Dotsch

Vissers op het strand van J.H.B. Koekkoek (NK 2064)

Advies inzake Dotsch

Dossiernummer: 
1.72
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
3 juli 2008

Bij brief van 10 april 2007 verzocht de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) de Restitutiecommissie om advies over de te nemen beslissing op het verzoek van 24 maart 2007 van N.S.-D. en R.S.D. (hierna: verzoekers) tot teruggave van het schilderij Vissers op het strand van J.H.B. Koekkoek (voormalige toeschrijving B.C. Koekkoek). Het geclaimde object maakt onder inventarisnummer NK 2064 deel uit van de Nederlands Kunstbezitcollectie (hierna: NK-collectie). Volgens gegevens van het Instituut Collectie Nederland bevindt het geclaimde kunstwerk zich thans als bruikleen bij het Institut Néerlandais te Parijs.

De procedure

De aanleiding voor het restitutieverzoek vormde de tentoonstelling Geroofd, maar van wie? in de Hollandsche Schouwburg te Amsterdam. Verzoekers hebben gesteld dat zij het onderhavige schilderij daar in een digitale databank herkenden als een werk dat tijdens de Tweede Wereldoorlog mogelijk heeft toebehoord aan hun grootvader Simon Dotsch. Naar aanleiding van de adviesaanvraag heeft de commissie een onderzoek naar de feiten uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een conceptonderzoeksrapport van 6 mei 2008. Het conceptonderzoeksrapport is bij brief van 15 mei 2008 voor commentaar toegestuurd aan verzoekers, waarbij verzoekers is gevraagd in hun commentaar rekening te houden met de problemen rond de identificatie van het geclaimde werk. Hierop hebben verzoekers niet gereageerd. Op dezelfde datum is het conceptonderzoeksrapport voor feitelijke aanvulling voorgelegd aan de Minister van OCW. Het rapport is vervolgens vastgesteld op 3 juli 2008. Voor de feiten in deze zaak verwijst de commissie naar het onderzoeksrapport, dat geacht wordt deel uit te maken van dit advies.

Algemene overwegingen

a) De commissie laat zich bij haar advisering leiden door de beleidslijnen terzake van de Commissie Ekkart als overgenomen door de regering.

b) De commissie heeft zich de vraag gesteld of een uit te brengen advies invloed mag ondervinden van mogelijke consequenties in latere zaken. De commissie beantwoordt die vraag, behoudens onder bijzondere omstandigheden ontkennend omdat een dergelijke invloed bezwaarlijk kan worden tegengeworpen aan de betrokken verzoeker.

c) De commissie heeft zich voorts afgevraagd op welke wijze moet worden omgegaan met het gegeven dat bepaalde feiten niet meer te achterhalen zijn, dat bepaalde gegevens verloren zijn gegaan of niet zijn teruggevonden of anderszins bewijzen niet meer zijn bij te brengen. De commissie is daaromtrent van mening dat, indien het tijdsverloop (mede) oorzaak is van de ontstane problemen, het risico daarvoor, indien het betreft particulier kunstbezit, behoudens onder bijzondere omstandigheden, behoort te liggen bij de overheid.

d) De commissie is van mening dat inzichten en omstandigheden die naar algemene maatschappelijke opvattingen sinds de Tweede Wereldoorlog klaarblijkelijk zijn veranderd, gelijk mogen worden gesteld aan nova (nieuwe feiten).

e) Onvrijwillig bezitsverlies is in hoge mate waarschijnlijk indien is verkocht zonder instemming van de kunsthandelaar door Verwalters of andere niet door de eigenaar aangestelde beheerders uit de onder hun beheer gestelde oude handelsvoorraad, voor zover de oorspronkelijke eigenaar of zijn erven niet het volledige profijt van de transactie heeft genoten of voor zover de eigenaar niet na de oorlog uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van rechten.

Toelichting met betrekking tot de algemene overwegingen c en e[1]

In lijn met de aanbevelingen inzake de kunsthandel en de toelichting daarop is de commissie tot het oordeel gekomen dat overweging c uitsluitend dient te gelden voor particulier kunstbezit. In diezelfde lijn heeft een aanpassing plaatsgevonden in overweging e en heeft voorts in verband met deze overweging te gelden dat uitsluitend objecten die zich daadwerkelijk in de oude handelsvoorraad hebben bevonden, voor restitutie in aanmerking kunnen komen.

Bijzondere overwegingen:

  1. Verzoekers vragen teruggave van het schilderij Vissers op het strand (NK 2064) van J.H.B. Koekkoek (voormalige toeschrijving B.C. Koekkoek). Verzoekers hebben gesteld de kinderen en erfgenamen te zijn van Bernard David Dotsch (1917-2006), zoon van Simon Dotsch (1890-1943). In dit kader heeft de commissie kennisgenomen van enkele erfrechtelijke stukken. Volgens verzoekers heeft hun grootvader Simon Dotsch het onderhavige schilderij tijdens de oorlog onvrijwillig verloren.

  2. De relevante feiten zijn in het onderzoeksrapport van 3 juli 2008 beschreven. Hier wordt volstaan met de volgende samenvatting. Simon Dotsch, volgens verzoekers voormalig eigenaar van het thans geclaimde werk, was bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in derde echt gehuwd met Bertha van Minden. Het echtpaar woonde met de kinderen uit Dotsch’ eerste huwelijk, Bernard David Dotsch en Carla Dotsch, aan de Zuider Amstellaan 197-hs te Amsterdam. Uit een door verzoekers overgelegd document, geschreven door hun vader Bernard David Dotsch, blijkt dat het gezin Dotsch in augustus 1942 door de Duitsers werd opgepakt. Omdat Simon Dotsch op dat moment nog door de bezetter als onmisbaar werd aangemerkt mocht hij met zijn echtgenote voorlopig naar huis, evenals zoon Bernard David, die over een zogenaamde Ausweis beschikte. Dochter Carla werd echter op transport gesteld en kwam in september 1942 in Auschwitz om het leven. Het echtpaar Dotsch en Bernard David Dotsch doken onder. De echtelieden Dotsch werden verraden, gearresteerd en vervolgens gedeporteerd naar Auschwitz, waar zij op 27 augustus 1943 om het leven kwamen. Bernard David Dotsch overleefde via verschillende onderduikadressen als enige van het gezin de oorlog. Na de bevrijding keerde hij terug naar Amsterdam.

  3. Uit de door verzoekers overgelegde documentatie blijkt dat Bernard David Dotsch op 30 juni 1986 aanspraak heeft gemaakt op een schilderij in beheer bij de Oostenrijkse staat. Deze claim betrof een werk van de zogenaamde Mauerbach-lijst. Deze lijst bevatte enkele honderden kunstwerken die in 1945 door de geallieerden onbeheerd op Oostenrijks grondgebied werden aangetroffen en waarvan de Oostenrijkse staat de eigenaren trachtte te achterhalen. De omschrijving van het schilderij op de Mauerbach-lijst luidde: ‘Koekoek Gestrandetes Schiff in der Brandung Öl/Lwd. 58,5x38 sign.’. In een brief van Bernard David Dotsch aan de Oostenrijkse autoriteiten van 11 augustus 1986, beschreef hij het door hem geclaimde werk als volgt: (…) ein Ölgemälde des Mahlers Koekoek (JH. Oder H.) Abmessung 58,5 x 50cm, darstellend “ein gestrandetes Schiff in der Brandung”. Ter onderbouwing van zijn verzoek sloot hij drie getuigenverklaringen bij van personen die zich het schilderij uit het ouderlijk huis van Dotsch konden herinneren. In deze verklaringen wordt het schilderij door de drie getuigen omschreven. Cato Ringeling-Parfumeur omschreef het schilderij als volgt: Es stellte ein Seestück vor, mit einem Schiff auf den Wellen. Salomon Louis Rubens omschreef het werk als: eine Seeansicht mit einem sich im not befindlichen Schiff darstellend. M.J. Tafelkruijer omschreef het schilderij als een Seestück. De claim werd door de Oostenrijkse autoriteiten afgewezen, omdat sprake was van tegenstrijdige aanspraken op hetzelfde schilderij.

  4. De commissie stelt vast dat de omschrijvingen die Bernard David Dotsch en de drie getuigen gaven van het schilderij dat tijdens de oorlog door Simon Dotsch is verloren, niet overeenkomen met het thans geclaimde werk. NK 2064 betreft een voorstelling van een zandpad tussen laag duin met strand op de achtergrond, met rechts een op het land getrokken vissersbootje, links een schuur en in het midden paarden etend uit een voerbak en enige personen. Er is geen sprake van een schip in de branding, of een schip dat in nood verkeert. Bovendien is de zee of de branding, die in alle bovengenoemde verklaringen wordt genoemd, op de afbeelding van NK 2064 alleen op de achtergrond aan de horizon deels zichtbaar. De commissie concludeert daarnaast dat een aantal bepalende elementen van de afbeelding van NK 2064 ontbreken in de verklaringen die Bernard David Dotsch aan de Oostenrijkse regering zond. Het betreft de paarden, personen en de kleine schuur die in de voorstelling van NK 2064 prominent aanwezig zijn.

  5. Met betrekking tot de herkomst van het thans geclaimde schilderij zijn weinig gegevens bekend. Bij onderzoek door Bureau Herkomst Gezocht (hierna: BHG) en de commissie zijn geen archiefstukken aangetroffen waaruit kan worden afgeleid wie NK 2064 bij aanvang van de Tweede Wereldoorlog in eigendom had. Ook is niet bekend geworden waar het schilderij zich op enig moment vóór 10 mei 1940 bevond. Uit de herkomstconclusie van BHG en de geraadpleegde archiefstukken kan alleen worden afgeleid dat NK 2064 op een onbekend moment tijdens de Tweede Wereldoorlog door de Duitse kunsthandel G. Paffrath te Düsseldorf werd gekocht bij veilinghuis Fredrik Muller & Co te Amsterdam. Aanwijzingen waaruit zou kunnen worden afgeleid dat het thans geclaimde werk van Koekkoek (NK 2064) eigendom is geweest van Simon Dotsch ontbreken. Verzoekers hebben de commissie evenmin van nadere informatie kunnen voorzien.

  6. Op grond van het geldende restitutiebeleid, zoals vervat in de achtste aanbeveling van de Commissie Ekkart van april 2001, komt een kunstwerk voor restitutie in aanmerking indien het eigendomsrecht in hoge mate aannemelijk is gemaakt en er geen aanwijzingen zijn die dit tegenspreken.

  7. De commissie acht het op basis van de hiervoor samengevatte onderzoeksgegevens niet in hoge mate aannemelijk dat NK 2064 eigendom is geweest van Simon Dotsch.

Conclusie

De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om het restitutieverzoek van het schilderij Vissers op het strand van J.H.B. Koekkoek (NK 2064) af te wijzen.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 3 juli 2008 door R. Herrmann (voorzitter), J.Th.M. Bank, J.C.M. Leijten, P.J.N. van Os, E.J. van Straaten, H.M. Verrijn Stuart, I.C. van der Vlies (vice-voorzitter), en ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

(R. Herrmann, voorzitter) (E. Campfens, secretaris)

-----------------------

[1] Tot 12 november 2007 luidden de algemene overwegingen c en e: c) De commissie heeft zich voorts afgevraagd op welke wijze moet worden omgegaan met het gegeven dat bepaalde feiten niet meer te achterhalen zijn, dat bepaalde gegevens verloren zijn gegaan of niet zijn teruggevonden of anderszins bewijzen niet meer zijn bij te brengen. De commissie is daaromtrent van mening dat, indien het tijdsverloop (mede) oorzaak is van de ontstane problemen, het risico daarvoor, behoudens onder bijzondere omstandigheden, behoort te liggen bij de overheid. e) Onder onvrijwillig bezitsverlies wordt ook verstaan verkopen zonder instemming van de kunsthandelaar door Verwalters of andere niet door de eigenaar aangestelde beheerders uit de onder hun beheer gestelde oude handelsvoorraad, voor zover de oorspronkelijke eigenaar of zijn erven niet het volledige profijt van de transactie heeft genoten of voor zover de eigenaar niet na de oorlog uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van rechten.