Bord van geglazuurd porselein en decor met bloemenvaas in famille rose

NK 504 (foto: RCE)

Advies inzake het verzoek tot teruggave van een bord van geglazuurd porselein en decor met bloemenvaas in famille rose (NK 504)

Dossiernummer: 
1.63
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
7 januari 2008
Periode bezitsverlies: 
1940-1945
Oorspronkelijke eigenaar: 
Kunsthandel
Plaats bezitsverlies: 
In Nederland

Bij brief van 8 maart 2007 verzocht de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister) de Adviescommissie Restitutieverzoeken Cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog (hierna: Restitutiecommissie) om advies inzake de te nemen beslissing op het verzoek van mevrouw M.M.v.L. te R. (hierna: verzoekster), mede namens haar zuster L.v.O., tot teruggave van een Bord van geglazuurd porselein en decor met bloemenvaas in famille rose, uit de voormalige handelsvoorraad van Kunsthandel A. van Leeuwen & Zoon (hierna ook: kunsthandel Van Leeuwen). Het geclaimde object maakt sinds zijn recuperatie naar Nederland na de Tweede Wereldoorlog onder inventarisnummer NK 504 deel uit van de Nederlands Kunstbezitcollectie (hierna: NK-collectie). Volgens gegevens van het Instituut Collectie Nederland (hierna: ICN) maakt het geclaimde voorwerp thans deel uit van de collectie van Kasteel Groeneveld te Baarn.

De procedure

De aanleiding voor het restitutieverzoek vormde een brief van 12 januari 2007, van Bureau Herkomst Gezocht (hierna: BHG) aan verzoekster, waarin haar werd medegedeeld dat het bovengenoemde object tijdens de Tweede Wereldoorlog mogelijk deel had uitgemaakt van de handelsvoorraad van kununsthandel Van Leeuwen. Op grond hiervan verzocht verzoekster per brief van 4 februari 2007, de Minister om teruggave van het betreffende kunstvoorwerp. Naar aanleiding van het vervolgens aan haar voorgelegde adviesverzoek heeft de Restitutiecommissie een onderzoek naar de feiten uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het conceptonderzoeksrapport van 6 augustus 2007. Dit conceptonderzoeksrapport is voorgelegd aan verzoekster, waarop zij ter aanvulling, bij e-mail van 2 oktober 2007, haar herinneringen en aanvullende feiten heeft overgelegd. Deze informatie is tezamen met gegevens voortgekomen uit nader onderzoek, verwerkt in het onderzoeksrapport dat is vastgesteld in de commissievergadering van 7 januari 2008. Voor wat betreft de feiten wordt verwezen naar het rapport, dat geacht wordt deel uit te maken van dit advies.

Algemene overwegingen

a) De commissie laat zich bij haar advisering leiden door de beleidslijnen terzake van de Commissie Ekkart als overgenomen door de regering.

b) De commissie heeft zich de vraag gesteld of een uit te brengen advies invloed mag ondervinden van mogelijke consequenties in latere zaken. De commissie beantwoordt die vraag, behoudens onder bijzondere omstandigheden ontkennend omdat een dergelijke invloed bezwaarlijk kan worden tegengeworpen aan de betrokken verzoeker.

c) De commissie heeft zich voorts afgevraagd op welke wijze moet worden omgegaan met het gegeven dat bepaalde feiten niet meer te achterhalen zijn, dat bepaalde gegevens verloren zijn gegaan of niet zijn teruggevonden of anderszins bewijzen niet meer zijn bij te brengen. De commissie is daaromtrent van mening dat, indien het tijdsverloop (mede) oorzaak is van de ontstane problemen, het risico daarvoor, indien het betreft particulier kunstbezit, behoudens onder bijzondere omstandigheden, behoort te liggen bij de overheid.

d) De commissie is van mening dat inzichten en omstandigheden die naar algemene maatschappelijke opvattingen sinds de Tweede Wereldoorlog klaarblijkelijk zijn veranderd, gelijk mogen worden gesteld aan nova (nieuwe feiten).

e) Onvrijwillig bezitsverlies is in hoge mate waarschijnlijk indien is verkocht zonder instemming van de kunsthandelaar door Verwalters of andere niet door de eigenaar aangestelde beheerders uit de onder hun beheer gestelde oude handelsvoorraad, voor zover de oorspronkelijke eigenaar of zijn erven niet het volledige profijt van de transactie heeft genoten of voor zover de eigenaar niet na de oorlog uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van rechten.

Toelichting met betrekking tot de algemene overwegingen c en e[1]

In lijn met de aanbevelingen inzake de kunsthandel en de toelichting daarop is de commissie tot het oordeel gekomen dat overweging c uitsluitend dient te gelden voor particulier kunstbezit. In diezelfde lijn heeft een aanpassing plaatsgevonden in overweging e en heeft voorts in verband met deze overweging te gelden dat uitsluitend objecten die zich daadwerkelijk in de oude handelsvoorraad hebben bevonden, voor restitutie in aanmerking kunnen komen.

Bijzondere overwegingen:

  1. Verzoekster vraagt teruggave van het object Bord van geglazuurd porselein en decor met bloemenvaas in famille rose (NK 504). Verzoekster is een dochter van de inmiddels overleden Alexander Isaäc van Leeuwen. De heer Van Leeuwen was bij leven vennoot van de kunsthandel genaamd V.O.F. A. Van Leeuwen en zoon, gevestigd te ’s-Gravenhage. Verzoekster heeft aangegeven bij haar restitutieverzoek op te treden voor zich en namens de andere erfgenamen van haar vader. In dit kader heeft de Restitutiecommissie kennis genomen van gegevens van het Centraal Bureau voor de Genealogie (hierna CBG) waaruit het volgende is gebleken. Abraham van Leeuwen is op 9 januari 1877 geboren te ’s-Gravenhage en overleed op 13 augustus 1963 te Loenersloot. Hij was gehuwd met Esther de Vries en had drie kinderen, te weten Judith, Alida en Alexander Isaäc. Volgens informatie van het CBG is Alexander Isaäc van Leeuwen geboren op 4 juli 1910 te ’s-Gravenhage en overleden op 19 augustus 1998 te Zoetermeer. Hij was gehuwd met J.G. van O. en had drie dochters, te weten M. (verzoekster), P. (overleden op 7 februari 2000) en L. (medeverzoekster). De familie Van Leeuwen is van joodse afkomst.

  2. De relevante feiten zijn in het onderzoeksrapport van 7 januari 2008 beschreven. Hier wordt volstaan met de volgende samenvatting. De V.O.F. A. van Leeuwen & Zoon werd op 8 maart 1939 in het Handelsregister voor de Kamer van Koophandel en Fabrieken te ’s-Gravenhage (hierna: het Handelsregister) ingeschreven. Blijkens het bedrijfsdossier, aangetroffen in het archief van het Handelsregister, was de onderneming gevestigd op het adres Oranjestraat 1 te ’s-Gravenhage en was het bedrijf sinds 1 januari 1939 actief. De onderneming betrof een handel in nieuwe en tweedehands meubelen, in de ruimste zin.

    Als vennoten van de firma waren de volgende personen in het Handelsregister ingeschreven:
    a. Abraham van Leeuwen, geboren te ’s-Gravenhage op 9 januari 1877, wonende te ‘s-Gravenhage (hierna: Van Leeuwen sr.); en
    b. Alexander Isaäc van Leeuwen, geboren te ’s-Gravenhage op 4 juli 1910, wonende te ’s-Gravenhage (hierna: Van Leeuwen jr.).

  3. Gedurende de Tweede Wereldoorlog nam de Duitse bezetter in Nederland verschillende maatregelen om achtereenvolgens tot registratie, beheer en liquidatie van joodse bedrijven over te gaan. Op 12 maart 1941 werd Verordnung 48/1941 uitgevaardigd, de ‘verordening tot verwijdering van joden uit het bedrijfsleven’. Op grond van deze verordening werden bedrijven van joodse ondernemers onder beheer gesteld en vervolgens geliquideerd door een Liquidations-Treuhänder of gekocht casu quo blijvend beheerd door een Verwaltungs-Treuhänder (kortweg: Verwalter). Ingevolge bovenstaande verordening werd de Duitser dr. F. Hübner op 27 november 1941 benoemd tot Verwalter van kunsthandel Van Leeuwen.

  4. Bij het archiefonderzoek door de Restitutiecommissie in het Nationaal Archief en het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie zijn weinig gegevens gevonden met betrekking tot kunsthandel Van Leeuwen & Zoon tijdens de Tweede Wereldoorlog. De enige aangetroffen archiefbronnen met informatie over de wederwaardigheden van de firma tijdens de oorlog betreffen de naoorlogse correspondentie tussen Verwalter Hübner en zijn advocate en een naoorlogs overzicht van het beheer door Hübner van de kunsthandel Van Leeuwen, opgesteld in opdracht van Nederlandse Beheersinstituut (hierna: NBI).

  5. Naast het onder 5 genoemde archiefmateriaal beschikt de Restitutiecommissie over twee door een medewerker van BHG opgestelde verslagen van telefoongesprekken met verzoekster. Hieronder volgen twee citaten uit deze verslagen betreffende de omstandigheden tijdens de oorlog:

    ‘Mevrouw V. L. vertelde dat haar vader in het begin van de oorlog nog werkte in de zaak. Als het verdacht voor hem werd, als er bijv. Duitsers langskwamen waarschuwden de werknemers van Alexander van Leeuwen hem en dook hij in een kleine ruimte tussen twee vloeren om zich te verschuilen totdat het weer veilig was. Hij heeft de oorlog overleefd door onder te duiken. (...) Zijn echtgenote, de moeder van Van Leeuwen was een niet-joodse. (...) De heer Van Leeuwen heeft de gehele oorlog ondergedoken doorgebracht in en buiten Den Haag, op verschillende onderduik adressen’.

    ‘Volgens mevrouw V.L. heeft de Verwalter tijdens de oorlog alles uit de oude kunsthandelvoorraad verkocht, zonder toestemming. (...) “Van mijn moeder weet ik: alles is ingepikt door die Verwalter. Mijn zus weet dat, mijn neef ook…”.’

  6. Beide vennoten van kunsthandel Van Leeuwen overleefden de oorlog. Na de bevrijding zetten zij hun bedrijf voort. Uit het archief van het Handelsregister blijkt dat de V.O.F. A. van Leeuwen & Zoon op 19 juli 1957 werd ontbonden tengevolge van uittreding van de vennoot Abraham van Leeuwen. De onderneming werd vanaf 19 juli 1957 voortgezet door A.I. van Leeuwen voor eigen rekening onder dezelfde naam. Per 1 januari 1965 werd de eenmanszaak omgezet in een vennootschap onder firma onder de naam Firma A. van Leeuwen en Zoon met als firmanten Alexander Isaäc van Leeuwen en zijn echtgenote J.G. van Leeuwen. Volgens verklaring van verzoekster is de Firma A. van Leeuwen en Zoon uiteindelijk bij de pensionering van Alexander Isaäc van Leeuwen opgeheven.

  7. Met betrekking tot de eigendom van het geclaimde object (NK 504) heeft het onderzoek het volgende uitgewezen. Uit de herkomstreconstructie van BHG voor NK 504 valt af te leiden dat het bord tijdens de oorlog door firma A. van Leeuwen & Zoon werd verkocht aan de Münchener Kunsthandelsgesellschaft, te München, Duitsland. Het precieze moment van de verkoop tijdens de oorlog is onbekend. Daarnaast heeft BHG niet kunnen achterhalen wanneer en van wie kunsthandel Van Leeuwen het bord verwierf. De Restitutiecommissie heeft derhalve ook niet met zekerheid kunnen vaststellen of het geclaimde object tot de oude handelsvoorraad (ingekocht door de eigenaar) of tot de nieuwe handelsvoorraad (ingekocht door de Verwalter) behoorde. Verzoekster heeft echter verklaard dat het geclaimde object reeds vóór mei 1940 is ingekocht door één der firmanten en dat het derhalve behoorde tot de oude handelsvoorraad. Uit het onderhavige onderzoek zijn vervolgens feiten naar voren gekomen die de verklaring van verzoekster aannemelijk maken. Het gaat daarbij met name om informatie omtrent de persoon van de Verwalter en het gegeven dat er een pakhuis met voorraad van de kunsthandel bestond, waaruit de Verwalter voor zijn verkopen kon putten. Te dezen wordt verwezen naar het onderzoeksrapport. Aldus acht de Restitutiecommissie het in hoge mate waarschijnlijk dat het geclaimde kunstvoorwerp tot de oude handelsvoorraad van kunsthandel van Leeuwen behoorde.

  8. De Restitutiecommissie heeft voorts onderzocht of er aanwijzingen zijn die het in hoge mate waarschijnlijk maken dat in casu sprake is van onvrijwillig bezitsverlies, als bedoeld in de Aanbevelingen voor de kunsthandel 4 en 6 van de Commissie Ekkart. Overeenkomstig gemelde aanbevelingen heeft de Restitutiecommissie in de eerste plaats gekeken of na de oorlog aangifte is gedaan door een der firmanten van de verkoop van het bord. Onderzoek in het SNK-archief heeft daaromtrent echter niets opgeleverd. Bij het ontbreken van aangifteformulieren kan de vereiste hoge mate van waarschijnlijkheid ook worden aangenomen indien door een Verwalter is verkocht, aldus bovengemelde aanbevelingen. Zoals hierboven gemeld werd het geclaimde object tijdens de oorlog gekocht door de Münchener Kunsthandelsgesellschaft. Blijkens informatie van onderzoeksbureau Facts and Files, te Berlijn, was deze instelling in 1939 opgericht door de Kameradschaft der Künstler München, om de beroemde joodse kunsthandel L. Bernheimer te “ariseren”. Voorzitter van de Kameradschaft was Adolf Wagner, de Gauleiter van de NSDAP in München. Verzoekster heeft naar oordeel van de commissie aannemelijk weten te maken dat haar vader met dergelijke instellingen principieel geen handel dreef, op grond waarvan de commissie concludeert dat het werk uitsluitend door de Verwalter kan zijn verkocht zonder de instemming van de eigenaar, waarbij het zeer waarschijnlijk is dat deze niet het volledige profijt van de transactie heeft genoten. Onder deze omstandigheden dient het bezitsverlies naar het oordeel van de Restitutiecommissie als onvrijwillig te worden aangemerkt als gevolg van het naziregime.

Conclusie

De Restitutiecommissie adviseert de Minister om het object een bord van geglazuurd porselein en decor met bloemenvaas in famille rose (NK 504) te restitueren aan de erfgenamen van Abraham van Leeuwen en Alexander Isaäc van Leeuwen.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 7 januari 2008,

R. Herrmann (voorzitter)
J.Th.M. Bank
J.C.M. Leijten
P.J.N. van Os
E.J. van Straaten
H.M. Verrijn Stuart
I.C. van der Vlies (vice-voorzitter)

-----------------------
[1] Tot 12 november 2007 luidden de algemene overwegingen c en e:
c) De commissie heeft zich voorts afgevraagd op welke wijze moet worden omgegaan met het gegeven dat bepaalde feiten niet meer te achterhalen zijn, dat bepaalde gegevens verloren zijn gegaan of niet zijn teruggevonden of anderszins bewijzen niet meer zijn bij te brengen. De commissie is daaromtrent van mening dat, indien het tijdsverloop (mede) oorzaak is van de ontstane problemen, het risico daarvoor, behoudens onder bijzondere omstandigheden, behoort te liggen bij de overheid.
e) Onder onvrijwillig bezitsverlies wordt ook verstaan verkopen zonder instemming van de kunsthandelaar door Verwalters of andere niet door de eigenaar aangestelde beheerders uit de onder hun beheer gestelde oude handelsvoorraad, voor zover de oorspronkelijke eigenaar of zijn erven niet het volledige profijt van de transactie heeft genoten of voor zover de eigenaar niet na de oorlog uitdrukkelijk afstand  heeft gedaan van rechten
.