Larsen

NK2463 (Foto: RCE)

Advies inzake Larsen

Dossiernummer: 
1.70
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
1 juli 2009
Periode bezitsverlies: 
1940-1945
Oorspronkelijke eigenaar: 
Particulier
Plaats bezitsverlies: 
In Nederland

Bij brief van 10 april 2007 heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) een restitutieverzoek terzake van twaalf kunstwerken aan de commissie ter advisering voorgelegd. Het gaat om schilderijen van onder meer Jan van Goyen, Nicolaes Berchem en Thomas de Keyser, die na de Tweede Wereldoorlog uit Duitsland naar Nederland zijn gerecupereerd en deel zijn gaan uitmaken van de Nederlands Kunstbezit-collectie (hierna: NK-collectie). Het betreft werken met NK-inventarisnummers NK 1410, NK 1412, NK 1414, NK 1417, NK 1420, NK 1424, NK 1428, NK 1441, NK 1447, NK 1451, NK 2243 en NK 2463. De geclaimde kunstwerken bevinden zich momenteel in het depot van het Instituut Collectie Nederland (ICN) en bij diverse museale instellingen in Nederland.

DE PROCEDURE

Bij brief van 12 maart 2007 dienden AA, BB, CC, DD, EE en FF, allen woonachtig in de Verenigde Staten, een verzoek in bij de minister tot teruggave van twaalf schilderijen, die zouden hebben behoord tot de verzameling van Hans Ludwig Larsen. De aanleiding voor het restitutieverzoek vormde een mededeling van het Bureau Herkomst Gezocht (BHG) aan onder andere AA in 2007 over de in de NK-collectie aangetroffen schilderijen uit de collectie van haar grootvader Hans Ludwig Larsen (hierna ook: Larsen).
In het kader van het aan haar voorgelegde adviesverzoek heeft de commissie een onderzoek uitgevoerd naar de feiten, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een conceptonderzoeksrapport van 25 juni 2007. Dit conceptonderzoeksrapport is op 5 november 2007 ter commentaar toegezonden aan AA. AA heeft bij brief van 25 april 2008 gesteld vanaf dat moment alleen nog op te treden voor zichzelf, BB, CC en DD (en dus niet langer voor EE en FF). Hierna heeft de commissie afzonderlijk gecorrespondeerd met EE en FF, welke laatste per e-mail van 9 juni 2008 te kennen heeft gegeven zich terug te willen trekken als verzoeker.

Bij de zojuist genoemde brief van 25 april 2008 heeft AA mede namens BB, CC en DD. gereageerd op het conceptonderzoeksrapport, waarbij zij tevens aanvullende documentatie heeft verstrekt. EE heeft bij brief van 16 juni 2008 informatie over zijn erfrechtelijke positie verschaft (zie nader overweging 1). De door verzoekers aangeleverde gegevens en documentatie alsmede het resultaat van aanvullend onderzoek van de commissie zijn verwerkt in het onderzoeksrapport, dat is vastgesteld op 1 juli 2009. Voor de feiten in deze zaak verwijst de commissie naar dit onderzoeksrapport.
Het object NK 2463 heeft tevens onderdeel uitgemaakt van een restitutieverzoek betreffende de kunsthandel Firma D. Katz te Dieren (RC 1.90-A). De commissie heeft advisering in de onderhavige zaak moeten aanhouden totdat ook in de andere zaak onderzoek naar NK 2463 was verricht. Verzoekers zijn over deze punten geïnformeerd in het conceptonderzoeksrapport en bij brief van 28 oktober 2008. De commissie heeft na het onderzoek de claim op NK 2463 inzake de kunsthandel Firma D. Katz afgewezen. Voor het oordeel in die zaak verwijst de commissie naar de tekst van het advies in RC 1.90-A. Het object NK 2463 zal derhalve in het onderhavige advies worden betrokken.

OVERWEGINGEN

  1. Verzoekers vragen teruggave van twaalf schilderijen die afkomstig zouden zijn uit de kunstverzameling van Larsen. Hans Ludwig Larsen (1892-1937) was gehuwd met Susanne Menzel (1911-2001). Het echtpaar had twee kinderen, Harald Eduard (1933-1987) en Ingrid Louise (1935-1985). Verzoekers AA, BB, CC en DD hebben gesteld kleinkinderen van Larsen te zijn. Op basis van verklaringen en erfrechtelijke stukken ziet de commissie geen aanleiding om te twijfelen aan hun status als erfgenamen van Larsen. Verzoeker EE heeft gesteld een stiefzoon van de dochter van Larsen te zijn. De commissie merkt in dit verband op dat de door EE verstrekte gegevens er niet op wijzen dat hij een erfgenaam van Larsen is.

  2. De relevante feiten zijn beschreven in het onderzoeksrapport van 1 juli 2009. Hier wordt volstaan met de volgende samenvatting. Larsen en zijn echtgenote waren beiden joods en waren afkomstig uit respectievelijk Duitsland en Oostenrijk. Het echtpaar Larsen woonde in elk geval vanaf 1930 in Nederland. Larsen was eigenaar van een onderneming in chemicaliën genaamd Wijnhoff, Van Gulpen & Larsen N.V., afgekort tot Wijgula, en bezat privé een kunstcollectie. In 1937 overleed Larsen. In zijn testament van 16 maart 1937 heeft Larsen zijn kinderen benoemd tot zijn erfgenamen, zulks onder de last van het vruchtgebruik van een/derde gedeelte van het erfdeel van ieder kind, welk vruchtgebruik hij aan zijn echtgenote Susanne Menzel (hierna: Menzel) legateerde. Voorts heeft Larsen bij gemeld testament de heren mr. GG., mr. HH. (overleden in 1944, in 1945 opgevolgd door mr. II), mr. JJ, dr. KK en LL benoemd tot executeur testamentair (hierna: executeurs). Menzel en haar kinderen verkregen in 1939 de Nederlandse nationaliteit. In datzelfde jaar vertrok het gezin naar de Verenigde Staten vanwege de dreiging die uitging van het naziregime in Duitsland. Voorafgaand aan het vertrek gaf Menzel eenendertig schilderijen en een beeldhouwwerk uit de nalatenschap in bruikleen aan Museum De Lakenhal te Leiden (hierna: De Lakenhal). Hieronder bevonden zich de twaalf thans door verzoekers geclaimde schilderijen.

  3. De documentatie over de eigendom en het bezitsverlies van de betreffende schilderijen is volledig. De commissie merkt de identificatie van de geclaimde kunstwerken aan als sluitend. De in Nederland achtergebleven delen van de nalatenschap van Larsen, waaronder de bruiklenen aan De Lakenhal, werden na de Duitse inval door de bezettingsautoriteiten aangemerkt als vijandelijk vermogen, waarna zij onder beheer werden geplaatst van een door de Duitsers aangestelde Verwalter, M.H.H. Franssen. Deze Verwalter liet eind 1942 de bruiklenen uit de nalatenschap van Larsen bij De Lakenhal weghalen om ze in het openbaar te laten veilen. Voordat de veiling plaatsvond, werden op 14 januari 1943 twaalf kunstwerken onderhands aangekocht door een inkoper van Adolf Hitler, dr. E. Göpel. De verkoopprijs voor deze twaalf schilderijen was aanvankelijk gelijk aan de getaxeerde waarde, NLG 126.500, maar werd naderhand eenzijdig door de bezetter verlaagd tot NLG 75.000. De andere kunstwerken kwamen op 25 januari 1943 onder de hamer. Van de thans geclaimde schilderijen vallen negen kunstwerken in de groep die door Hitler werd gekocht en drie kunstwerken in de groep die verkocht is op de veiling. Voor deze laatste drie kunstwerken hebben de kopers, afgaande op een geannoteerde veilingcatalogus van 25 januari 1943, in totaal NLG 17.275 betaald (NLG 8.500 voor NK 1447, NLG 7.800 voor NK 1451 en NLG 975 voor NK 2243). In de onderzoeksgegevens staan geen valuta vermeld, maar de commissie acht het zeer waarschijnlijk dat het bij alle hier genoemde bedragen om guldens gaat.

  4. Voor de vraag of de commissie tot restitutie kan adviseren, is van belang of het bezitsverlies van de geclaimde schilderijen onvrijwillig was, als gevolg van omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime. De commissie constateert dat de kunstwerken uit de macht van de executeurs zijn gehaald door ze onder beheer van een door de Duitsers aangestelde Verwalter te plaatsen. Deze Verwalter liet de kunstwerken vervolgens veilen, waarbij echter een deel van deze kunstwerken nog voor de veiling in opdracht van Hitler werd aangekocht tegen een koopprijs onder de taxatiewaarde. De commissie merkt deze gang van zaken aan als onvrijwillig bezitsverlies.

  5. Zowel de opbrengst van de verkoop aan Hitler als van de geveilde werken werd door de Verwalter toegevoegd aan het door hem beheerde vermogen van Larsen. De Verwalter heeft na de oorlog over dit beheerde vermogen het volgende verklaard:

    Vermogen LARSEN was groot ongeveer 1.600.000 gulden, het heeft onder mijn beheer een belangrijke aanwas ondergaan. Ik heb het vermogen tot aan de bevrijding onder mijn beheer gehouden en dit niet aan de Treuhand overgedragen. (...) Alle belanghebbenden hebben hun vermogen met aanwas en renten terugontvangen.

    Het dagelijkse beheer delegeerde de Verwalter tijdens de oorlog aan kantoor H.J. Vooren te Den Haag. Over dit beheer is in een naoorlogse rapportage, waarschijnlijk van de Politieke Recherche Afdeling ’s-Gravenhage, het volgende vermeld:

    Niet afgewikkeld is het beheer over het (..) privé-vermogen van H.L. Larsen, dat plusminus f 1.600.000,-- groot was. De afwikkeling daarvan werd opzettelijk tegengegaan door het kantoor H.J. Vooren, Korte Vijverberg 2A, ’s-Gravenhage, waar dit vermogen, ook gedurende het beheer van Franssen, in administratie was. Zodoende kon worden verhinderd, dat dit aanzienlijk vermogen in Duitse handen kwam.

  6. Een boekhouding van de executeurs van de nalatenschap, waaruit de ontvangst en de hoogte van de verkoopopbrengsten zouden kunnen blijken, heeft de commissie tijdens haar onderzoek niet aangetroffen, maar wel correspondentie van de executeurs waaruit die informatie is af te leiden. Na de oorlog hebben de executeurs namelijk tegenover de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK) verklaard dat het tijdens de oorlog ontvangen bedrag terzake van de kunstwerken bewaard was gebleven en niet in handen van de Duitsers was geraakt. In een brief aan de SNK van 28 december 1946 schreven de executeurs het volgende:

    De desbetreffende gelden zijn door een toevallige omstandigheid gered, zoodat wij in dit geval niet behoeven te volstaan met een cessie van vorderingen op het een of andere roofinstituut der Duitsche bezetting.

    In deze brief noemden de executeurs bedragen die corresponderen met de in overweging 3 vermelde verkoopopbrengsten. Zij schreven hierover ondermeer het volgende:

    Ontvangen van het Rijkscommissariaat voor de Dr. Goepel overgenomen schilderijen (..) f 75.000,-- (..). Opbrengst in de veiling (..) N. Berchem (..) f 8.500,-- (..) Vermeer van Haarlem (..) f 3.400,--.

    De werken die zij aanduidden als ‘N. Berchem’ en ‘Vermeer van Haarlem’ komen overeen met respectievelijk het huidige NK 1447 en NK 1451. Het betreft twee van de drie thans geclaimde kunstwerken die deel uitmaakten van de veiling in 1943. Het huidige NK 2243 was toen nog buiten beeld en is pas veel later geïdentificeerd als voormalig bezit van Larsen. De executeurs noteerden in hun brief bij de ‘Vermeer van Haarlem’ een lagere opbrengst dan het verkoopbedrag dat in de geannoteerde veilingcatalogus van 1943 is vermeld (NLG 3.400 in plaats van NLG 7.800). De reden hiervoor is onbekend. Verder namen zij in verband met de twee geveilde werken een post veilingkosten op ter grootte van NLG 1.844,50 (15,5 %) alsmede een post taxatiekosten, waarschijnlijk in verband met diezelfde veiling, ter grootte van NLG 2.070.

  7. De commissie is er onder verwijzing naar de overwegingen 3, 5 en 6 in samenhang van overtuigd geraakt, dat de executeurs na de oorlog de verkoopopbrengsten terzake van de twaalf thans geclaimde kunstwerken hebben ontvangen ten bate van de nalatenschap van Larsen.

  8. De executeurs streefden er blijkens aan de commissie beschikbare correspondentie na de oorlog aanvankelijk naar weer in het bezit te worden gesteld van de uit Duitsland gerecupereerde kunstwerken uit het voormalige bezit van Larsen. Het betrof hierbij elf van de twaalf thans geclaimde kunstwerken (het huidige NK 2243 is pas recentelijk geïdentificeerd als voormalig bezit van Larsen). Over deze elf kunstwerken hadden de executeurs in de jaren 1945-1947 meermaals contact met de SNK. In de in overweging 6 genoemde brief van 28 december 1946 verklaarden de executeurs tegenover de SNK het volgende:

    Al deze schilderijen waren bekend als te behooren tot een z.g. Joodsche verzameling, en zijn door Uw goede zorgen, waarvoor wij U uiterst dankbaar zijn, uit Duitschland teruggebracht. Wij verzoeken in onze rechten tegenover deze schilderijen te worden hersteld onder aanbod onzerzijds om terug te betalen aan den rechthebbende al hetgeen aan de boedel voor deze schilderijen is ten goede gekomen.

    De SNK verklaarde zich in antwoord op deze brief bereid om de gerecupereerde werken die in de nalatenschap van Larsen vielen aan de executeurs over te dragen, tegen betaling van de opbrengsten terzake van de in opdracht van Hitler gekochte werken en de twee ter veiling verkochte werken, vermeerderd met de kosten voor recuperatie en beheer. De door de executeurs opgevoerde taxatiekosten die (waarschijnlijk) in verband stonden met de veiling in 1943, mochten van de SNK niet in aftrek worden gebracht. De executeurs lieten de betreffende kunstwerken vervolgens taxeren, in 1947, waarna zij de SNK bij brief van 23 juli 1947 mededeelden bij nader inzien niet in te willen gaan op het aan hen gedane aanbod:

    Executeurs in de nalatenschap Larsen zijn na herhaalde overweging tot de slotsom gekomen, dat zij beter doen te berusten in de plaats gehad hebbende vervreemding der schilderijen en derhalve af te zien van rechtsherstel.

    In 1949 stuurde de SNK een volgende brief waarin de executeurs om informatie werd gevraagd over één van de schilderijen die hadden toebehoord aan Larsen, het huidige NK 2463. Hierop antwoordden de executeurs dat zij al eerder hadden laten weten dat zij

    van rechtsherstel inzake de verschillende schilderijen, die wij oorspronkelijk gereclameerd hadden (..), afzagen.

    De SNK voorzag die brief daarna van het stempel: ‘Vroeg. eigen. claimt niet.’

  9. Larsens erfgenamen, zijn zoon en dochter, woonden sinds 1939 met hun moeder, Susanne Menzel (Larsens weduwe), in de Verenigde Staten. Susanne Menzel hertrouwde aldaar met Frank Brower (hierna: Brower). Na de oorlog zijn Menzel en Brower in Nederland geweest om zich met de afwikkeling van de nalatenschap van Larsen bezig te houden. Een door verzoekers toegestuurd rapport (‘Larsen Family Account’) bevat over de inspanningen van Menzel en Brower de volgende passage:

    Together they embarked on a long effort to regain control of the Larsen estate. Old correspondence left by Frank [Brower] indicates that by 1948 he was able to restore control over the shipping business and subsequently began working to energize and stabilize the business. According to Frank, who was fluent in Dutch, the Executors did not manage the business properly, and it took him many years of hands-on effort to stabilize the business and to arrange for its sale around 1956.

    Volgens verzoekers is de nalatenschap van Larsen mogelijk medio 1956 afgewikkeld. Naar de commissie veronderstelt houdt dit jaartal mogelijk verband met het feit dat de kinderen van Larsen toen de meerderjarigheid hadden bereikt.

  10. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van verzoekers overweegt de commissie het volgende. Verzoekers hebben in hun brief van 25 april 2008 gesteld over de executeur die mede namens de andere executeurs met de SNK correspondeerde, dat ‘that the executor, Mr. JJ, was not authorized to make decisions on restitution efforts in 1945-1947’. Volgens verzoekers zijn de erven na de oorlog in het geheel niet gekend in de beslissing van de executeurs om af te zien van de mogelijkheid van terugkoop van kunstwerken. Zoals verzoekers hebben verklaard in hun brief van 25 april 2008:

    No evidence has been discovered of any JJ's prior consultation either with the HH's, or with the Larsen heirs, before writing to the SNK in July 1947 to abandon restitution efforts.

    Ook de commissie heeft in de beschikbare correspondentie uit die tijd geen aanwijzingen aangetroffen van betrokkenheid van de familie bij de beslissing van de executeurs. Het is mogelijk dat het eerder genoemde contact dat Menzel en Brower na de oorlog met de executeurs hebben gehad, zich heeft toegespitst op de onderneming van Larsen.

  11. De commissie overweegt dat het afzien van teruggave tegen het betalen van de in de oorlog ontvangen koopprijs zakelijk gezien voor de executeurs een weloverwogen keuze kan zijn geweest, maar dat het zeer wel mogelijk is dat de erfgenamen (of, gezien hun minderjarigheid, hun wettelijk vertegenwoordiger(s)) een ander besluit zouden hebben genomen vanwege een emotionele band met de schilderijen uit de collectie van wijlen hun vader. De commissie overweegt dat naar de huidige maatstaven de erfgenamen gekend hadden moeten worden in de beslissing afstand te doen van de kunstwerken. De commissie is daarom van oordeel dat de keuze van de executeurs ten aanzien van elf van de twaalf thans geclaimde schilderijen niet in de weg staat aan het huidige restitutieverzoek. Het twaalfde thans geclaimde schilderij, het huidige NK 2243, is pas recentelijk geïdentificeerd als voormalig bezit van Larsen en er zijn geen aanwijzingen dat er met betrekking tot dit werk contact is geweest tussen de SNK en de executeurs. Onder verwijzing naar de eerste aanbeveling van de Commissie Ekkart inzake particulier kunstbezit oordeelt de commissie dan ook dat ten aanzien van geen van de thans geclaimde kunstwerken sprake is van een in het verleden afgehandelde zaak. Zij acht verzoekers derhalve ontvankelijk in hun verzoek.

  12. De commissie bespreekt nog de vraag of tegenover restitutie van de geclaimde werken een betalingsverplichting moet worden gesteld in verband met de destijds ontvangen verkoopopbrengsten. Hiervoor verwijst de commissie naar de vierde aanbeveling van de Commissie Ekkart van april 2001, die bepaalt dat een verplichting tot terugbetaling van tijdens de oorlog ontvangen opbrengsten alleen in het geding dient te worden gebracht indien en voor zover de toenmalige verkoper of zijn erven die opbrengsten daadwerkelijk ter vrije beschikking hebben gekregen. Verzoekers hebben bij brief van 25 april 2008 verklaard dat de opbrengst van de verkochte werken de familie in de Verenigde Staten niet bereikt heeft. Zoals gemeld in overweging 7 heeft het onderzoek uitgewezen dat de verkoopopbrengsten na de oorlog in de macht zijn gekomen van de executeurs van Larsens nalatenschap.

  13. De commissie is van oordeel dat met de ontvangst van het bedrag door de executeurs, die door Larsen bij testament zijn aangewezen, de verkoopopbrengst in het vermogen van de erfgenamen is gevallen en dat de conclusie derhalve moet luiden dat rechthebbenden de verkoopopbrengst ter vrije beschikking hebben gekregen. Wat zich na de oorlog met betrekking tot de afwikkeling van Larsens nalatenschap heeft afgespeeld acht de commissie een aangelegenheid die buiten het beleidskader van de commissie valt. Het verweer van verzoekers dat de verkoopopbrengst de familie in de Verenigde Staten niet zou hebben bereikt, kan alleen daarom al niet slagen. Om deze redenen is de commissie van oordeel dat tegenover teruggave van de thans geclaimde kunstwerken terugbetaling van de verkoopopbrengst gerechtvaardigd is.

  14. Deze terugbetaling dient in principe te bestaan uit de destijds ontvangen verkoopprijzen, geïndexeerd conform het algemene prijsindexcijfer. Aangezien de hoogte van de verkoopbedragen niet meer in alle gevallen is te achterhalen, zal de terugbetaling in die gevallen bestaan uit de in verband met de veiling in 1943 opgemaakte taxatiewaarden, geïndexeerd conform het algemene prijsindexcijfer. Afgaande op de taxatie- en verkoopbedragen terzake van de twaalf thans geclaimde kunstwerken in 1943, en rekening houdend met het niet betaalde deel van de koopprijs bij de transactie met Göpel en met de waarschijnlijk gemaakte taxatie- en veilingkosten in 1943, is in totaal NLG 66.768,25 ten bate van het vermogen van Larsen gekomen. Indexatie met behulp van het algemene prijsindexcijfer voert tot een bedrag van afgerond EUR 325.000, welk bedrag door de commissie in haar conclusie zal worden aangehouden.[1] Hierop zijn de slotaanbevelingen 7 en 8 van de Commissie Ekkart van 14 december 2004 van toepassing.

CONCLUSIE

De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het restitutieverzoek van verzoekers toe te wijzen en de kunstwerken NK 1410, NK 1412, NK 1414, NK 1417, NK 1420, NK 1424, NK 1428, NK 1441, NK 1447, NK 1451, NK 2243 en NK 2463 terug te geven aan de rechthebbenden op de genoemde kunstwerken.

Daarnaast adviseert de Restitutiecommissie de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om tegenover de teruggave een verplichting tot betaling te plaatsen in de hoogte van EUR 325.000.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 1 juli 2009 door W.J.M. Davids (voorzitter), J.Th.M. Bank, J.C.M. Leijten, P.J.N. van Os, E.J. van Straaten, H.M. Verrijn Stuart, I.C. van der Vlies (vice-voorzitter) en ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

(W.J.M. Davids, voorzitter)    (E. Campfens, secretaris)

-----------------------

[1] De berekening is als volgt (onder verwijzing naar de overwegingen 3, 6 en 8). In totaal was de taxatiewaarde terzake van de vóór de veiling in 1943 in opdracht van Hitler verkochte werken NLG 126.500. Deze prijs werd na de koop door de koper eenzijdig verlaagd tot NLG 75.000, zodat door de koper uiteindelijk 59,29 % (75.000/126.500) van de taxatiewaarden werd betaald. Van de thans geclaimde werken vallen er 9 in deze groep. Een optelling van de individuele taxatiewaarden voor deze 9 werken voert tot het bedrag van NLG 97.500, waarvan bij de verkoop in opdracht van Hitler volgens de berekening van zojuist 59,29 % is ontvangen: NLG 57.807,75 (NLG 97.500 x 59,29 %). Van de 3 resterende werken in de claim zijn uit de geannoteerde veilingcatalogus van 1943 de (waarschijnlijke) individuele verkoopbedragen bekend: NLG 8.500, NLG 3.400 – hier wordt het door de executeurs genoemde (lagere) bedrag aangehouden – en NLG 975, in totaal NLG 12.875. De opbrengsten van de verkoop aan Hitler en de veiling samengenomen resulteren in een ten bate van het vermogen van Larsen gekomen bedrag van NLG 70.682,75 in 1943. Dit bedrag ziet op de 12 thans geclaimde kunstwerken. De commissie vermindert het gevonden bedrag met de veilingkosten van NLG 1.844,50 en de taxatiekosten van NLG 2.070, die waarschijnlijk in verband met de veiling in 1943 werden gemaakt en die de uiteindelijke opbrengst zullen hebben gedrukt. Het bedrag dat uiteindelijk zal zijn ontvangen terzake van de verkopen wordt aldus vastgesteld op NLG 66.768,25. Indexatie van NLG 66.768,25 in 1943 voert tot een bedrag van EUR 324.795,75. Voor deze indexatie is gebruik gemaakt van de reeks consumentenprijsindexcijfers 1900 = 100; 1940 = 153; 1950 = 312; 2008 = 2.493, zoals op 29 april 2009 verkregen van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). De uit deze cijfers afgeleide vermenigvuldigingsfactor is 10,72 (2.493/232,50, waarbij 232,50 is aangehouden als het gemiddelde prijsindexcijfer voor de jaren 1940-1950). Het bijbehorende indexatiebedrag is NLG 715.755,64, wat bij een koers van EUR 1 = NLG 2,20371 correspondeert met EUR 324.795,75.


Relevante persberichten: 
Gerelateerde adviezen: