Kunsthandel Staal

NK 3400 (foto: RCE)

Advies inzake Staal

Dossiernummer: 
1.62
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
7 april 2008
Oorspronkelijke eigenaar: 
Kunsthandel
Plaats bezitsverlies: 
In Nederland

Bij brief van 12 maart 2007 verzocht de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) de Restitutiecommissie om advies over de te nemen beslissing op het verzoek van 15 februari 2007 van L.E.S., te P.W., de Verenigde Staten van Amerika (hierna: verzoekster), tot teruggave van de volgende objecten:

NK 178 A-E: kaststel;
NK 179 A-E: kaststel;
NK 225 A-D vier borden;
NK 447 A-B: twee borden;
NK 470: bokaal;
NK 490: amulet;
NK 560: tapisserie;
NK 563: kom;
NK 611: bord;
NK 686: tapisserie; NK 2313: P.P. Lastman, De Triomftocht van Mordechai;
NK 2506: A. van Beijeren, Stilleven (vervalsing);
NK 3225: vaas;
NK 3400: C.F. Mali, Landschap met herderin en kudde bij bergmeer.

Deze objecten hebben volgens verzoekster behoord tot de voormalige handelsvoorraad van kunsthandel A. Staal te Amsterdam (hierna: Kunsthandel Staal). De geclaimde werken maken sinds hun recuperatie naar Nederland na de Tweede Wereldoorlog, onder bovengemelde inventarisnummers deel uit van de Nederlands Kunstbezitcollectie (hierna: NK-collectie) en bevinden zich deels in depot bij het Instituut Collectie Nederland in Rijswijk (hierna: ICN) en deels bij diverse instellingen binnen en buiten Nederland.

De procedure

De aanleiding voor het restitutieverzoek vormde een brief van Bureau Herkomst Gezocht (hierna: BHG), betreffende bovengemelde objecten die tijdens de Tweede Wereldoorlog mogelijk deel hebben uitgemaakt van de handelsvoorraad van Kunsthandel Staal. Naar aanleiding van het adviesverzoek heeft de commissie een onderzoek naar de feiten uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een conceptonderzoeksrapport van 3 september 2007. Het conceptonderzoeksrapport is op 5 oktober 2007 voor feitelijke aanvulling toegestuurd aan de minister. Op diezelfde datum is het conceptonderzoeksrapport ook voorgelegd aan verzoekster, waarop deze bij brief van 12 december 2007 inhoudelijk reageerde. Het rapport is vervolgens vastgesteld op 7 april 2008. Voor de feiten in deze zaak verwijst de commissie naar het onderzoeksrapport, dat geacht wordt deel uit te maken van dit advies.

Algemene overwegingen

a) De commissie laat zich bij haar advisering leiden door de beleidslijnen terzake van de Commissie Ekkart als overgenomen door de regering.

b) De commissie heeft zich de vraag gesteld of een uit te brengen advies invloed mag ondervinden van mogelijke consequenties in latere zaken. De commissie beantwoordt die vraag, behoudens onder bijzondere omstandigheden ontkennend omdat een dergelijke invloed bezwaarlijk kan worden tegengeworpen aan de betrokken verzoeker.

c) De commissie heeft zich voorts afgevraagd op welke wijze moet worden omgegaan met het gegeven dat bepaalde feiten niet meer te achterhalen zijn, dat bepaalde gegevens verloren zijn gegaan of niet zijn teruggevonden of anderszins bewijzen niet meer zijn bij te brengen. De commissie is daaromtrent van mening dat, indien het tijdsverloop (mede) oorzaak is van de ontstane problemen, het risico daarvoor, indien het betreft particulier kunstbezit, behoudens onder bijzondere omstandigheden, behoort te liggen bij de overheid.

d) De commissie is van mening dat inzichten en omstandigheden die naar algemene maatschappelijke opvattingen sinds de Tweede Wereldoorlog klaarblijkelijk zijn veranderd, gelijk mogen worden gesteld aan nova (nieuwe feiten).

e) Onvrijwillig bezitsverlies is in hoge mate waarschijnlijk indien is verkocht zonder instemming van de kunsthandelaar door Verwalters of andere niet door de eigenaar aangestelde beheerders uit de onder hun beheer gestelde oude handelsvoorraad, voor zover de oorspronkelijke eigenaar of zijn erven niet het volledige profijt van de transactie heeft genoten of voor zover de eigenaar niet na de oorlog uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van rechten.

Toelichting met betrekking tot de algemene overwegingen c en e[1]

In lijn met de aanbevelingen inzake de kunsthandel en de toelichting daarop is de commissie tot het oordeel gekomen dat overweging c uitsluitend dient te gelden voor particulier kunstbezit. In diezelfde lijn heeft een aanpassing plaatsgevonden in overweging e en heeft voorts in verband met deze overweging te gelden dat uitsluitend objecten die zich daadwerkelijk in de oude handelsvoorraad hebben bevonden, voor restitutie in aanmerking kunnen komen.

Bijzondere overwegingen:

  1. Verzoekster vraagt teruggave van de volgende objecten uit de rijkscollectie: NK 178 A-E, NK 179 A-E, NK 225 A-D, NK 447 A-B, NK 470, NK 490, NK 560, NK 563, NK 611, NK 686, NK 2313, NK 2506, NK 3225 en NK 3400. Verzoekster heeft gesteld dat zij een achterkleindochter is van de oprichters van kunsthandel A. Staal, Abraham Salomon Staal en zijn echtgenote Betje Staal-Morpurgo en dat zij een achternicht is van Salomon Staal, de laatste eigenaar van Kunsthandel Staal. Verzoekster heeft gesteld dat zij optreedt: ‘on behalf of all the heirs of A. Staal Antiquairs’.

  2. De relevante gegevens zijn in het onderzoeksrapport van 7 april 2008 beschreven. Hier wordt volstaan met de volgende samenvatting. Kunsthandel Staal werd opgericht door Abraham Salomon Staal (hierna: Abraham sr.) en diens echtgenote Betje Staal-Morpurgo. Het bedrijf was gevestigd op het Rokin 154-156 te Amsterdam. Op 18 juli 1929 overleed Abraham sr. De zaak werd als vennootschap onder firma voortgezet door zijn weduwe en zijn zonen Salomon en Joseph. Blijkens gegevens uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Amsterdam (hierna: handelsregister) zette Salomon vanaf 14 maart 1939 het bedrijf alleen voort, onder de oude handelsnaam A. Staal.

  3. Gedurende de Tweede Wereldoorlog nam de Duitse bezetter in Nederland verschillende maatregelen om achtereenvolgens tot registratie, beheer en liquidatie van joodse bedrijven over te gaan. Op 12 maart 1941 werd Verordnung 48/1941 uitgevaardigd, de ‘verordening tot verwijdering van joden uit het bedrijfsleven’. Op grond van deze verordening werden bedrijven van joodse ondernemers onder beheer gesteld en vervolgens geliquideerd door een Liquidations-Treuhänder of gekocht dan wel blijvend beheerd door een Verwaltungs-Treuhänder (kortweg: Verwalter). Ingevolge bovenstaande verordening werd Friedrich Hübner op 29 november 1941 benoemd tot Verwalter van Kunsthandel Staal. Tijdens het beheer van Hübner werd Kunsthandel Staal in juni 1942 verkocht aan C.W.M.M. Zwijns-Swanenburg.

  4. Salomon Staal was tijdens de oorlog gedurende een zekere periode ondergedoken, waarschijnlijk in Woudenberg. Zijn moeder Betje Staal-Morpurgo en zijn zuster Elisabeth Staal-Staal en haar gezin, werden in 1943 gearresteerd en via Westerbork op transport gesteld naar Sobibor waar zij om het leven kwamen. Salomons neef Abraham (Andy) Staal, de vader van verzoekster, wist bij de arrestatie te ontkomen en overleefde de oorlog.

  5. Na de bevrijding werd de kunsthandel in juni 1945 weer overgedragen aan Salomon Staal, die de oorlog overleefd had. Uit het archief van de Stichting Nederlands Kunstbezit (hierna: SNK) blijkt dat Staal waarschijnlijk aangifte heeft gedaan bij de SNK van het bezitsverlies van cultuurgoederen. De commissie heeft bij haar onderzoek in gemeld archief echter geen aangifteformulieren met betrekking tot individuele objecten aangetroffen. In naoorlogse correspondentie gaf Salomon Staal aan dat tijdens de oorlog veel uit zijn kunsthandel is verdwenen. Salomon Staal overleed op 22 februari 1981.

  6. Verzoekster vraagt teruggave van 14 objecten, thans geregistreerd onder de bovengenoemde NK-nummers. Hieronder volgen de overwegingen per categorie.

  7. NK 2506
    Met betrekking tot de eigendom van NK 2506 heeft het onderzoek het volgende uitgewezen. Op basis van de herkomstreconstructie van BHG en de aangetroffen archiefstukken concludeert de commissie dat dit voorwerp tijdens de oorlog door Kunsthandel Staal is verkocht. Vervolgens heeft de commissie getracht vast te stellen of het geclaimde object tot de oude handelsvoorraad (dat wil zeggen ingekocht voor de benoeming van de Verwalter) of de nieuwe handelsvoorraad (ingekocht na de benoeming van de Verwalter) heeft behoord. Uit archiefmateriaal is duidelijk geworden dat dit werk in juni/juli 1940 door Kunsthandel Staal is verkocht aan de Nederlandse kunsthandel P. de Boer, te Amsterdam. Dat was vóórdat de kunsthandel op 29 november 1941 onder beheer van de Verwalter kwam te staan. Derhalve moet dit object tot de oude handelsvoorraad worden gerekend.

    De commissie heeft zich vervolgens de vraag gesteld of er aanwijzingen zijn die het in hoge mate waarschijnlijk maken dat bij de verkoop van dit schilderij tijdens de oorlog sprake is geweest van onvrijwillig bezitsverlies door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime. De commissie stelt in dit kader vast dat het hier een verkoop betreft door de eigenaar zelf, voor het aantreden van de Verwalter, aan een Nederlandse kunsthandel. Onder deze omstandigheden is de commissie van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat sprake is van onvrijwillig bezitsverlies als gevolg van omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime. De commissie verwijst voor dit oordeel nog naar de toelichting op de Aanbevelingen van de Commissie Ekkart inzake de Kunsthandel (2003), waarin wordt gesteld dat ‘de kunsthandel verkoop van handelsvoorraad als doelstelling heeft, zodat een belangrijk deel van de verrichte transacties, ook bij de joodse kunsthandelaars, in principe gewone verkoop was’.

  8. NK 179 A-E, NK 225 A-D, NK 447 A-B, NK 470, NK 563, NK 686, NK 3400
    Met betrekking tot de eigendom van de objecten geregistreerd onder de zeven bovengemelde NK-nummers heeft het onderzoek het volgende uitgewezen. Op basis van de herkomstreconstructie van BHG en de aangetroffen archiefstukken stelt de commissie vast dat deze voorwerpen tijdens de oorlog door Kunsthandel Staal werden verkocht. De commissie heeft onderzocht of deze werken tot de oude handelsvoorraad (dat wil zeggen ingekocht voor de benoeming van de Verwalter) of de nieuwe handelsvoorraad (ingekocht na de benoeming van de Verwalter) hebben behoord. De commissie is er echter niet in geslaagd op grond van de thans beschikbare gegevens vast te stellen wanneer deze objecten in de handelsvoorraad van Kunsthandel Staal terecht zijn gekomen. Verzoekers hebben ook geen feiten aangedragen die erop zouden kunnen wijzen dat deze kunstvoorwerpen als oude handelsvoorraad zouden moeten worden aangemerkt. Op grond van het bovenstaande acht de commissie het onvoldoende aangetoond dat de onderhavige objecten tot de oude handelsvoorraad van Kunsthandel Staal hebben behoord.

  9. NK 178 A-E, NK 490, NK 560, NK 611, NK 2313, NK 3225
    Met betrekking tot de eigendom van de objecten geregistreerd onder de zes bovengemelde NK-nummers heeft het onderzoek het volgende uitgewezen. Op basis van de herkomstreconstructie van BHG en de aangetroffen archiefstukken concludeert de commissie dat onvoldoende aanwijzingen zijn aangetroffen die erop wijzen dat deze objecten op enig moment gedurende de bezetting van Nederland deel hebben uitgemaakt van de handelsvoorraad van Kunsthandel Staal. De commissie is derhalve van oordeel dat de eigendom van Kunsthandel Staal tijdens de bezetting van deze objecten niet in hoge mate aannemelijk is.

Conclusie

De commissie concludeert dat op basis van de thans bekende informatie onvoldoende grondslag bestaat voor toewijzing van het restitutieverzoek. De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om de claim met betrekking tot NK 178 A-E, NK 179 A-E, NK 225 A-D, NK 447 A-B, NK 470, NK 490, NK 560, NK 563, NK 611, NK 686, NK 2313, NK 2506, NK 3225 en NK 3400, af te wijzen.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 7 april 2008 door R. Herrmann (voorzitter), J.Th.M. Bank, J.C.M. Leijten, P.J.N. van Os, E.J. van Straaten, H.M. Verrijn Stuart, I.C. van der Vlies (vice-voorzitter), en ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

(R. Herrmann, voorzitter)
(E. Campfens, secretaris)

-----------------------

[1] Tot 12 november 2007 luidden de algemene overwegingen c en e: c) De commissie heeft zich voorts afgevraagd op welke wijze moet worden omgegaan met het gegeven dat bepaalde feiten niet meer te achterhalen zijn, dat bepaalde gegevens verloren zijn gegaan of niet zijn teruggevonden of anderszins bewijzen niet meer zijn bij te brengen. De commissie is daaromtrent van mening dat, indien het tijdsverloop (mede) oorzaak is van de ontstane problemen, het risico daarvoor, behoudens onder bijzondere omstandigheden, behoort te liggen bij de overheid. e) Onder onvrijwillig bezitsverlies wordt ook verstaan verkopen zonder instemming van de kunsthandelaar door Verwalters of andere niet door de eigenaar aangestelde beheerders uit de onder hun beheer gestelde oude handelsvoorraad, voor zover de oorspronkelijke eigenaar of zijn erven niet het volledige profijt van de transactie heeft genoten of voor zover de eigenaar niet na de oorlog uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van rechten.