Nardus

NK2894 (Foto: RCE)

Advies inzake Nardus

Dossiernummer: 
1.65
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
6 april 2009
Periode bezitsverlies: 
1940-1945
Oorspronkelijke eigenaar: 
Particulier
Plaats bezitsverlies: 
In Nederland

Bij brief van 26 maart 2007 verzocht de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) de Restitutiecommissie (hierna: de commissie) om advies inzake het verzoek van S.N. te Frankrijk tot teruggave van twee schilderijen, die thans deel uitmaken van de NK-collectie onder de inventarisnummers NK 2894 en NK 2895. Het betreft twee anonieme Florentijnse schilderijen uit het laatste kwart van de 15e eeuw met de titels Portret van een vrouw en Portret van een man. De beide schilderijen bevinden zich als langdurig bruikleen in de collectie van het Bonnefantenmuseum te Maastricht.

DE PROCEDURE

S.N. (hierna: verzoeker) heeft bij brief van 3 februari 2007 het restitutieverzoek ingediend bij de minister. Verzoeker heeft laten weten dat Patrick Neslias te Frankrijk hem vertegenwoordigt in deze zaak.
De commissie heeft in het kader van het aan haar voorgelegde restitutieverzoek een conceptonderzoeksrapport opgesteld (7 april 2008), dat op 25 april 2008 voor commentaar is toegezonden aan verzoeker. Op dit rapport heeft verzoeker op 24 juni 2008 commentaar verschaft. Dit commentaar is als bijlage bij het definitieve onderzoeksrapport opgenomen en maakt daar integraal deel van uit. Op 16 maart 2009 heeft verzoeker aanvullende informatie gegeven over de toedracht van de zaak. Ook dit commentaar maakt als bijlage deel uit van het definitieve onderzoeksrapport. De commissie heeft in het kader van het onderzoek de Franse juriste Corinne Hershkovitch te Parijs gevraagd nader onderzoek te doen naar bepaalde aspecten van de zaak. Haar reactie van 16 maart 2009 is in het rapport verwerkt. De commissie verwijst in dit advies voor de feiten die ten grondslag liggen aan het restitutieverzoek naar haar onderzoeksrapport, dat is vastgesteld in de vergadering van 6 april 2009. R. Herrmann, oud-voorzitter van de commissie, heeft de commissie in deze zaak bijgestaan als adviseur.

OVERWEGINGEN

  1. Verzoeker is kleinzoon van Leonardus Salomon (1868-1955) en vraagt teruggave van de schilderijen in hoedanigheid van erfgenaam. De commissie heeft kennis genomen van een door verzoeker verstrekt erfrechtelijk stuk en ziet geen aanleiding te twijfelen aan de erfrechtelijke status van verzoeker.

  2. Leo Nardus, geboren Leonardus Salomon, werd geboren in Nederland als zoon van een antiekhandelaar. Hij trouwde in 1904 met de dochter van een kunsthandelaar met wie hij zich in Parijs vestigde. Het echtpaar kreeg twee dochters. Volgens verzoeker was Leo Nardus (hierna: Nardus) zeer vermogend en bouwde hij een omvangrijke kunstcollectie op. Vanaf 1921 woonde Nardus met zijn dochters in Tunesië, waar hij ook tijdens de Tweede Wereldoorlog verbleef. Het beheer van de collectie vertrouwde hij toe aan een goede vriend, van joodse afkomst, Arnold van Buuren (hierna: Van Buuren). In juli 1928 kwamen Nardus en Van Buuren overeen dat zij gezamenlijk eigenaar waren van de collectie schilderijen en dat ieder voor zich bevoegd was tot verkoop van werken, waarbij de opbrengst gedeeld zou worden.

  3. Tijdens de oorlog bevond de kunstcollectie zich bij Van Buuren te Haarlem. Uit een verplichte opgave van kunstvoorwerpen aan de bezettingsautoriteiten door Van Buuren in 1940, waarboven ‘Kollektion van Buuren/Nardus’ staat vermeld, valt op te maken dat ook de twee thans geclaimde werken op dat moment bij Van Buuren aanwezig waren. Van Buuren werd door anti-joodse maatregelen van de bezetter gedwongen deze werken in te leveren bij de Duitse roofbank Lippmann, Rosenthal & Co., Sarphatistraat te Amsterdam. De twee geclaimde werken staan vermeld op een lijst van bij deze bank ingeleverde kunstwerken. In 1943 zijn de geclaimde werken via of aan veilinghuis Mak van Waay te Amsterdam verkocht, waarbij vermoedelijk 220 gulden voor de twee werken samen is betaald.

  4. Van Buuren en zijn echtgenote zijn op 23 april 1943 omgekomen te Sobibor. Hun kinderen hebben de oorlog overleefd. In oktober 1945 heeft een dochter van Van Buuren op de aangifteformulieren van de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK) aangegeven dat de twee thans geclaimde werken in bezit waren van ‘Arnold van Buuren en Leo Nardus’ en dat er sprake was geweest van confiscatie.

  5. Nardus en de rechtsopvolgers van Van Buuren hebben in 1947 een overeenkomst tot scheiding en deling van de kunstcollectie gesloten, waarbij Nardus alle rechten op de schilderijencollectie verkreeg, evenals bestaande of toekomstige vorderingsrechten jegens derden terzake van de collectie, zoals Lippmann, Rosenthal & Co (later: LVVS). De Raad voor het Rechtsherstel heeft de overeenkomst in een vonnis uit 1949 erkend. De commissie neemt daarom aan dat de rechten op de thans geclaimde werken vanaf 1947 bij (de erfgenamen van) Nardus zijn komen te liggen.

  6. De in Tunesië woonachtige Nardus liet zich na de oorlog door zijn dochter Flory Nardus vertegenwoordigen bij het opsporen van de tijdens de oorlog verloren kunstwerken uit de collectie. Flory ging daarbij in 1948 een samenwerkingsverband aan met Georges Schiff-Giorgini (hierna: Giorgini), bankier te Parijs. Dit samenwerkingsverband heeft in later jaren tot grote onenigheid tussen Giorgini en de familie Nardus geleid en tot onduidelijkheid bij de Nederlandse rechtsherstelautoriteiten.

  7. Met betrekking tot dit samenwerkingsverband heeft de commissie kennis genomen van een tweetal overeenkomsten, een in het Frans opgestelde (niet ondertekende) overeenkomst van 1 oktober 1948 en een in het Nederlands opgestelde overeenkomst van 11 februari 1950. De overeenkomst uit 1948 hield in dat Giorgini 25% van de opbrengst van de door hem te verkopen kunstwerken uit de collectie van Nardus zou ontvangen, en Nardus de andere 75%. Tevens nam Giorgini hierbij bepaalde schulden van Flory Nardus over.
    De overeenkomst uit 1950 bepaalde ‘Partij Nardus draagt hierbij aan partij Giorgini over, welke overdracht partij Giorgini hierbij aanvaardt, alle rechten, welke hij kan doen gelden tegen LVVS (..), in het bijzonder zijn vordering op LVVS uit hoofde van de verkoop van de z.g. collectie Nardus. Deze overdracht geschiedt tot zekerheid voor de betaling van hetgeen partij Giorgini van partij Nardus te vorderen heeft krachtens de overeenkomst van partijen d.d. 8 oktober 1948 (….)’ Daarnaast wordt in de stukken gerefereerd aan de oprichting op 9 februari 1951 van een zogeheten ‘association en participation’, een vennootschap naar Frans recht, op grond waarvan – naar de commissie begrijpt - Giorgini de vertegenwoordigingsbevoegdheid verkreeg en zich ten opzichte van derden als rechthebbende van de kunstcollectie kon presenteren.
    De commissie neemt op basis hiervan aan dat Giorgini bepaalde (beperkte) rechten ten aanzien van de collectie verkreeg, als zekerheid voor een geldvordering.

  8. Een aantal werken uit de collectie Nardus/Van Buuren is na de oorlog teruggevonden en de twee thans geclaimde NK-werken kwamen zo op enig moment onder beheer van de Nederlandse rechtsherstelautoriteiten. Uit het onderzoek is gebleken dat Giorgini zich vanaf 1951 jegens de rechtsherstelautoriteiten in Nederland presenteerde als eigenaar van de collectie. In het dossier bevindt zich tevens een verklaring van Flory Nardus van 9 februari 1951 waarbij zij bevestigt dat de eigendomsrechten op de gerecupereerde en te recupereren werken waren overgedragen aan Giorgini. De Nederlandse advocaat van Giorgini deed deze verklaring aan de rechtsherstelautoriteiten toekomen in antwoord op vragen over de positie van Giorgini als rechthebbende.
    De commissie heeft in dit verband echter ook kennisgenomen van een brief van Flory Nardus aan een Franse rechterlijke instantie van 18 april 1953, waarin zij beargumenteert dat deze verklaring slechts was opgesteld met het doel Giorgini, bij zijn onderhandelingen met de rechtsherstelautoriteiten, meer autoriteit te verschaffen: ‘La déclaration ci-dessus n’ayant pas d’autre but, disait-il [Giorgini, RC], que de lui donner plus d’autorité à l’égard des tiers.’ De toedracht noch de uitkomst van de gerechtelijke procedure in Frankrijk die Flory Nardus in 1953 had aangespannen tegen Giorgini, en in het kader waarvan zij deze brief kennelijk had opgesteld, zijn de commissie bekend. Het onderzoek door C. Hershkovitch heeft uitgewezen dat Flory Nardus in de jaren vijftig in Frankrijk diverse rechtszaken heeft aangespannen tegen Giorgini, maar nadere bijzonderheden zijn onbekend, aangezien de betreffende dossiers waarschijnlijk zijn vernietigd.

  9. De thans geclaimde NK-werken zijn op enig moment na de oorlog tezamen met een derde schilderij, in het bezit gesteld van Giorgini als voormalig eigendom van Nardus/Van Buuren. Hoe en wanneer Giorgini de NK-werken in bezit kreeg is onbekend. Giorgini retourneerde in december 1951 beide schilderijen echter aan het Bureau Herstelbetalings- en recuperatiegoederen (Hergo) onder de mededeling ‘welke nader gebleken zijn niet tot de verzameling Van Buuren/Nardus te behoren’. In de akte van overdracht die bij deze transactie werd opgesteld, doet Giorgini afstand van rechten ten aanzien van betreffende schilderijen.
    Zijn bezit van één van deze drie werken berustte naar alle waarschijnlijkheid inderdaad op een vergissing, aangezien er aanwijzingen bestaan dat dit schilderij niet behoorde tot de collectie Nardus/Van Buuren. De beide andere door Giorgini geretourneerde werken zijn de thans geclaimde NK-werken, waarvan de commissie evenwel heeft vastgesteld dat zij met zekerheid tot de collectie Nardus/Van Buuren hebben behoord. De beweegredenen van Giorgini om de werken te retourneren zijn onbekend.

  10. Daarnaast is uit het onderzoek gebleken dat alle gelden die aan Nardus toekwamen uit hoofde van zijn vorderingen op Lippmann, Rosenthal & Co, Sarphatistraat in liquidatie (LVVS) ten gunste van Giorgini zijn overgemaakt. Verzoeker heeft betoogd dat deze uitkering van LVVS de kosten van Giorgini verre oversteeg, hetgeen de commissie aannemelijk acht.

  11. Op basis van dit feitenrelaas dient de commissie te bezien of tot teruggave van de geclaimde schilderijen kan worden geadviseerd. Op grond van het geldende rijksbeleid met betrekking tot restitutie van cultuurgoederen kan tot teruggave worden geadviseerd indien het eigendomsrecht in hoge mate aannemelijk is gemaakt en de oorspronkelijke eigenaar het bezit van de schilderijen onvrijwillig heeft verloren als gevolg van omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime.

  12. Met betrekking tot de eigendomsvraag constateert de commissie dat uit het onderzoek is gebleken dat de twee geclaimde werken op het moment van het bezitsverlies, in 1943, deel uitmaakten van de collectie Nardus/Van Buuren. Zoals hierboven - onder 5 -aangegeven, zijn de rechten op de collectie vanaf 1947 toebedeeld aan Nardus.

  13. De commissie is van mening dat Nardus ook in relatie tot Giorgini als eigenaar moet worden aangemerkt. De commissie overweegt hieromtrent het volgende.
    a) Giorgini kreeg de beide werken op enig moment in zijn bezit maar heeft deze om redenen die de commissie niet kent in 1951 vrijwillig geretourneerd – zie 9 –, waarmee hij zijn rechten op de werken heeft prijsgegeven. In ieder geval is daardoor een eventuele vordering van Giorgini tegen Nardus tot teruggave thans verjaard.
    b) Op grond van de feiten zoals beschreven in 7, 8 en 10 neemt de commissie aan dat de eigendomsoverdracht door Nardus aan Giorgini in 1950 als zekerheid diende voor uitstaande vorderingen, maar dat deze vorderingen vervolgens hoogstwaarschijnlijk zijn voldaan. Voor zover dat niet zou zijn gebeurd, zijn ook deze vorderingen verjaard, waarmee eventuele aanspraken van Giorgini op de tot zekerheid overgedragen werken zijn komen te vervallen ten gunste van de eigenaar Nardus.

  14. Voorts overweegt de commissie met betrekking tot de positie van Giorgini ten aanzien van de Nederlandse Staat dat hij geen rechten meer kan doen gelden terzake van de NK-werken. Giorgini verklaarde hiertoe in de akte van overdracht uit 1951 (zie overweging 9): ‘Dat hij prijsgeeft alle aanspraken, die hij jegens het Bureau Herstelbetalings- en Recuperatiegoederen, alsmede jegens andere organen van de Nederlandse Staat mocht hebben of verkrijgen terzake van schade aan voormelde schilderijen, of uit welke andere oorzaak ook met deze schilderijen samenhangende’.

  15. De commissie oordeelt dat sprake is van onvrijwillig bezitsverlies gelieerd aan het naziregime. Immers, het verlies van de werken was het directe gevolg van de omstandigheid dat de kunstwerken op last van het naziregime dienden te worden ingeleverd bij de Duitse roofinstantie Lippmann, Rosenthal & Co.

  16. Nu er geen uitspraken bekend zijn van de Raad voor het Rechtsherstel of andere bevoegde rechtelijke instanties en (de erven) Nardus na de oorlog geen afstand hebben gedaan van hun vorderingsrechten ten gunste van de Nederlandse rechtsherstelautoriteiten, is er geen sprake van een in het verleden afgehandelde zaak. Verzoekers zijn daarmee ontvankelijk in hun verzoek. De commissie concludeert dan ook dat aan de voorwaarden voor restitutie is voldaan.

CONCLUSIE

De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het restitutieverzoek van S.N. toe te wijzen en de kunstwerken NK 2894 en NK 2895 terug te geven aan de erfgenamen van Nardus.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 6 april 2009 door W.J.M. Davids (voorzitter), J.Th.M. Bank, J.C.M. Leijten, P.J.N. van Os, E.J. van Straaten, H.M. Verrijn Stuart, I.C. van der Vlies (vice-voorzitter) en ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

(W.J.M. Davids, voorzitter)    (E. Campfens, secretaris)