Proehl

NK3082 (Foto: RCE)

Advies inzake Proehl

Dossiernummer: 
1.77
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
9 februari 2009
Periode bezitsverlies: 
1940-1945
Oorspronkelijke eigenaar: 
Particulier
Plaats bezitsverlies: 
In Nederland

Bij brief van 23 maart 2007 dienden mevrouw I.M.L-P. en mevrouw G.C.V.P., vertegenwoordigd door hun advocaat M.H. Stötzel te Marburg, Duitsland, een verzoek in bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: OCW) tot teruggave van het schilderij Prometheus geketend aan de rots, een kopie naar P.P. Rubens. Het kunstwerk maakt sinds zijn recuperatie naar Nederland na de Tweede Wereldoorlog onder inventarisnummer NK 3082 deel uit van de Nederlands Kunstbezit-collectie (hierna: NK-collectie) en bevindt zich momenteel in depot bij het Instituut Collectie Nederland.

DE PROCEDURE

De aanleiding voor het restitutieverzoek vormde een publicatie op de website van Bureau Herkomst Gezocht (hierna: BHG) waaruit bleek dat het schilderij NK 3082 tijdens de Tweede Wereldoorlog was verkocht door de van origine Duitse bankier Ernst Paul Caesar Heinrich Proehl (hierna: Proehl). Bij brief van 4 mei 2007 heeft de Minister van OCW het restitutieverzoek ter advisering aan de commissie voorgelegd. Bij brief van 10 april 2008 heeft de vertegenwoordiger van verzoekers laten weten dat mevrouw I.M.L.-P. in september 2007 is overleden en dat haar zonen E.M.L. en F.H.L. in haar plaats als (mede)verzoekers optreden.
Naar aanleiding van het adviesverzoek heeft de commissie een onderzoek naar de feiten uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een conceptonderzoeksrapport van 3 juli 2008. Het conceptonderzoeksrapport is bij brief van 22 juli 2008 aan het ministerie verzonden voor feitelijke aanvulling en bij brief van 21 juli 2008 voor commentaar toegezonden aan verzoekers. Bij brieven van 1 september 2008 en 31 oktober 2008 hebben verzoekers gereageerd op het conceptonderzoeksrapport. Zij hebben daarbij aanvullende documentatie verstrekt met betrekking tot het leven van Proehl en de omstandigheden waaronder het schilderij gedurende de oorlog werd verkocht. Het onderzoeksrapport is vervolgens vastgesteld op 9 februari 2009. Voor de feiten in deze zaak verwijst de commissie naar het onderzoeksrapport.

OVERWEGINGEN

    1. Verzoekers zijn kleinkinderen van Proehl (1885-1973) en diens echtgenote Julia Ilse Schwarz (1883-1977). Verzoekers vragen teruggave van het schilderij Prometheus geketend aan de rots (NK 3082) dat aan hun grootouders toebehoorde. Het echtpaar Proehl had twee kinderen: E.W.P.H.P. (1910-1952) en I.M.L.-P. (1918-2007). Verzoekster G.C.V.P. is dochter van E.W.P.H.P.; verzoekers E.M.L. en F.H.L. zijn kinderen van I.M.L.-P. In dit verband heeft de commissie kennisgenomen van enkele erfrechtelijke stukken. Deze stukken hebben de commissie geen aanleiding gegeven te twijfelen aan de erfrechtelijke status van verzoekers.

    2. De relevante feiten zijn in het onderzoeksrapport van 9 februari 2009 beschreven. Hier wordt volstaan met de volgende samenvatting. Proehl werd in 1885 geboren te Hamburg, Duitsland. Zijn echtgenote Julia Ilse Schwarz, in 1883 geboren te Oostenrijk, was van joodse afkomst. Proehl zelf was niet joods. In 1916 verhuisde hij met zijn gezin naar Nederland, waar hij in 1925 de Nederlandse nationaliteit verkreeg. Samen met Fritz Gutmann richtte hij in 1920 de bank Proehl & Gutmann op, waarin ook de Dresdner Bank een belang had. In 1934 werd de bank Proehl & Gutmann opgeheven, mogelijk niet alleen wegens de financiële crisis waarmee Duitsland te kampen had, maar ook, zoals verzoekers stellen, als gevolg van de anti-joodse maatregelen die in Duitsland tegen de Dresdner Bank werden getroffen. Vanaf 1934 werkte Proehl in de door zijn zoon opgerichte firma Proehl & Co. Deze firma hield zich bezig met financiële dienstverlening.

    3. Uit verschillende door verzoekers overgelegde documenten is gebleken dat de nazi’s Proehl al in een vroeg stadium wantrouwden vanwege zijn nauwe familiebanden en zakelijke betrekkingen met joden. Verzoekers hebben gesteld dat als gevolg daarvan de nazi’s hem in 1937 dwongen tot gedeeltelijke verkoop van zijn landgoed Gut Pünstorf nabij de Duitse stad Itzehoe en in 1941 dwongen tot verkoop van de resterende gedeelten. De commissie heeft op grond van bewaard gebleven archiefstukken geconstateerd dat Proehl ook in Nederland al spoedig te maken kreeg met de gevolgen van de bezetting. Vanaf begin 1942 werd hij strafrechtelijk vervolgd wegens ontduiking van door de nazi’s uitgevaardigde regels met betrekking tot de aanmelding van joods kapitaal dat onder zijn firma berustte. Om diezelfde reden werd de firma Proehl & Co vanaf 24 februari 1942 onder beheer gesteld van een Verwalter. In een later stadium werden ook de privé-rekeningen van Proehl en zijn zoon door de nazi’s geblokkeerd. Uiteindelijk is Proehl gearresteerd op 23 juni 1944 en via kamp Vught overgebracht naar concentratiekamp Sachsenhausen-Oraniënburg, dat bestemd was voor politieke gevangenen. Na de bevrijding keerde hij terug naar Amsterdam.

    4. Bekend is dat Proehl kunst verzamelde en in bezit was van een collectie waardevolle schilderijen. Bij het herkomstonderzoek naar het geclaimde schilderij NK 3082 is gebleken dat dit werk in 1924 in bezit kwam van kunsthandel J. Goudstikker, waar het later is gekocht door Proehl. De precieze datum van koop is niet bekend; wel is uit bewaard gebleven archiefstukken op te maken dat het schilderij in ieder geval in 1934 in Proehls bezit was. Proehl heeft het schilderij, dat werd toegeschreven aan Rubens, omstreeks maart 1941 verkocht aan kunsthandel P. de Boer te Amsterdam voor een bedrag van NLG 20.000. In diezelfde periode verkocht hij aan deze kunsthandel nog een aantal kunstwerken. Het schilderij NK 3082 werd in april 1941 doorverkocht aan de Dienststelle Mühlmann voor NLG 25.000, waarna het terecht kwam bij Sonderauftrag Linz, de instelling die ten behoeve van het op te richten Führermuseum van Hitler werken aankocht.

    5. Kort na de oorlog heeft Proehl aangifte gedaan van de verkoop van het schilderij NK 3082 bij de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK). In het aangifteformulier merkte hij op dat het werk door ‘verkoop’ in bezit was gekomen van kunsthandel P. de Boer. In februari 1949 verklaarde Proehl in het kader van een onderzoek dat naar de kunsthandel werd gevoerd:

      Het is juist dat ik in het jaar 1941 een viertal schilderijen heb verkocht aan den kunsthandelaar P. de Boer. […] Het schilderij van Rubens was voor mij te groot en omdat dit object een beetje afstak bij mijn collectie wilde ik het wel kwijt. Dit heb ik aan den Heer P. de Boer verteld, die eenige weken nadien mij om een prijs vroeg. Ik heb hem dit schilderij voor f.20.000.- aangeboden, waarna de Boer het van mij afnam.

      In dezelfde getuigenis verklaarde hij ook:

      Vervolgens verkocht ik aan de Boer de andere genoemde objecten. Ook deze schilderijen wilde ik kwijt, te meer daar ik in die dagen voorzag dat ik geld nodig zou hebben. Het was mij niet bekend dat deze schilderijen aan de Duitsers zouden worden verkocht. De Boer heeft daar niet met mij over gesproken.

    6. In juli 1951 liet het Bureau Herstelbetalings- en Recuperatiegoederen (Hergo, taakopvolger van de SNK) hem weten dat het werk NK 3082 was gerecupereerd, waarna tussen Proehl en Hergo een briefwisseling heeft plaatsgevonden over een eventuele teruggave. Hoewel Hergo aanvankelijk van mening was dat er geen recht bestond op teruggave omdat de verkoop niet onder dwang van de Duitse autoriteiten zou hebben plaatsgevonden, bood Hergo Proehl eind november 1952 toch aan het schilderij terug te kopen naar de taxatiewaarde van dat moment. Vermoedelijk had Hergo zijn mening inzake het karakter van de verkoop herzien als gevolg van een schrijven van Proehl van 12 november 1952:

      Ik kom nog eens terug op Uw schrijven van 1 October j.l. en verzoek U mij te willen berichten, of U mij het schilderij van Rubens: Prometheus, wilt verkopen en eventueel tegen welke prijs. Inderdaad heb ik het schilderij niet onder directe dwang van de bezettingsautoriteiten verkocht, maar – zoals ik U ook medegedeeld heb – bestond voor mij toch de noodzakelijkheid hiertoe in verband met de dreigende inbeslagneming van mijn huis Koningslaan 17

      De onderhandelingen hebben niet in een teruggave geresulteerd. Uiteindelijk heeft Proehl nog in maart 1959 contact gezocht met het inmiddels geliquideerde Hergo, maar ook dat leidde niet tot restitutie.

    7. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van verzoekers overweegt de commissie het volgende. Uit de archiefstukken blijkt dat de onderhandelingen die Proehl na de oorlog met de Nederlandse restitutieautoriteiten heeft gevoerd niet hebben geleid tot een uitspraak van de Raad voor het Rechtsherstel of een andere bevoegde rechter en evenmin tot een schikking met een boven de SNK geplaatst orgaan. Evenmin heeft Proehl na de oorlog expliciet van de vordering tot teruggave afgezien. Onder verwijzing naar de eerste aanbeveling van de Commissie Ekkart inzake particulier kunstbezit, constateert de commissie dan ook dat hier geen sprake is van een in het verleden afgehandelde zaak en acht zij verzoekers ontvankelijk in hun verzoek.

    8. Op grond van het geldende rijksbeleid met betrekking tot de restitutie van cultuurgoederen kan tot teruggave worden geadviseerd indien het eigendomsrecht in hoge mate aannemelijk is gemaakt en de oorspronkelijk eigenaar het bezit van het kunstwerk onvrijwillig heeft verloren door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime. Volgens de derde aanbeveling van de Commissie Ekkart van 26 april 2001, overgenomen door de regering, dienen verkopen door joodse particulieren in Nederland vanaf 10 mei 1940 als onvrijwillig te worden beschouwd, tenzij nadrukkelijk anders blijkt. In haar reactie op deze aanbeveling heeft de regering aangegeven dat ook andere specifieke groepen van vervolgingsslachtoffers een beroep kunnen doen op deze bewijsregel (TK 2001-2002, 25 839, nr. 27).

    9. De commissie concludeert met betrekking tot de eigendomsvraag dat vast is komen te staan dat het geclaimde schilderij in ieder geval sinds 1934 toebehoorde aan Proehl en dat het werk tot het moment van verkoop, omstreeks maart 1941, in zijn bezit was.

    10. Ten aanzien van de aard van het bezitsverlies merkt de commissie het volgende op. Uit het onderzoek is gebleken dat Proehl vanaf eind jaren dertig onder bedreiging van de nazi’s heeft gestaan en uiteindelijk is gearresteerd en naar concentratiekamp Sachsenhausen is overgebracht. Hoewel zelf niet joods, waren zijn vrouw en daarmee ook zijn kinderen van joodse afkomst en bevond Proehl zich alleen al op grond hiervan in een zeer kwetsbare positie. Ook zijn betrekkingen met joodse bankiers en cliënten en de hulp die hij hun verleende, hebben bijgedragen aan zijn eigen vervolging. De commissie is dan ook van oordeel dat Proehl als slachtoffer van nazivervolging dient te worden aangemerkt. Onder toepassing van het regeringbeleid gaat de commissie er dan ook vanuit dat Proehl het schilderij in maart 1941 onvrijwillig heeft verkocht, als gevolg van omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime.
      De commissie overweegt dat de verklaringen die Proehl na de oorlog heeft afgelegd (zie alinea’s 5 en 6), hoewel op het eerste gezicht dubbelzinnig, niet op het tegendeel wijzen. Dat Proehl in zijn aangifte bij de SNK kort na de oorlog uitging van een ‘gewone’ verkoop, is alleszins begrijpelijk in het licht van de toenmalig geldende opvattingen met betrekking tot vrijwilligheid en onvrijwilligheid. Aan de getuigenis van februari 1949 in het kader van het onderzoek naar kunsthandelaar P. de Boer hecht de commissie minder waarde dan aan Proehls latere verklaring van 1952, aangezien het waarschijnlijk is dat Proehl de kunsthandelaar, met wie hij vaker zaken had gedaan, niet wilde belasten. In de verklaring van november 1952 wordt duidelijk een verband gelegd tussen de verkoop van het schilderij en de vervolgingsmaatregelen van de Duitse bezetter tegen Proehl.

    11. Op grond van het voorgaande acht de commissie het verzoek tot teruggave van het geclaimde schilderij toewijsbaar. De commissie is van oordeel dat daaraan geen voorwaarde tot terugbetaling van de destijds ontvangen koopsom dient te worden verbonden. De commissie wijst daarbij op de vierde aanbeveling van de Commissie Ekkart van april 2001, die bepaalt dat een verplichting tot terugbetaling uitsluitend bestaat wanneer de toenmalige verkoper de opbrengsten ter vrije beschikking heeft gekregen. Bij twijfel of men de opbrengsten daadwerkelijk heeft genoten, dient aan de rechthebbenden het voordeel van de twijfel te worden gegund, zo wordt in de vijfde aanbeveling opgemerkt. Gezien de kwetsbare positie waarin het gezin Proehl zich bevond, acht de commissie aannemelijk dat Proehl de verkregen gelden niet vrijelijk heeft kunnen besteden, maar als gevolg van de oorlogsomstandigheden heeft moeten aanwenden ter bescherming van zijn gezin. Dit blijkt ook uit Proehls verklaring van februari 1949 (alinea 5), waarin hij stelt de schilderijen verkocht te hebben omdat hij in die dagen voorzag geld nodig te hebben. Ook de omstandigheid dat de firma Proehl & Co vanaf begin 1942 onder beheer was geplaatst en de zakelijke en privérekeningen van Proehl en zijn zoon geblokkeerd waren, maakt aannemelijk dat Proehl de opbrengst van de verkoop van het schilderij niet ter vrije beschikking heeft gehad.

      Gelet op een en ander moet worden aangenomen dat bij teruggave van het werk zonder terugbetaling geen sprake is van ongerechtvaardigde verrijking.

    CONCLUSIE

      De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om het schilderij Prometheus geketend aan de rots (NK 3082) te restitueren aan de erven van Ernst Paul Caesar Heinrich Proehl.

      Aldus vastgesteld in de vergadering van 9 februari 2009 door W.J.M. Davids (voorzitter), J.Th.M. Bank, J.C.M. Leijten, P.J.N. van Os, E.J. van Straaten, H.M. Verrijn Stuart, I.C. van der Vlies (vice-voorzitter) en ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

      (W.J.M. Davids, voorzitter)     (E. Campfens, secretaris)