Weijers

NK 1870 (foto: RCE)

Advies inzake Weijers

Dossiernummer: 
1.68
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
1 december 2008
Periode bezitsverlies: 
1940-1945
Oorspronkelijke eigenaar: 
Particulier
Plaats bezitsverlies: 
In Nederland

Op 8 maart 2007 heeft J.A.C.M.V. namens de ‘erven van wijlen H. Weijers uit Tilburg’ (hierna: verzoekers) een restitutieverzoek ingediend bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) voor negen kunstwerken uit de NK-collectie in beheer van het Rijk. Het gaat om schilderijen met de inventarisnummers NK 1667, NK 1870, NK 2069, NK 2183, NK 2264, NK 2476, NK 2477, NK 2509, NK 2774. Het restitutieverzoek is door de Minister van OCW op 3 april 2007 aan de commissie ter advisering voorgelegd. De geclaimde schilderijen bevinden zich als langdurige bruiklenen in de collecties van verschillende Nederlandse musea, met uitzondering van NK 2183, dat zich bevindt in het depot van het Instituut Collectie Nederland (ICN) te Rijswijk.

De procedure

Aan het huidige restitutieverzoek is een restitutieverzoek bij de Inspectie Cultuurbezit van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCW) voorafgegaan. Op 20 maart 1998 diende een van de huidige verzoekers, J.A.C.M.V., aldaar een restitutieverzoek in namens zijn moeder, M.A.V.-W., en zijn tantes, H.F.E.-W. en E.M.d.J.-W. Dat restitutieverzoek had betrekking op zeven schilderijen uit de NK-collectie, die overeenkomen met zeven van de negen thans geclaimde kunstwerken (NK 2183 en NK 2509, onderdeel van de huidige claim, werden toen niet genoemd). De in 1998 geclaimde kunstwerken waren volgens V. ‘tijdens de Tweede Wereldoorlog onvrijwillig ... kwijt geraakt’ door zijn grootvader H.F.J. Weijers. Op 3 augustus 1998 heeft het Ministerie van OCW het restitutieverzoek van V. afgewezen (zie verder onder 2). Op 8 maart 2007 hebben verzoekers het huidige restitutieverzoek ingediend bij het Ministerie van OCW. Op 3 april 2007 heeft de Minister van OCW het restitutieverzoek aan de commissie voorgelegd ter advisering. Bij brief van 5 maart 2008 berichtte advocaat M.H. Stötzel de commissie dat hij door de ‘heirs of the late H.F.J. Weijers’ gemachtigd is hen te vertegenwoordigen in hun restitutieverzoek. De commissie heeft in het kader van het aan haar voorgelegde restitutieverzoek een conceptonderzoeksrapport (6 mei 2008) opgesteld, dat op 13 mei 2008 voor commentaar is toegezonden aan verzoekers. Het commentaar van verzoekers van 24 juni 2008 is als bijlage bij het definitieve onderzoeksrapport opgenomen, dat op 6 oktober 2008 werd vastgesteld. De commissie verwijst voor de feiten die ten grondslag liggen aan het restitutieverzoek naar haar onderzoeksrapport. R. Herrmann, oud-voorzitter van de commissie, heeft de commissie in deze zaak bijgestaan als adviseur.

Algemene overwegingen

a) De commissie laat zich bij haar advisering leiden door de beleidslijnen terzake van de Commissie Ekkart als overgenomen door de regering.

b) De commissie heeft zich de vraag gesteld of een uit te brengen advies invloed mag ondervinden van mogelijke consequenties in latere zaken. De commissie beantwoordt die vraag, behoudens onder bijzondere omstandigheden ontkennend omdat een dergelijke invloed bezwaarlijk kan worden tegengeworpen aan de betrokken verzoeker.

c) De commissie heeft zich voorts afgevraagd op welke wijze moet worden omgegaan met het gegeven dat bepaalde feiten niet meer te achterhalen zijn, dat bepaalde gegevens verloren zijn gegaan of niet zijn teruggevonden of anderszins bewijzen niet meer zijn bij te brengen. De commissie is daaromtrent van mening dat, indien het tijdsverloop (mede) oorzaak is van de ontstane problemen, het risico daarvoor, indien het betreft particulier kunstbezit, behoudens onder bijzondere omstandigheden, behoort te liggen bij de overheid.

d) De commissie is van mening dat inzichten en omstandigheden die naar algemene maatschappelijke opvattingen sinds de Tweede Wereldoorlog klaarblijkelijk zijn veranderd, gelijk mogen worden gesteld aan nova (nieuwe feiten).

e) Onvrijwillig bezitsverlies is in hoge mate waarschijnlijk indien is verkocht zonder instemming van de kunsthandelaar door Verwalters of andere niet door de eigenaar aangestelde beheerders uit de onder hun beheer gestelde oude handelsvoorraad, voor zover de oorspronkelijke eigenaar of zijn erven niet het volledige profijt van de transactie heeft genoten of voor zover de eigenaar niet na de oorlog uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van rechten.

Bijzondere overwegingen:

  1. Verzoekers, een dochter en tien kleinkinderen van H.F.J. Weijers (hierna: Weijers), vragen teruggave van negen werken uit de NK-collectie. Verzoekers hebben gesteld rechthebbenden te zijn met betrekking tot de nalatenschap van Weijers. In dit kader heeft de commissie kennis genomen van overgelegde stukken. Het restitutieverzoek betreft negen schilderijen met inventarisnummers NK 1667, NK 1870, NK 2069, NK 2183, NK 2264, NK 2476, NK 2477, NK 2509, NK 2774, die volgens verzoekers hebben behoord tot het bezit van Weijers. Verzoekers hebben gesteld dat hun restitutieverzoek op meer werken betrekking heeft, maar om welke (NK-)werken het gaat hebben zij niet aangegeven. De commissie kan niet méér werken in het advies betrekken dan genoemd in het adviesverzoek van de Minister van OCW.

  2. De commissie beschouwt deze zaak, voor zover het betreft de afwijzing door het Ministerie van OCW van het eerdere restitutieverzoek uit 1998 met betrekking tot NK 1667, NK 1870, NK 2069, NK 2264, NK 2476, NK 2477 en NK 2774 (zie onder De procedure), niet als afgehandeld in de zin van het geldende beleid. Volgens de aanbevelingen van de Commissie Ekkart uit 2001 en de Regeringsreactie daarop uit 2001 is van een afgehandelde zaak slechts sprake indien ‘door de Raad voor het Rechtsherstel of een andere bevoegde rechter een vonnis is gewezen’ of indien ‘de vordering tot teruggave bewust en weloverwogen heeft geresulteerd in een schikking dan wel claimant expliciet van de vordering tot teruggave heeft afgezien’. De beslissing van het Ministerie van OCW ten aanzien van het eerste restitutieverzoek inzake Weijers valt niet onder dit criterium, zodat de commissie verzoekers ontvankelijk acht in hun huidige restitutieverzoek. Ten aanzien van de werken NK 2183 en NK 2509 is geen eerder restitutieverzoek bekend.

  3. De identificatie van de geclaimde NK-werken, aan de hand van de door de commissie geraadpleegde documentatie, is niet op wezenlijke problemen gestuit, met uitzondering van het werk NK 2509. Uit onderzoeksgegevens van Bureau Herkomst Gezocht (BHG) heeft de commissie afgeleid dat niet vaststaat dat het bewuste schilderij, een werk van G. van den Eeckhout, in het bezit van Weijers is geweest en door hem aan kunsthandelaar D. Sijperda te Den Haag is verkocht. De commissie heeft daarnaast geconstateerd dat het werk als enige van de thans geclaimde werken niet voorkomt in de aan haar toegestuurde reproducties van de fotoalbums die de familie Weijers in de oorlog van de kunstverzameling maakte. De identificatie van het werk NK 2509 als mogelijk voormalig bezit van Weijers kan hier echter in het midden blijven, gezien het oordeel van de commissie onder 13-14.

  4. Verzoekers verklaren dat Weijers in de periode 1940-1944 zijn gehele kunstcollectie heeft verkocht en dat deze verkoop gegeven de omstandigheden waarin Weijers destijds verkeerde ‘can not be considered voluntarily’ (brief 1 april 2008). Zij stellen dat Weijers weliswaar niet tot een joodse familie behoorde maar dat hij ‘must be considered to have been persecuted because he had been suspected and labeled to be an enemy of the Germans and of their Dutch sympathisers’ (brief 1 april 2008). Volgens zijn memoires uit 1945 was Weijers in de jaren dertig van de vorige eeuw fel gekant tegen het naziregime. Zijn aanvankelijke sympathie jegens Duitsland zou in openlijk geuite vijandschap zijn omgeslagen na de bezetting van Nederland in 1940. In november 1940 werd zijn woning te Tilburg door de bezetter gevorderd. In april 1943 en februari 1944 zou gevangenneming in verband met Weijers’ openlijk vijandige houding tegenover het naziregime hebben gedreigd. Zijn hoge leeftijd en zwakke gezondheid zouden hebben belet dat die dreiging werkelijkheid werd.

  5. Voor de vraag of tot restitutie kan worden geadviseerd, is van belang of de verkoop van de geclaimde schilderijen als onvrijwillig, door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime, kan worden aangemerkt. De commissie merkt in dit verband op dat Weijers niet behoorde tot een vanwege het naziregime vervolgde bevolkingsgroep. De bewijslastomkering, zoals vervat in de derde aanbeveling van de Commissie Ekkart van april 2001, is daarom hier niet van toepassing. De onvrijwilligheid van het bezitsverlies als voormeld moet derhalve door verzoekers worden aangetoond.

  6. Weijers bezat bij het uitbreken van de oorlog een particuliere kunstcollectie, die hij opbouwde in de periode 1929-1940. De commissie leidt dit af uit de jaartallen die staan vermeld in de aan de commissie toegestuurde reproducties van fotoalbums die de familie Weijers zelf in de oorlog van de kunstverzameling maakte. Verzoekers bestrijden derhalve tevergeefs dat de aankoopperiode tot 1940 liep en noemen 1929-1930/32 als de periode waarin Weijers de meeste kunstwerken kocht (bijlage 2 bij brief 1 april 2008). Weijers verklaarde in zijn brief aan de SNK van 4 oktober 1945 dat hij zo goed als alle kunstwerken uit zijn collectie via kunsthandelaar H.S. de Haan had gekocht van ‘duitsche joden’. Volgens verzoekers bestaat echter geen indicatie voor een dergelijke herkomst (bijlage bij het onderzoeksrapport, p. 3).

  7. Tijdens de oorlog deed Weijers zijn kunstcollectie van de hand. De negen thans geclaimde werken zijn waarschijnlijk verkocht aan verschillende Nederlandse kopers en/of tussenpersonen. Het betreft verkopen aan of via de Nederlandse kunsthandelaars H.S. de Haan (NK 1667, NK 2264), F. Parry (NK 1870, NK 2069, NK 2183, NK 2774), H.A. Wetzlar (NK 2476 en NK 2477) en mogelijk D. Sijperda (NK 2509). Een deel van de collectie Weijers is verkocht vóór de inbeslagname van Weijers’ huis in november 1940 en een ander deel erna. De precieze verkoopdata, en de verkregen prijzen, zijn echter voor het merendeel onbekend.

  8. Voor twee van de thans geclaimde schilderijen (NK 1667 en NK 2264) heeft Weijers een SNK-aangifteformulier ingevuld. Hij vulde in dat sprake was geweest van ‘vrijwillige verkoop’ aan De Haan kort na het uitbreken van de oorlog. Weijers verklaarde tevens dat hij later van De Haan had gehoord dat deze de werken in opdracht van Alois Miedl had gekocht. Op twee (thans niet geclaimde) werken na heeft Weijers in de oorlog, zoals hij op 4 oktober 1945 verklaarde in zijn brief aan de SNK, ‘aan Duitschers rechtstreeks geen schilderijen verkocht’. Een groot deel van Weijers’ verzameling is tijdens de oorlog naar Duitsland gevoerd, zoals uit het onderzoek is gebleken. Naar alle waarschijnlijkheid zijn die werken door de tussenpersonen en handelaars aan wie Weijers verkocht, aan Duitsers geleverd.

  9. Weijers verklaarde in de brief van 4 oktober 1945 aan de SNK dat de ‘joodse herkomst’ van de meeste stukken uit zijn collectie en zijn ‘bekende anti-duitschheid’ gevaar opleverden voor inbeslagname door het naziregime. Weijers vervolgde in zijn brief:

    Dat gevaar werd nog grooter toen ik in Nov. 1940, door de duitschers, “wegens felle anti-duitschheid” uit myn huis werd gezet. Ik meende safe te zyn door myne schilderyen op te slaan by de Gruyter den Haag. Maar toen ik daar myn eerste inspectie-bezoek bracht, en constateerde, dat daar ook Seisz-Inquart en andere hooge nazi’s, door hen verzamelde ??? kunst hadden geborgen, zag ik my genoopt de verkoop myner in gevaar verkeerende schilderyen met den grootst mogelyken spoed door te voeren.

  10. Onder verwijzing naar een (niet aan de commissie bekend) cahier waarin Weijers zijn verkopen zou hebben bijgehouden, schreef zijn echtgenote Weijers-Arnold op 13 juni 1947 in een brief aan de SNK:

    Zooals uit het cahier blykt (en ik herinner me nog alles zeer goed), werdt myn man in Juli of Aug. 1940 opgebelt door F. Parry uit den Haag en vroeg prys van diverse schilderyen met het verzoek deze drie dagen in optie te mogen houden. Op de vraag voor wie deze schilderyen bedoelt waren, juist omdat hy niet aan Duitschers wilde verkoopen, kreeg myn man ten antwoord, dat het geen usance was namen van clientèle te noemen. Een en ander werdt door myn man op verzoek van de heer Pary schriftelyk bevestigd. Binnen drie dagen was de Heer Parry per auto met zyn client, een zekere Dr. Kieslinger uit Weenen by ons tot groote ergernis van myn man. De in optie genomen schi[l]deryen werden gekeurd, gekocht, betaald en direct in de auto geladen en meegenomen.

    Tevens zou Weijers-Arnold, volgens verzoekers, achterop twee foto’s van door Weijers aan De Haan verkochte werken hebben geschreven: ‘verkocht door de Haan aan voor Hitler te stichten museum. onder pressie’. Het echtpaar Weijers heeft na de oorlog niet om teruggave van de verkochte werken verzocht. Weijers overleed in 1947, zijn echtgenote in 1972.

  11. Verzoekers stellen dat bij alle negen verkopen sprake was van onvrijwillig bezitsverlies. Zij wijzen daarbij op de persoonlijke omstandigheden van Weijers in de oorlog, te weten dat hij anti-Duits was en in verband daarmee is lastiggevallen en bedreigd. Daarnaast stellen ze dat Duitse opkopers zich bedienden van lokale kunsthandelaars om delen van de collectie van Weijers in handen te krijgen. Weijers zou hebben verkocht ‘under the impact of the more or less blunt threats by De Haan, by Parry and Sijperda and others’ en omdat hem het idee werd gegeven dat er confiscatie dreigde voor zijn collectie. In het onderzoeksrapport van de commissie zijn verklaringen van verzoekers omtrent de verkopen geciteerd. Zoals Weijers’ dochter E.-W. op 2 april 2008 verklaarde over de verkopen aan De Haan:

    Uit allerlei gezegdes tussen hem en moeder kon ik ook afleiden dat De Haan vader onder druk zette. Dat gebeurde al vóór de oorlog. Het had te maken dat veel van vaders schilderijen oorspronkelijk uit Duits bezit kwamen. De Haan had tegen vader gezegd dat de Nazi’s in Duitsland achter joodse kunst aan zaten en je wist maar nooit wat de toekomst zou brengen. Veel van de schilderijen die vader ooit via De Haan had gekocht, kwamen blijkbaar oorspronkelijk uit joods bezit. Volgens De Haan zou dit vaders collectie in groot gevaar brengen. Hij had in Duitsland gezien hoe de Nazi’s tekeer gingen.

    Over Sijperda verklaarde E.-W. op 2 april 2008:

    Toen hij [Sijperda] drie prachtige schilderijen had gekocht, bleek dat dit sujet helemaal niet uit zichzelf had gehandeld maar de schilderijen had gekocht voor een museum van Hitler in Duitsland. Hij vroeg namelijk of vader maar de schilderijen naar Duitsland wilde versturen. Vader weigerde en zei dat hij niets met Duitsland te maken wilde hebben. [..] Vader werd verzocht bij Seisz-Inquart te komen en die zou alles verder met hem in orde maken. Vader weigerde, hij had niets te maken met Seisz-Inquart, alleen met Syperda zelf.

    E.-W. heeft op 2 april 2008 over de verkopen via Parry het volgende verklaard:

    Vader en moeder vertelden mij dat de kunsthandelaar naar Bremhorst was gekomen samen met een Oostenrijker, Kieslinger. Deze man bleek de klant te zijn en wist alles van vaders collectie. Ter plekke kocht hij meerdere schilderijen en betaalde hij meteen in contanten. Vader durfde de koop niet te weigeren. Kieslinger was een Oostenrijker, maar hij kwam wel aanzetten in een Duitse auto met daarop de letters ‘R.K.’ Hij was gewoon een stroman van de Nazi’s .Wat zou er gebeuren als hij niet vrijwillig aan Kieslinger zou verkopen?

  12. De commissie oordeelt dat de twee verkopen aan de Nederlandse kunsthandelaar De Haan, corresponderend met de thans geclaimde werken NK 1667 en NK 2264, als vrijwillig moeten worden beschouwd. Deze verkopen vonden kort na het uitbreken van de oorlog plaats en Weijers zelf heeft in de SNK-aangiftes die op deze werken betrekking hadden, verklaard dat het bezitsverlies een gevolg was van‘vrijwillige verkoop’.

  13. Ten aanzien van de zeven andere thans geclaimde werken NK 1870, NK 2069, NK 2183, NK 2476, NK 2477, NK 2509, NK 2774 acht de commissie onvoldoende grond aanwezig voor het aannemen van onvrijwillig bezitsverlies door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime.

  14. Ter nadere toelichting bij 13 overweegt de commissie het volgende. De commissie stelt voorop dat bij verkoop door particulieren die niet behoorden tot een vervolgde bevolkingsgroep van onvrijwillig bezitsverlies door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime slechts sprake is indien een direct verband bestaat tussen een van het naziregime uitgaande specifieke dreiging of dwang en de bewuste verkoop. Weijers verkocht de kunstwerken aan tussenpersonen en handelaars, die vervolgens aan Duitsers leverden. De commissie gaat ervan uit dat Weijers, gegeven de oorlogsomstandigheden en in het bijzonder de inbeslagname van zijn huis in november 1940, het voornemen had de betrokken schilderijen via de verschillende tussenpersonen en handelaren te verkopen, maar dat hij geen Duitse kopers voor zijn schilderijen had gewild. De commissie leest in de verklaring van Weijers’ echtgenote Weijers-Arnold onder 10 en de verklaringen van zijn dochter E.-W. onder 11 een ondersteuning van deze zienswijze. Bij de verschillende verkopen is de commissie niet gebleken van een concrete, op die verkopen gerichte dreiging of dwang uitgaande van het naziregime. Een bij Weijers ontstane vrees voor confiscatie van zijn collectie acht de commissie niet onaannemelijk in het licht van de inbeslagname van zijn huis, maar de commissie stelt tevens vast dat concrete aanwijzingen voor een ophanden zijnde confiscatie van zijn kunstcollectie ontbreken. Van een direct verband tussen een van het naziregime uitgaande specifieke dreiging of dwang en de bewuste verkopen is dus geen sprake.

Conclusie

De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap tot afwijzing van het restitutieverzoek van J.A.C.M.V. namens de ‘erven van wijlen H. Weijers uit Tilburg’ met betrekking tot de kunstwerken met de inventarisnummers NK 1667, NK 1870, NK 2069, NK 2183, NK 2264, NK 2476, NK 2477, NK 2509, NK 2774.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 1 december 2008 door I.C. van der Vlies (waarnemend voorzitter), J.Th.M. Bank, J.C.M. Leijten, P.J.N. van Os, E.J. van Straaten, H.M. Verrijn Stuart, en ondertekend door de waarnemend voorzitter en de secretaris.

(I.C. van der Vlies, waarnemend voorzitter)
(E. Campfens, secretaris)

Gerelateerde adviezen: