Een tinnen maccabeeënlamp

NK 399 (foto: RCE)

Advies inzake het verzoek tot teruggave van een tinnen maccabeeënlamp (NK 399)

Dossiernummer: 
1.69
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
3 december 2007
Periode bezitsverlies: 
1940-1945
Oorspronkelijke eigenaar: 
Particulier
Plaats bezitsverlies: 
In Nederland

Bij brief van 10 april 2007 verzocht de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) de Restitutiecommissie om advies over de te nemen beslissing op het verzoek van 22 maart 2007 van B.Z. (hierna: verzoeker) tot teruggave van een achttiende-eeuwse tinnen maccabeeënlamp (NK 399). Het geclaimde werk maakt deel uit van de collectie Nederlands Kunstbezit en bevindt zich in depot van het Instituut Collectie Nederland te Rijswijk.

De procedure

Verzoeker heeft het restitutieverzoek ingediend nadat hij op 4 december 2006 bij een bezoek aan de tentoonstelling ‘Geroofd, maar van wie?’ in de Hollandsche Schouwburg te Amsterdam de maccabeeënlamp als zijn voormalig eigendom had herkend. Naar aanleiding van het restitutieverzoek heeft de commissie een onderzoek naar de feiten uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een conceptrapport van 3 september 2007 dat bij brief van 27 september 2007 voor commentaar is voorgelegd aan verzoeker en aan de Minister van OCW. Het rapport is vervolgens vastgesteld op 5 november 2007. Voor de feiten in deze zaak verwijst de commissie naar het onderzoeksrapport, dat geacht wordt deel uit te maken van dit advies.

Algemene overwegingen

a) De commissie laat zich bij haar advisering leiden door de beleidslijnen terzake van de Commissie Ekkart als overgenomen door de regering.

b) De commissie heeft zich de vraag gesteld of een uit te brengen advies invloed mag ondervinden van mogelijke consequenties in latere zaken. De commissie beantwoordt die vraag, behoudens onder bijzondere omstandigheden ontkennend omdat een dergelijke invloed bezwaarlijk kan worden tegengeworpen aan de betrokken verzoeker.

c) De commissie heeft zich voorts afgevraagd op welke wijze moet worden omgegaan met het gegeven dat bepaalde feiten niet meer te achterhalen zijn, dat bepaalde gegevens verloren zijn gegaan of niet zijn teruggevonden of anderszins bewijzen niet meer zijn bij te brengen. De commissie is daaromtrent van mening dat, indien het tijdsverloop (mede) oorzaak is van de ontstane problemen, het risico daarvoor, indien het betreft particulier kunstbezit, behoudens bijzondere omstandigheden, behoort te liggen bij de overheid.

d) De commissie is van mening dat inzichten en omstandigheden die naar algemene maatschappelijke opvattingen sinds de Tweede Wereldoorlog klaarblijkelijk zijn veranderd, gelijk mogen worden gesteld aan nova (nieuwe feiten).

e) Onvrijwillig bezitsverlies is in hoge mate waarschijnlijk indien is verkocht zonder instemming van de kunsthandelaar door Verwalters of andere niet door de eigenaar aangestelde beheerders uit de onder hun beheer gestelde oude handelsvoorraad, voor zover de oorspronkelijke eigenaar of zijn erven niet het volledige profijt van de transactie heeft genoten of voor zover de eigenaar niet na de oorlog uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van rechten.

Toelichting met betrekking tot de algemene overwegingen c en e[1]

In lijn met de aanbevelingen inzake de kunsthandel en de toelichting daarop is de commissie tot het oordeel gekomen dat overweging c uitsluitend dient te gelden voor particulier kunstbezit. In diezelfde lijn heeft een aanpassing plaatsgevonden in overweging e en heeft voorts in verband met deze overweging te gelden dat uitsluitend objecten die zich daadwerkelijk in de oude handelsvoorraad hebben bevonden, voor restitutie in aanmerking kunnen komen.

Bijzondere overwegingen:

  1. Het restitutieverzoek betreft een maccabeeënlamp, ook wel een chanoekia of menora geheten. De lamp of kandelaar wordt gebruikt tijdens het joodse Chanoekafeest, dat wordt gevierd ter herinnering aan de herinwijding van de Tempel te Jeruzalem door de Maccabeeën, nadat zij, in het jaar 165 v. Chr., de Syriërs hadden verslagen. Verzoeker vraagt restitutie van de maccabeeënlamp (NK 399) in hoedanigheid van voormalig eigenaar. In het restitutieverzoek heeft hij verklaard:

    ‘Op 4 december 2006, bij de tentoonstelling Geroofd, maar van wie?, heb ik het bovengenoemde object met stelligheid herkend als mijn vroegere eigendom, dat ik gedurende de Tweede Wereldoorlog ben kwijtgeraakt. De Chanukia was een Bar Mitswa-geschenk aan mij van mijn oom, de heer B. Z. te Amersfoort.’

  2. Het onderzoek heeft het volgende uitgewezen. Verzoeker, geboren op 25 december 1921, is een zoon van het joodse echtpaar Israël Z. (1889-1942) en Matje Verdoner (1887-1942). Het echtpaar had meerdere kinderen. Het gezin woonde bij aanvang van de oorlog aan de Joden Houttuinen te Amsterdam. Op onbekende datum zijn Israël Z. en Matje Verdoner door de bezetter naar Duitsland weggevoerd. Omstreeks 17 september 1942 kwamen zij in Auschwitz om het leven. Zeven kinderen van het echtpaar, onder wie verzoeker, overleefden de oorlog.

  3. De commissie acht aannemelijk dat het huisraad na de deportatie van het echtpaar in beslag is genomen door de bezetter. Verzoeker heeft in een telefoongesprek met een medewerker van Bureau Herkomst Gezocht op 7 december 2006 daaromtrent het volgende verklaard:

    ‘[…] Tijdens de oorlog is alles weggenomen uit het huis van mijn ouders, in de Jodenhouttuinen 70-72, daar is nog een heel boekje over geschreven. Achter ons huis was een matzebakkerij, De Zwaan. Toen die razzia er was, heeft de familie daar geschuild, in de matzebakkerij. Het huis is leeggehaald. En tijdens de hongerwinter is het gesloopt. …Ik heb via Westerbork in allerlei kampen gezeten en heb de oorlog overleefd. [...]’

    Ook een zuster van verzoeker, C. Z., heeft in 1958 bij de Stichting Joodse Kerkgenootschappen en Sociale Organisaties voor Schadevergoedingsaangelegenheden (JOKOS) verklaard dat het huisraad van haar ouders na hun deportatie in september 1942 ‘gepulst’ is (in beslag genomen). De commissie heeft kennis genomen van het aangifteformulier, dat zich in de archieven van JOKOS bevindt. Naar aanleiding hiervan heeft de Duitse Staat de familie Z. een schadevergoeding toegekend. Voorzover bekend is na de oorlog geen contact geweest tussen de familie Z. en de Stichting Nederlands Kunstbezit over de maccabeeënlamp of andere vermiste voorwerpen.

  4. Tijdens het onderzoek naar de geclaimde maccabeeënlamp is geen bronnenmateriaal aangetroffen waaruit af te leiden is dat de lamp aan het begin van de oorlog eigendom was van verzoeker. Ook is niet uit de bewaard gebleven documentatie op te maken of de geclaimde maccabeeënlamp tot het geroofde huisraad van het gezin Z. behoorde. Wel is bij raadpleging van de archieven van de Stichting Nederlands Kunstbezit komen vast te staan dat de maccabeeënlamp (NK 399) in ieder geval in 1943 in bezit is geweest van Jannetje Denijs, firmante van kunsthandel Denijs, gevestigd aan de Nieuwe Spiegelstraat te Amsterdam. Van deze kunsthandel is bekend dat deze zaken deed met de Duitsers. Het is niet bekend op welke datum en van wie Denijs de lamp had verworven. Denijs heeft de maccabeeënlamp eind 1943 verkocht aan een Duitse koper. Na de oorlog is de lamp op 14 april 1948 vanuit Düsseldorf naar Nederland gerecupereerd. Voor zover bekend zijn na de oorlog geen verzoeken ingediend tot teruggave van de maccabeeënlamp.

  5. Ingevolge het geldende rijksbeleid met betrekking tot de restitutie van cultuurgoederen kan tot teruggave worden geadviseerd indien in hoge mate aannemelijk is dat het geclaimde voorwerp oorspronkelijk eigendom was van verzoeker en indien er sprake is geweest van onvrijwillig bezitsverlies door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime. De commissie staat derhalve voor de vraag of zij in hoge mate aannemelijk acht dat de geclaimde maccabeeënlamp aan het begin van de oorlog toebehoorde aan verzoeker en door de bezetter tezamen met het overige huisraad van het gezin Z. in beslag is genomen.

  6. Aangaande de eigendomsvraag hecht de commissie grote betekenis aan de verklaring van verzoeker, waarin hij met stelligheid de lamp als de zijne heeft herkend. Zij merkt daarbij op dat verzoeker het voorwerp reeds bij zijn eerste bezoek aan de tentoonstelling in december 2006 heeft herkend als de chanoekia die hij ter gelegenheid van zijn Bar Mitswah als geschenk kreeg van zijn oom Barend Z.. De commissie merkt voorts op dat verzoeker sinds zijn eerste bezoek aan de tentoonstelling meermalen is teruggekomen om de lamp te bekijken en niet meer van mening is veranderd. Bovendien heeft een nader kunsthistorisch onderzoek dat de commissie heeft laten verrichten, uitgewezen dat de geclaimde lamp over een aantal specifieke kenmerken beschikt, die deze uniek in haar soort maken. De commissie heeft in september 2007 objectgegevens en detailfoto’s van de thans geclaimde lamp voorgelegd aan het Joods Historisch Museum en daarbij de vraag gesteld of het voorwerp een unicum betrof, dat wil zeggen een aan individuele kenmerken van het voorwerp te herkennen object. Daarop heeft het museum als volgt gereageerd:

    ‘De 18e eeuwse tinnen chanoekia is met de hand vervaardigd en heeft daarmee unieke kenmerken. Dit komt tot uitdrukking in de decoratieve graveringen rond het oog, op het vlak aan de voorzijde en rondom aan de bovenkant. Hoewel van dit type lamp er vele bestaan, ook in de collectie van het Joods Historisch Museum, zijn voorbeelden van lampen die exact het zelfde zijn onbekend. Op grond van de vorm en uitwerking kan deze lamp als een unicum volgens uw eigen definitie worden aangemerkt.’

    Gezien het voorgaande lijkt het de commissie in hoge mate aannemelijk dat de chanoekia die de verzoeker zich herinnert, de thans geclaimde maccabeeënlamp (NK 399) betreft. Zij merkt daarbij op dat het ontbreken van schriftelijk, objectief bewijs van eigenaarschap niet aan verzoeker behoort te worden tegengeworpen. Daarvoor verwijst zij allereerst naar haar algemene overweging onder c, waarin is aangegeven dat in verzoeken als het onderhavige het risico van door tijdsverloop ontstane bewijsproblemen, waarvan in dit geval sprake is, bij de overheid dient te liggen. Daarnaast acht de commissie de kans dat in de toekomst een tegenstrijdige claim wordt ingediend met betrekking tot deze maccabeeënlamp verwaarloosbaar klein. De herkomst van de kunstvoorwerpen, die op de tentoonstelling ‘Geroofd, maar van wie?’ zijn tentoongesteld, is immers door Bureau Herkomst Gezocht tevoren uitgebreid onderzocht, maar heeft geen voormalig eigenaar opgeleverd. Juist bij deze voorwerpen is daarom een beroep gedaan op de nog aanwezige kennis van het publiek. Het ligt dan ook in de rede dat aan herkenning van voorwerpen grote betekenis wordt gehecht.

  7. De commissie acht vervolgens alleszins aannemelijk dat de geclaimde lamp, tegelijk met het overige huisraad, in 1942 in beslag is genomen na deportatie van het echtpaar Z.-Verdoner en daarna, al dan niet rechtstreeks, aan kunsthandel Denijs is verkocht.

  8. De commissie concludeert dan ook dat aan de voorwaarden voor restitutie is voldaan. Van een in het verleden afgehandelde zaak is geen sprake, zodat er ook verder geen beletselen zijn voor toewijzing van het restitutieverzoek.

Conclusie

De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om de maccabeeënlamp (NK 399) te restitueren aan verzoeker B. Z.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 3 december 2007,

I.C. van der Vlies (vice-voorzitter)
J.Th.M. Bank
J.C.M. Leijten
P.J.N. van Os
E.J. van Straaten
H.M. Verrijn Stuart

-----------------------

[1] Tot 12 november 2007 luidden de algemene overwegingen c en e: c) De commissie heeft zich voorts afgevraagd op welke wijze moet worden omgegaan met het gegeven dat bepaalde feiten niet meer te achterhalen zijn, dat bepaalde gegevens verloren zijn gegaan of niet zijn teruggevonden of anderszins bewijzen niet meer zijn bij te brengen. De commissie is daaromtrent van mening dat, indien het tijdsverloop (mede) oorzaak is van de ontstane problemen, het risico daarvoor, behoudens onder bijzondere omstandigheden, behoort te liggen bij de overheid. e) Onder onvrijwillig bezitsverlies wordt ook verstaan verkopen zonder instemming van de kunsthandelaar door Verwalters of andere niet door de eigenaar aangestelde beheerders uit de onder hun beheer gestelde oude handelsvoorraad, voor zover de oorspronkelijke eigenaar of zijn erven niet het volledige profijt van de transactie heeft genoten of voor zover de eigenaar niet na de oorlog uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van rechten.