Von Podwinetz

NK 1808 (foto: RCE)

Advies inzake Von Podwinetz

Dossiernummer: 
1.73
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
2 juni 2008
Oorspronkelijke eigenaar: 
Particulier

Bij brief van 10 april 2007 verzocht de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) de Restitutiecommissie om advies over de te nemen beslissing op het verzoek van 9 maart 2007 van U.W.-S. (hierna: verzoekster), tot teruggave van het schilderij Stalinterieur met boerenfamilie van A. van Ostade. Het geclaimde object maakt onder inventarisnummer NK 1808 deel uit van de Nederlands Kunstbezitcollectie (hierna: NK-collectie). Volgens gegevens van het Instituut Collectie Nederland (hierna: ICN) bevindt het geclaimde kunstwerk zich thans in depot bij het ICN in Rijswijk.

De procedure

De aanleiding voor het restitutieverzoek vormde de publicatie van het thans geclaimde werk op de website van Bureau Herkomst Gezocht (hierna: BHG), waarbij de herkomstnaam ‘Podwinetz, Parijs’ staat vermeld. Volgens verzoekster heeft het schilderij toebehoord aan haar oudoom F.H. von Podwinetz. Naar aanleiding van de adviesaanvraag heeft de commissie een onderzoek naar de feiten uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een conceptonderzoeksrapport van 7 april 2008. Het conceptonderzoeksrapport is bij brief van 25 april 2008 voor feitelijke aanvulling toegestuurd aan de minister. Op diezelfde datum is het conceptonderzoeksrapport met een verzoek om aanvullende informatie toegestuurd aan verzoekster, waarop zij bij brief van 28 april 2008 inhoudelijk heeft gereageerd. Het onderzoeksrapport is vervolgens vastgesteld op 2 juni 2008. Voor de feiten in deze zaak verwijst de commissie naar het onderzoeksrapport, dat geacht wordt deel uit te maken van dit advies.

Algemene overwegingen

a) De commissie laat zich bij haar advisering leiden door de beleidslijnen terzake van de Commissie Ekkart als overgenomen door de regering.

b) De commissie heeft zich de vraag gesteld of een uit te brengen advies invloed mag ondervinden van mogelijke consequenties in latere zaken. De commissie beantwoordt die vraag, behoudens onder bijzondere omstandigheden ontkennend omdat een dergelijke invloed bezwaarlijk kan worden tegengeworpen aan de betrokken verzoeker.

c) De commissie heeft zich voorts afgevraagd op welke wijze moet worden omgegaan met het gegeven dat bepaalde feiten niet meer te achterhalen zijn, dat bepaalde gegevens verloren zijn gegaan of niet zijn teruggevonden of anderszins bewijzen niet meer zijn bij te brengen. De commissie is daaromtrent van mening dat, indien het tijdsverloop (mede) oorzaak is van de ontstane problemen, het risico daarvoor, indien het betreft particulier kunstbezit, behoudens onder bijzondere omstandigheden, behoort te liggen bij de overheid.

d) De commissie is van mening dat inzichten en omstandigheden die naar algemene maatschappelijke opvattingen sinds de Tweede Wereldoorlog klaarblijkelijk zijn veranderd, gelijk mogen worden gesteld aan nova (nieuwe feiten).

e) Onvrijwillig bezitsverlies is in hoge mate waarschijnlijk indien is verkocht zonder instemming van de kunsthandelaar door Verwalters of andere niet door de eigenaar aangestelde
beheerders uit de onder hun beheer gestelde oude handelsvoorraad, voor zover de oorspronkelijke eigenaar of zijn erven niet het volledige profijt van de transactie heeft genoten of voor zover de eigenaar niet na de oorlog uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van rechten.

Toelichting met betrekking tot de algemene overwegingen c en e[1]

In lijn met de aanbevelingen inzake de kunsthandel en de toelichting daarop is de commissie tot het oordeel gekomen dat overweging c uitsluitend dient te gelden voor particulier kunstbezit. In diezelfde lijn heeft een aanpassing plaatsgevonden in overweging e en heeft voorts in verband met deze overweging te gelden dat uitsluitend objecten die zich daadwerkelijk in de oude handelsvoorraad hebben bevonden, voor restitutie in aanmerking kunnen komen.

Bijzondere overwegingen:

  1. Verzoekster vraagt teruggave van het schilderij Stalinterieur met boerenfamilie van A. van Ostade (NK 1808). Verzoekster heeft gesteld een achternicht en erfgename te zijn van F.H. von Podwinetz. Volgens verzoekster is Von Podwinetz op 16 juni 1891 in Wenen geboren als zoon van L. von Podwinetz. Verzoekster heeft gesteld dat haar grootmoeder M. Podwinetz een dochter was van L. von Podwinetz Met betrekking tot de erfrechtelijke situatie heeft verzoekster gesteld dat ‘ich und meine beiden Kinder die einzigen direkt abstammenden verbliebenen Erben meines Grossonkels F.H. von Podwinetz sind’. De commissie heeft kunnen vaststellen noch kunnen uitsluiten dat verzoekster (enig) erfgenaam is van haar oudoom. In dit kader wijst de commissie erop dat verzoekster weliswaar familiebanden heeft met Von Podwinetz, maar dat uit informatie welke verzoekster heeft meegestuurd kan worden opgemaakt dat Von Podwinetz waarschijnlijk is overleden met achterlating van zijn echtgenote, waarmee de positie van verzoekster als erfgenaam onzeker is. In verband met het hiernavolgende heeft de commissie nader onderzoek naar de positie van verzoekster als rechthebbende echter niet nodig geacht.

  2. Volgens verzoekster werd F.H. von Podwinetz na de dood van zijn vader in 1917 eigenaar van de firma L. Podwinetz und Co. in Wenen. Hij was gehuwd met J.A. Podwinetz, die door verzoekster ook wordt aangeduid als H. D., met wie hij in de periode 1926-1939 stond ingeschreven op het adres VIII Feldgasse 10 in Wenen. F.H. von Podwinetz was volgens informatie van verzoekster van joodse afkomst. Op de door verzoekster toegezonden documentatie heeft zij inzake de religie van haar oudoom echter vermeld: ‘His religion was stated on his police residential permit as Evangelikus or Lutheran’. In 1938 zou Von Podwinetz uit Wenen zijn vertrokken met bestemming Engeland, maar er zijn geen gegevens die bevestigen dat hij daar ook werkelijk is geweest. Volgens verzoekster verbleef Von Podwinetz vanaf 1934 enige tijd in Berlijn en later vanaf 1938 in Parijs. Er zijn geen gegevens bekend omtrent de lotgevallen van Von Podwinetz na 1938. Verzoekster vermoedt dat hij tengevolge van de jodenvervolging om het leven is gekomen. De echtgenote van Von Podwinetz zou volgens verzoekster in 1939 naar Engeland zijn vertrokken. Verzoekster heeft een verklaring van een kennis van het echtpaar Von Podwinetz-D. uit 1964 aan de commissie overgelegd. Hierin wordt vermeld dat het echtpaar door de maatregelen van het naziregime gedwongen was om Berlijn, waar de vermogende Von Podwinetz een luxe woning en een ‘Privatbankhaus’ zou hebben gehad, te verlaten met achterlating van al hun bezittingen.

  3. Volgens verzoekster is haar oudoom F.H. von Podwinetz de tot op heden ongeïdentificeerde eigenaar van het onderhavige schilderij. In een naoorlogs overzicht betreffende ‘Irrtümliche Restitution nach Holland’ in het Bundesarchiv Koblenz staat vermeld over de herkomst van het thans geclaimde schilderij: ‘28.3.1941 von Podwinetz, Paris an Gal. Haberstock, Berlin; 16.4.1941 von dort an S[ammlung]L[inz]’. De herkomst Podwinetz 1941 van het schilderij van Ostade wordt tevens vermeld in het zogeheten ‘Consolidated Interrogation Report No 4’ van de Art Looting Investigation Unit uit 1945. Vermoedelijk heeft deze verwijzing betrekking op de persoon die in het zogeheten ‘Final Report’ van de Art Looting Investigation Unit wordt aangeduid als ‘PEDWINETZ, F.I. / Paris’ en waarover in het betreffende rapport wordt opgemerkt ‘sold to Haberstock’. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat de in deze stukken genoemde persoon haar oudoom betreft. Zij stelt dat Von Podwinetz zich na 1938 in Parijs ophield en dat de naam ‘Podwinetz’ en in het bijzonder ‘Von Podwinetz’ uiterst zeldzaam is, zodat volgens verzoekster aangenomen moet worden dat met de herkomstvermelding ‘Podwinetz, Parijs’ haar oudoom bedoeld wordt. Deze stellingen van verzoekster, in het bijzonder haar aanname dat haar oudoom zich in Parijs ophield rond het moment van de eventuele verkoop van het onderhavige schilderij in 1941, zijn echter onbevestigd gebleven.

  4. Op grond van het geldende restitutiebeleid, zoals vervat in de achtste aanbeveling van de Commissie Ekkart van april 2001, komt een kunstwerk slechts voor restitutie in aanmerking indien het eigendomsrecht in hoge mate aannemelijk is gemaakt en er geen aanwijzingen zijn die dit tegenspreken.

  5. De commissie acht het op basis van de hiervoor samengevatte onderzoeksgegevens weliswaar mogelijk, maar niet in hoge mate aannemelijk dat NK 1808 eigendom is geweest van F.H. von Podwinetz. Verzoekster was niet bij machte om gegevens te verstrekken met betrekking tot de eigendom van dit werk en het onvrijwillige bezitsverlies daarvan, anders dan haar verklaringen. De eigendom wordt slechts afgeleid uit een overeenkomst tussen de achternaam gemeld in het Bundesarchiv Koblenz en de achternaam van de oudoom van verzoekster. Bij deze stand van zaken bestaat onvoldoende grondslag voor een oordeel van de commissie dat het in hoge mate aannemelijk is dat dit werk eigendom was van de oudoom van verzoekster en dat deze onvrijwillig het bezit daarvan heeft verloren door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime.

Conclusie

De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om het verzoek tot teruggave van het schilderij Stalinterieur met boerenfamilie van A. van Ostade (NK 1808) af te wijzen.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 2 juni 2008 door R. Herrmann (voorzitter), J.Th.M. Bank, J.C.M. Leijten, P.J.N. van Os, E.J. van Straaten, H.M. Verrijn Stuart, I.C. van der Vlies (vice-voorzitter), en ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

(R. Herrmann, voorzitter) (E. Campfens, secretaris)

-----------------------

[1] Tot 12 november 2007 luidden de algemene overwegingen c en e: c) De commissie heeft zich voorts afgevraagd op welke wijze moet worden omgegaan met het gegeven dat bepaalde feiten niet meer te achterhalen zijn, dat bepaalde gegevens verloren zijn gegaan of niet zijn teruggevonden of anderszins bewijzen niet meer zijn bij te brengen. De commissie is daaromtrent van mening dat, indien het tijdsverloop (mede) oorzaak is van de ontstane problemen, het risico daarvoor, behoudens onder bijzondere omstandigheden, behoort te liggen bij de overheid. e) Onder onvrijwillig bezitsverlies wordt ook verstaan verkopen zonder instemming van de kunsthandelaar door Verwalters of andere niet door de eigenaar aangestelde beheerders uit de onder hun beheer gestelde oude handelsvoorraad, voor zover de oorspronkelijke eigenaar of zijn erven niet het volledige profijt van de transactie heeft genoten of voor zover de eigenaar niet na de oorlog uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van rechten.