissie een nadere analyse van de rechtsbetrekkingen tussen de verschillende (rechts)personen niet van belang.

  2. Volgens verzoekers heeft de familie Arnhold na de oorlog actie ondernomen om voormalig kunstbezit van Adolf Arnhold op te sporen. Verzoekers hebben echter tevens verklaard dat na de oorlog geen aangifte van vermissing is gedaan bij de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK). De commissie overweegt dat voor zover er in het verleden contacten met de Nederlandse restitutieautoriteiten zijn geweest, deze in ieder geval niet hebben geleid tot een definitieve beslissing ten aanzien van de thans geclaimde schilderijen. Er is derhalve geen sprake van een in het verleden afgehandelde zaak, zodat verzoekers ontvankelijk zijn in hun verzoek.

  3. Adolf Arnhold (1884-1950) (hierna ook: Arnhold) stamde uit een prominente joods-Duitse bankiersfamilie en was vennoot van de bank Gebr. Arnhold te Dresden en Berlijn, Duitsland (hierna: de bank Gebr. Arnhold). Gedurende het naziregime werden zowel de bank als de joodse vennoten vervolgd. De schilderijen met de huidige inventarisnummers NK 1532, NK 1747 en NK 1750 zijn volgens verzoekers in 1937 in het bezit gekomen van Adolf Arnhold. Vanaf 1937 weken Adolf Arnhold en zijn vrouw vanwege het naziregime uit naar het buitenland, waar zij uiteindelijk een veilig heenkomen vonden. Adolf Arnhold overleed in 1950 te Heidelberg.

  4. De bezitsverkrijging van de thans geclaimde kunstwerken door Arnhold is terug te voeren op contractuele afspraken van 1931 (en later) tussen de bank Gebr. Arnhold en een andere ‘joodse’ bank in Duitsland, S. Bleichröder te Berlijn (hierna: de bank S. Bleichröder) en hun vennoten Arnhold (van de bank Gebr. Arnhold) en dr. Paul Hermann von Schwabach (van de bank S. Bleichröder) (hierna: Von Schwabach). Als onderdeel van deze afspraken, waarvan de totale omvang en inhoud niet bekend zijn, heeft Adolf Arnhold in 1937 de eigendom verworven van kunstwerken die eerder in bezit waren van Von Schwabach. Tegenprestatie vormde kwijting van een deel van een schuld van Von Schwabach aan de bank Gebr. Arnhold, welke met deze afhandeling instemde. Een nadere bespreking van het bezitsverlies van de van oorsprong joodse Von Schwabach is hier, gezien de hiernavolgende conclusie, niet nodig.

  5. In de eigendomsoverdracht aan Adolf Arnhold waren kunstwerken begrepen die Von Schwabach in 1934 had ondergebracht bij het Rijksmuseum Amsterdam (hierna: RMA) in Nederland. Van deze kunstwerken is een opsomming van 20 juli 1934 voorhanden. Daarnaast verstrekte Arnhold op 29 juli 1938 een (voor joden verplichte) opgave van zijn vermogensbestanddelen aan de nazi-autoriteiten. In een bijlage bij deze opgave worden diverse kunstwerken genoemd, waaronder het merendeel van de werken die op de lijst uit 1934 vermeld worden. Ook deze bijlage is bij het onderzoek inzake Arnhold aangetroffen. In september 1938 is het RMA door de echtelieden Von Schwabach afzonderlijk geïnformeerd over de eigendomsoverdracht aan de nieuwe eigenaar, Adolf Arnhold. Von Schwabach overleed in november 1938. Op 15 december 1938 zijn de kunstwerken door een (bevoegde) vertegenwoordiger van Arnhold opgevraagd en de volgende dag afgehaald met onbekende bestemming. Bij een door Arnholds vertegenwoordiger ondertekende ontvangstbevestiging van 16 december 1938 is een lijst van de betreffende schilderijen aangetroffen, die nagenoeg identiek is aan bovengenoemde lijst van 20 juli 1934.

  6. De feitenreconstructie zoals hierboven weergegeven, houdt in dat Adolf Arnhold de eigendom van kunstwerken uit de (voormalige) collectie van Von Schwabach, die zich fysiek bevonden in het RMA, heeft verworven in 1937. De commissie heeft zich vervolgens afgevraagd of de thans geclaimde kunstwerken kunnen worden geïdentificeerd als behorend tot deze groep. Ingevolge de achtste aanbeveling van de Commissie Ekkart inzake particulier kunstbezit van april 2001 dient voor toewijzing van een claim allereerst het eigendomsrecht in hoge mate aannemelijk te zijn gemaakt, terwijl er geen aanwijzingen zijn die dat tegenspreken.

  7. Op basis van het onderzoek komt de commissie tot de conclusie dat twee van de kunstwerken (NK 1532, NK 1747) niet overeenkomen met werken die Von Schwabach had ondergebracht bij het RMA en waarvan Adolf Arnhold de eigendom verwierf, en dat NK 1750 niet met een hoge mate van aannemelijkheid als zodanig is te identificeren.

  8. De commissie licht hieronder de geconstateerde identificatieproblemen per kunstwerk toe.

    NK 1532

    Het geclaimde kunstwerk NK 1532 betreft zeer waarschijnlijk een ander schilderij dan het door verzoekers bedoelde werk van A. van Ostade uit het bezit van Arnhold, dat op de in overweging 5 omschreven lijst uit 1938 is vermeld als nummer 13, ‘Schildery van A.van Ostade. Portret, van de heupen gezien’. In de herkomstgegevens van Bureau Herkomst Gezocht, het projectbureau dat tot 2004 onderzoek uitvoerde naar de herkomst van de NK-collectie, komen bij NK 1532 de namen Arnhold of Von Schwabach niet voor. Verzoekers opperen dat bovengenoemde vermelding van het als nummer 13 genoemde portret betrekking heeft op het huidige NK 1532. De omschrijvingen op de onder overweging 5 genoemde lijsten zijn echter zeer summier. Zo worden er geen afmetingen of andere onderscheidende kenmerken vermeld. Nadere aanwijzingen voor een eigendom-Arnhold zijn bij het onderzoek niet aangetroffen. Bij de inspectie van de achterkant van het huidige NK 1532 werden geen nummers of merktekens gevonden die NK 1532 in verband kunnen brengen met het onder nummer 13 genoemde kunstwerk en ook in de SNK-documentatie met betrekking tot NK 1532 heeft de commissie geen aanwijzingen gevonden voor een herkomst Von Schwabach of Arnhold.

    Bovendien zijn er aanwijzingen aangetroffen die tegenspreken dat het huidige NK 1532 het door verzoekers bedoelde kunstwerk is. De commissie heeft bij haar onderzoek aanwijzingen gevonden waaruit blijkt dat ‘dr. Kurt Arnhold en A. Arnhold’ (naar alle waarschijnlijkheid Adolf Arnhold) in 1939 een klein portret van een geleerde door Adriaen van Ostade afkomstig uit de collectie van Von Schwabach hebben geschonken aan het RMA. Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is dit geschonken portret het huidige SK-A-3281, een ander schilderij dan NK 1532. Hoewel op zowel SK-A-3281 als NK 1532 een geleerde is afgebeeld, zijn er grote verschillen in de gebruikte ondergrond en de wijze waarop de persoon is geportretteerd. Het schilderij met nummer 13 uit het bezit van Arnhold is omschreven als ‘Portret, van de heupen gezien. Inderdaad is de geleerde op SK-A-3281 afgebeeld vanaf de heupen, terwijl de geleerde op NK 1532 is afgebeeld vanaf het middel. Vanwege de beschreven herkomst en omschrijving, acht de commissie het aannemelijk dat het werk SK-A-3281 tot het bezit van Kurt en Adolf Arnhold heeft behoord en in 1939 door hen is geschonken. Gezien het bovenstaande is de commissie van oordeel dat het huidige NK 1532 niet kan worden geïdentificeerd als voormalig bezit Arnhold.

    NK 1747

    In de herkomstgegevens van Bureau Herkomst Gezocht voor NK 1747 komt de naam Arnhold niet voor. Verzoekers identificeren het schilderij als een kunstwerk van de kunstenaar Jan van Goyen dat vermeld staat op de lijst van schilderijen die Von Schwabach in bewaring had gegeven bij het RMA. Hoewel de door verzoekers bedoelde lijst uit 1934 (hierboven genoemd in overweging 5) is onderzocht, blijken de daarop vermelde gegevens te summier en onvoldoende onderscheidend om identificatie mogelijk te maken. Ook nader onderzoek door de commissie, in het bijzonder naar op de achterzijde van het kunstwerk aangebrachte nummers of merktekens, heeft NK 1747 niet in verband kunnen brengen met een vermelding op de lijst uit 1934 of de overige onder overweging 5 genoemde lijsten.

    Bovendien zijn er aanwijzingen waaruit blijkt dat NK 1747, dat destijds toegeschreven werd aan S. of J.S. van Ruysdael, een ander kunstwerk is dan de twee op de lijst genoemde schilderijen van Van Goyen. Verzoekers hebben op 30 oktober 2007 kopieën van door de SNK opgestelde Interne Aangifte Formulieren toegezonden betreffende twee schilderijen van Jan van Goyen. Op deze formulieren staat bij ‘herkomst’ van de twee werken de aantekening: ‘Schwabach; bruikleen Rijksmuseum’. Uit de bijgesloten foto’s blijkt het om twee andere schilderijen dan het huidige NK 1747 te gaan. De commissie acht het aannemelijk dat de twee vermeldingen op de lijst betrekking hebben op deze twee werken, die zich voor zover bekend niet (meer) in de NK-collectie bevinden. Op grond van het bovenstaande is de commissie van oordeel dat het huidige NK 1747 niet kan worden geïdentificeerd als voormalig bezit Arnhold.

    NK 1750

    Ten aanzien van dit schilderij is evenmin bewijs gevonden van een herkomst Arnhold. In de herkomstgegevens van Bureau Herkomst Gezocht voor NK 1750 komen de namen Arnhold of Von Schwabach niet voor. Verzoekers hebben echter aangegeven dat zij NK 1750 identificeren als (mogelijk) nummer 11 op een lijst van schilderijen die Adolf Arnhold uit het bezit van Von Schwabach heeft verworven. Hoewel de omschrijving van het werk op de onder overweging 5 genoemde lijst van 16 december 1938 (een schilderij door David Teniers II, Schapen en runderen) van toepassing zou kunnen zijn op NK 1750, is deze omschrijving zonder nadere kenmerken onvoldoende onderscheidend om het werk met enige stelligheid te kunnen identificeren als het bedoelde schilderij uit het bezit van Arnhold. Dit, temeer omdat de voorstelling op het kunstwerk veel voorkomt binnen het oeuvre van David Teniers II. De commissie heeft nader onderzoek verricht, in het bijzonder naar nummers of merktekens op de achterzijde van het kunstwerk, maar dit heeft geen nadere aanwijzingen opgeleverd die wijzen op een herkomst Von Schwabach of Arnhold. Bij deze stand van zaken acht de commissie het weliswaar mogelijk, maar niet in hoge mate aannemelijk dat het huidige NK 1750 bezit van Arnhold is geweest.

    De commissie komt vanwege deze identificatieproblemen niet toe aan beoordeling van de aard van het bezitsverlies, en zal in haar conclusie adviseren het verzoek van verzoekers ten aanzien van NK 1532, NK 1747 en NK 1750 af te wijzen.

  9. Op NK 1747 en NK 1750 rust tevens een aanspraak in verband met het restitutieverzoek inzake de kunsthandel Firma D. Katz (RC 1.90-B). Gezien het bovenstaande kan een onderlinge afweging tussen beide restitutieverzoeken achterwege blijven.

CONCLUSIE

De Restitutiecommissie adviseert de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om het verzoek om teruggave ten aanzien van de schilderijen P. de Neyn, Boerderij aan het water (NK 1747), A. van Ostade, Een Geleerde (NK 1532) en D. Teniers II, Rustende veehoeder met vee bij een taveerne (NK 1750), af te wijzen. 

Aldus vastgesteld in de vergadering van 21 november 2011 door W.J.M. Davids (voorzitter), J.Th.M. Bank, P.J.N. van Os, D.H.M. Peeperkorn, E.J. van Straaten, H.M. Verrijn Stuart, I.C. van der Vlies (vice-voorzitter) en ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

(W.J.M. Davids, voorzitter)                          (E. Campfens, secretaris)