May

NK 2558 (foto: RCE)

Advies inzake May

Dossiernummer: 
1.76
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
10 november 2008
Periode bezitsverlies: 
1940-1945
na 1945
Oorspronkelijke eigenaar: 
Particulier
Plaats bezitsverlies: 
In Nederland

Bij brief van 24 april 2007 verzocht de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) de Restitutiecommissie (hierna: de commissie) om advies inzake het verzoek van G.J. S.-V. (hierna: verzoekster) van 14 maart 2007 tot teruggave van het schilderij Portret van een man van H.W. Wieringa uit het voormalig bezit van Robert May. Het geclaimde object is na de Tweede Wereldoorlog na recuperatie onderdeel geworden van de Nederlands Kunstbezitcollectie en geregistreerd onder inventarisnummer NK 2558. Het schilderij bevindt zich momenteel in depot van het Instituut Collectie Nederland te Rijswijk.

De procedure

De aanleiding voor het restitutieverzoek vormde een brief van Bureau Herkomst Gezocht (BHG) van 23 oktober 2006 aan de zoon van verzoekster, waarin deze verzocht werd om nadere informatie met betrekking tot de beweegredenen van Robert May om het schilderij na de oorlog niet te claimen. Het restitutieverzoek ziet niet alleen op het schilderij NK 2558, maar tevens op diverse andere voorwerpen uit het voormalig bezit van Robert May. Bij brief van 24 april 2007 heeft de minister verzoekster laten weten dat het restitutieverzoek voor wat betreft deze andere voorwerpen te weinig gespecificeerd was om aan de commissie te kunnen voorleggen. Verzoekster heeft zich tot 11 februari 2008 laten vertegenwoordigen door R.O.N. van Holthe tot Echten, advocaat te Vreeland. Naar aanleiding van de adviesaanvraag betreffende NK 2558 heeft de commissie een onderzoek naar de feiten uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een conceptonderzoeksrapport van 2 juni 2008. Op 7 juli 2008 is het conceptonderzoeksrapport met een verzoek om aanvullende informatie toegestuurd aan verzoekster, waarop zij bij brief van 10 augustus 2008 heeft gereageerd. Het conceptonderzoeksrapport is bij brief van 8 juli 2008 voor feitelijke aanvulling toegestuurd aan de minister. Het onderzoeksrapport is vervolgens vastgesteld op 10 november 2008. Verzoekster heeft de commissie op 13 juli 2008 laten weten mede namens haar neven P.A.H. S. en A.J. S. op te treden. Voor de feiten in deze zaak verwijst de commissie naar het onderzoeksrapport. R. Herrmann, oud-voorzitter van de commissie, heeft de commissie in deze zaak bijgestaan als adviseur.

Algemene overwegingen

a) De commissie laat zich bij haar advisering leiden door de beleidslijnen terzake van de Commissie Ekkart als overgenomen door de regering.

b) De commissie heeft zich de vraag gesteld of een uit te brengen advies invloed mag ondervinden van mogelijke consequenties in latere zaken. De commissie beantwoordt die vraag, behoudens onder bijzondere omstandigheden ontkennend omdat een dergelijke invloed bezwaarlijk kan worden tegengeworpen aan de betrokken verzoeker.

c) De commissie heeft zich voorts afgevraagd op welke wijze moet worden omgegaan met het gegeven dat bepaalde feiten niet meer te achterhalen zijn, dat bepaalde gegevens verloren zijn gegaan of niet zijn teruggevonden of anderszins bewijzen niet meer zijn bij te brengen. De commissie is daaromtrent van mening dat, indien het tijdsverloop (mede) oorzaak is van de ontstane problemen, het risico daarvoor, indien het betreft particulier kunstbezit, behoudens onder bijzondere omstandigheden, behoort te liggen bij de overheid.

d) De commissie is van mening dat inzichten en omstandigheden die naar algemene maatschappelijke opvattingen sinds de Tweede Wereldoorlog klaarblijkelijk zijn veranderd, gelijk mogen worden gesteld aan nova (nieuwe feiten).

e) Onvrijwillig bezitsverlies is in hoge mate waarschijnlijk indien is verkocht zonder instemming van de kunsthandelaar door Verwalters of andere niet door de eigenaar aangestelde beheerders uit de onder hun beheer gestelde oude handelsvoorraad, voor zover de oorspronkelijke eigenaar of zijn erven niet het volledige profijt van de transactie heeft genoten of voor zover de eigenaar niet na de oorlog uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van rechten.

Bijzondere overwegingen:

  1. Verzoekster vraagt teruggave van het schilderij Portret van een man van H.W. Wieringa (NK 2558) uit het voormalig bezit van Robert May. Het schilderij werd voorheen toegeschreven aan de 17e-eeuwse schilder Thomas de Keyser. Verzoekster heeft gesteld enig erfgename te zijn van C.W. S. (overleden in 1991), die op zijn beurt erfgenaam was van J.P. (overleden in 1986). Deze laatste was enig erfgenaam van Robert May (hierna: May). De neven van verzoekster, P.A.H. S. jr. en A.J. S., namens wie verzoekster mede optreedt, zijn erfgenaam van P.A.H. S. sr., die eveneens erfgenaam was van J.P. In dit kader heeft de commissie kennisgenomen van enkele erfrechtelijke stukken.

  2. De relevante feiten zijn in het onderzoeksrapport van 10 november 2008 beschreven. Hier wordt volstaan met de volgende samenvatting. May was van joodse afkomst en firmant bij de bank Lippmann, Rosenthal & Co aan de Nieuwe Spiegelstraat te Amsterdam. In dit advies wordt deze bank aangeduid met Liro-Spiegelstraat, ter onderscheiding van de Duitse roofinstelling Lippmann, Rosenthal & Co aan de Sarphatistraat te Amsterdam (Liro-Sarphatistraat). Begin juli 1940 werd Liro-Spiegelstraat onder beheer gesteld van een Verwalter, de Duitse bankier A. Flesche. Blijkens naoorlogse verklaringen van May en mede-firmant Fuld heeft Flesche zich als Verwalter correct gedragen. Lou de Jong schreef in Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog over Flesche (Lou de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 5, p. 608, Den Haag 1974):

    ‘Fuld en May beschermde hij: toen alle Joden gedeporteerd waren, wist hij hen en Fulds moeder van deportatie te vrijwaren. Bovendien zorgde hij er voor dat de twee bankiers een redelijk inkomen behielden, dat hun vermogens intact bleven (die behoorden, zei hij, tot het vermogen van de bank die hij beheerde) en dat de aangemelde Joodse bedrijven waarvan Lippmann-Rosenthal-Nieuwe Spiegelstraat de administratie gevoerd had, geen van alle geliquideerd werden.’

  3. Uit de bewaard gebleven boekhouding van Liro-Spiegelstraat blijkt dat May in 1940 een aanzienlijke schuld had aan de bank, die grotendeels ongedekt was. In verband daarmee bedong Liro-Spiegelstraat in november 1940 een pandrecht op al zijn roerende goederen, waaronder May’s collectie porselein en zilver en het thans geclaimde schilderij.

  4. Vanaf mei 1942 werden joden op grond van Verordening 58/1942 gedwongen hun kostbare bezittingen in te leveren bij Liro-Sarphatistraat. May daarentegen kreeg eind juni 1942 van het Departement van Opvoeding, Wetenschap en Kultuurbescherming (een voorloper van het huidige Ministerie van OCW) het bevel zijn (verpande) verzameling zilver en porselein en het thans geclaimde schilderij in bewaring te geven bij het Rijksmuseum te Amsterdam (RMA). Het schilderij werd daarbij blijkens een bewaard gebleven taxatierapport op NLG 20.000,- getaxeerd.

  5. Eind 1942 werd het RMA meegedeeld dat de joodse bruiklenen, waaronder ook de kunstvoorwerpen van May, verkocht zouden worden door Liro-Sarphatistraat. Het RMA werd daarbij in de gelegenheid gesteld kunstwerken waarvoor van Duitse zijde geen belangstelling was tegen taxatiewaarde over te nemen. Het RMA liet weten dat het de collectie May in zijn geheel wenste aan te kopen. Terwijl de onderhandelingen daarover gaande waren, vorderde de Dienststelle Mühlmann eind januari 1943 afgifte van het schilderij NK 2558. Uit de naoorlogse documentatie kan worden afgeleid dat het schilderij terecht is gekomen in de collectie van Hermann Göring. Uit het onderzoek is niet gebleken welk bedrag de Dienststelle Mühlmann exact heeft betaald voor het schilderij. In diverse archiefstukken wordt gesproken van een bedrag van NLG 15.000,-; May zelf maakt melding van een bedrag van NLG 18.000,-. Uit de hierna geciteerde naoorlogse verklaring van May blijkt dat de koopsom door hem is ontvangen.

  6. Na de oorlog heeft May de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK) bij brief van 7 november 1945 attent gemaakt op het feit dat het schilderij NK 2558 in de oorlog was opgeëist door de Dienststelle Mühlmann. May gaf daarbij aan:

    ‘De opbrengst van de verkoop, zijnde F.18.000.-, hetgeen zonder twijfel te laag was, is mij ter hand gesteld, zodat uit dien hoofde ik geen schade te vorderen heb. Echter lijkt het mij, dat dit schilderij een kunsthistorische waarde heeft om de voorgestelde persoon zelf, en voor Nederland behouden zou moeten blijven, weswege ik U bij dezen hierop attent maak.’

  7. In 1946 werd het schilderij gerecupereerd. Aangezien het werk beschadigd was, werd het door de SNK getaxeerd op NLG 5.000,- à NLG 6.000,-. In 1949 bood de SNK May aan het schilderij terug te kopen tegen betaling van NLG 15.000,- (de veronderstelde verkoopprijs in 1943) vermeerderd met de kosten van beheer. In reactie hierop liet May bij brief van 10 oktober 1949 weten:

    ‘In antwoord op Uw brief van 5 October j.l. (...), deel ik U mede, dat het niet in mijn intentie is, om teruggave van de “Thomas de Keyser” te verzoeken.’

    De SNK heeft op grond hiervan in haar administratie bij het werk aangetekend dat de vroegere eigenaar niet claimt. Uit het onderzoek is niet gebleken dat May later op zijn standpunt is teruggekomen.

  8. Gezien het voorgaande dient de commissie in deze zaak allereerst met inachtneming van het rijksbeleid inzake de restitutie van cultuurgoederen te bezien of verzoekster ontvankelijk kan worden geacht. Uitgangspunt van het rijksbeleid is dat rechtsherstel van na de oorlog niet wordt overgedaan, tenzij er sprake is van nieuwe inzichten (nova). Dit betekent dat afgehandelde zaken in beginsel niet worden heropend. Hoewel het begrip ‘afgehandelde zaak’ door de invulling die de Commissie Ekkart hieraan heeft gegeven in haar eerste Aanbeveling inzake particulier kunstbezit (april 2001) in werking is beperkt, heeft de regering bepaald dat van een afgehandelde zaak in ieder geval sprake is indien ‘claimant expliciet van de vordering tot teruggave heeft afgezien’ (Regeringsreactie 29 juni 2001, TK 2000-2001, 25 839, nr. 26).

  9. May heeft in zijn brief van 7 november 1945 aan de SNK geschreven dat hij de koopprijs destijds heeft ontvangen en dat hij uit dien hoofde geen schade te vorderen heeft en in zijn brief van 10 oktober 1949 dat het niet zijn intentie is, om teruggave van de “Thomas de Keyser” te verzoeken. Hieruit moet worden afgeleid dat May expliciet heeft afgezien van de vordering tot teruggave van het schilderij.

  10. De commissie acht geen nova aanwezig die tot heropening van de zaak zouden moeten leiden. Zij acht daarbij het volgende van belang. May heeft de koopprijs destijds ontvangen en heeft aangegeven dat hij geen schade te vorderen heeft. Hoewel May minder heeft ontvangen dan de tijdens de oorlog getaxeerde waarde van het werk, is geen sprake geweest van noemenswaardig vermogensverlies. May is ook in latere jaren niet teruggekomen op zijn beslissing, en er is verder ook geen aanleiding te veronderstellen dat sprake is geweest van een onzorgvuldige naoorlogse procedure.

Conclusie

De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap tot afwijzing van het verzoek van G.J. S.-V. tot teruggave van Portret van een man van H.W. Wieringa (NK 2558).

Aldus vastgesteld in de vergadering van 10 november 2008 door I.C. van der Vlies (waarnemend voorzitter), J.Th.M. Bank, J.C.M. Leijten, P.J.N. van Os, E.J. van Straaten, H.M. Verrijn Stuart, en ondertekend door de waarnemend voorzitter en de secretaris.

(I.C. van der Vlies, waarnemend voorzitter) (E. Campfens, secretaris)

Gerelateerde adviezen: